Het Urinoir

Lange tijd was het Centre Pompidou, dat deze week zijn dertigste verjaardag viert, voor mij de plek waar je niet kwam. Te veel bezoekers (twintigduizend per dag), te commercieel (zelfs voor het uitzicht lieten ze je betalen), te museaal, zoals ook oud-directeur Germain Viatte het centrum vorige week nog bestempelde. Nee, dan ging ik liever naar het Palais de Tokyo, dat aangenaam scharrig is, nooit druk en waar je, mocht het gebodene teleurstellen, in ieder geval terecht kunt voor een exquise lunch.
Vorige maand overwon ik mijn weerzin tegen de eindeloze rij in de Rue de Renard. Maar beter ook: het bleek de rij voor de aanpalende bibliotheek te zijn. Ik zag er de Yves Klein-expositie die mijn verwachtingen – voorzover ik die al had – in alles overtrof. Klein (1928-1962) verwierf in de jaren vijftig faam als menger van het International Klein Blue – een bedwelmende kleur blauw, waar hij sponzen, Romeinse bustes en naakte fotomodellen in doopte, maar hij was, zo bleek, tegelijk een verdienstelijk judoka, zijn echte passie. Op de expositie waren filmpjes te zien van hoe Klein in Japan zijn vierde dan behaalde en ik zag hem aan het werk op de judoschool die hij runde in het noorden van Parijs. Nu begreep ik ook dat zijn beroemde foto, Le saut dans le vide, waarbij Klein in zweefduik van een huis af springt, misschien wel géén trucage was geweest. Klein was een neodadaïst en hij was als zodanig het logische vervolg op de grote dada-expositie die het Centre Pompidou begin 2006 organiseerde. Toen ik even later buiten stond – dat wil zeggen: op de zesde etage met uitzicht over Parijs – realiseerde ik me pas wat ik in die tweeënhalf jaar dat ik hier nu woon gemist had.

Wie zijn weg naar het Centre Pompidou eerder wél had weten te vinden, was de 77-jarige perfomance-kunstenaar Pierre Pinoncelli – net als Klein een neodadaïst. Op de dada-expositie was Pinoncelli het Urinoir van Marcel Duchamp (dat wil zeggen, één van de acht kopieën die Duchamp in 1964 maakte nadat het origineel uit 1917 verloren was gegaan) met een hamer te lijf gegaan. In 1992 had Pinoncelli er al eens in gepist. De Franse rechter veroordeelde hem eerder tot het betalen van een schadevergoeding van tweehonderdduizend euro (het Centre Pompidou schat de waarde van het Urinoir op 2,8 miljoen), maar Emmanuel Pierrat, de advocaat van Pinoncelli, liet het er niet bij zitten en eiste op zijn beurt schadevergoeding van het Centre Pompidou, dat het Urinoir inmiddels liet restaureren. Door zijn daad zou Pinoncelli coauteur geworden zijn. Pierrat beroept zich op jurisprudentie uit de negentiende eeuw. Hier verleende een rechter coauteurschap aan de beeldhouwer Guino, die op instructie van een aan artrose lijdende Renoir een serie bustes had gemaakt. Pinoncelli zelf verklaarde nieuwe vragen te willen oproepen over wat kunst is. Het Centre Pompidou, dat de komende jaren vestigingen opent in Metz en Sjanghai, pakte de handschoen niet op en wacht de uitspraak van het hoger beroep af (15 februari). En ach, daar kun je je ook wel iets bij voorstellen.

www.centrepompidou.fr