Het uur van de grijze wolf

Als het over minderheden gaat wordt er in Nederland veel geteld en weinig gekeken.

Cijfermatig weten we alles. Een Turkse man, zo heeft Binnenlandse Zaken onlangs laten uitrekenen, heeft nul komma twaalf keer zo veel, of liever zo weinig, kans op een HBO-diploma als een Nederlander. Ook heeft hij 0,57 keer zo veel kans op een huis met een tuin, 0,92 keer zo veel kans op een huis met een cv, 1,39 keer zo veel kans op een huis dat na 1980 gerenoveerd is, en dus, totaliter globaliter, 0,88 keer zoveel kans op een gerenoveerd huis met tuin en cv.
Dat weten we.
Over de wereld waarin hij leeft weten we veel minder. Waarover praat hij in zijn koffiehuis? Welke boodschap ontvangt hij via zijn schotelantenne? Waarover wordt hij in zijn moskee onderricht? En wat hoort hij in het zaaltje waarin hij tijdens een cultureel verantwoorde bijeenkomst naar een cultureel verantwoorde toespraak luistert?
Volgens Stella Braam en Mehmet ülger: het grommende gehuil van een aanstormende kudde grijze wolven. Braam en ülger zijn wel gaan kijken en luisteren. In hun boek, dat deze week verschijnt, geven ze een overvloed aan voorbeelden van vredelievend ogende Turkse instellingen en verenigingen die, onder de dekmantel van cultuur en religie, propaganda bedrijven voor een agressieve variant op de Groot-Turkse Gedachte. Het enthousiasme voor de ultranationalistische denkbeelden van de Grijze Wolf en voor diens hang naar herstel van het Ottomaanse Rijk, blijkt tamelijk wijd verspreid. Niet alleen onder oudere Turken, juist ook onder de Turkse jongens en meisjes die in Nederland zijn geboren, in vlekkeloos Haags of Rotterdams, Amsterdams of Zuidlimburgs ‘kijk uit je doppen, kankerlijer’ zeggen en op de lagere school van Willem de Zwijger en de middelen van bestaan in Oost-Groningen geleerd hebben.
Dat klinkt alarmerend. Blijkbaar is de integratiegedachte die op uiterst links en uiterst rechts na door de hele politiek in Nederland wordt voorgestaan meer wens dan werkelijkheid. Op zichzelf geen onbekend gegeven. De hele politiek vindt ook dat er geen aparte scholen moeten komen voor zwarte kinderen of voor bruine of voor blanke. In Nederland woonachtige kinderen moeten één en ongedeeld naar de ongekleurde school. Ondertussen telt Amsterdam alleen al tenminste vijftig specifiek blanke en vijftien specifiek zwarte scholen. De verwachting is dat het laatstgenoemde aantal binnen enkele jaren tot 127 zal oplopen. En dat de leerlingen die er af komen na negen jaar basisonderwijs het kennisniveau hebben dat op de blanke school na zeven jaar bereikt wordt.
Het een heeft met het ander te maken. De belofte die de Hollandse politieke moraal impliceert wordt in de alledaagse werkelijkheid zelden of nooit ingelost. Als je maar goed Nederlands spreekt, beste Turkse jongen, en als je op school maar braaf je best doet, lief Marokkaans meisje, dan zul je eens zien hoe gelijk je behandeld gaat worden! Als het er werkelijk zo aan toeging: tien tegen een dat de Grijze Wolf weinig of geen gehoor zou vinden. Zijn ideologie vertoont een tamelijk geringe waardering voor de normen en waarden, gewoonten en gebruiken die van Roodeschool tot Sas van Gent min of meer gangbaar zijn. De sympathie voor zijn gedachtengoed kan dan ook moeilijk anders worden gezien dan als een uiting van protest.
Precies zoals de Grijze Wolf zich aan het opwerken is tot verzetssymbool onder Turken, precies zo ontwikkelt Desi Delano Bouterse zich tot de Grote Man voor de creool in de Bijlmer. De verarmde zwarte massa daar heeft de binding met de sociaal-economische hoofdstroom in Nederland allang verloren. Werkloosheid is er een erfelijk verschijnsel. En dus is het in de Bijlmer Bouta voor en Bouta na: de enige Surinamer die voor de duvel niet bang is, laat staan voor de Hollander. Het symbool als het ware van de grote bek die de verliezer opzet om zijn verlies draaglijk te maken.
In Nederland wonen op het ogenblik volgens een beperkte definitie 1,7 miljoen en volgens een ruime definitie 2,6 miljoen allochtonen. Volgens de jongste CBS-prognose zullen dat er in 2015 bij elkaar 3,8 miljoen zijn.
De vraag waar het uiteindelijk om gaat is: waarmee zullen deze mensen zich verbonden voelen? Met hun kansen op vooruitgang en welvaart in Nederland? Of met de mythen die ze zich vormen over het land van herkomst?
Natuurlijk: op tal van plaatsen in de wereld zitten Nederlandse immigranten bij elkaar om van de Blanke Top der Duinen te zingen en Zie Ginds Komt De Stoomboot - alleen, die komt nooit.
Heimwee is een mensenrecht.
Maar als ze uitgezongen zijn, dan zijn die ex-Hollanders wat ze inmiddels werden: Canadezen, Australiërs, Boeroes in Brazilië of Nickerie. Dat moesten ze wel worden om te overleven.
Door hun aantal en door de sterk verkleinde omvang van de wereld hebben de moderne immigranten in West-Europa wel degelijk een keuze: tussen het avontuur van nieuwe binding aan het nieuwe land of de regressie naar een oude binding met het oude. Mensen binden zich zodra ze iets hebben om zich aan te binden. Een goed huis, een redelijk inkomen, betere toekomstverwachtingen voor hun kinderen en kindskinderen. De hang naar Superbouta en Groot-Turkije laat zien dat veel immigrantenkinderen en immigrantenkindskinderen hun achterstand hier onoverkomelijk vinden. En dus voltrekt zich, om met het IRT-rapport te spreken, in Nederland 'een proces van etnische onderklassevorming’. Binnen die onderklasse, aldus nog steeds het IRT-rapport, 'tekent zich een scherp gemarkeerd, ongeïnteresseerd segment af’.
Dat laatste blijkt maar half waar.
Ongeïnteresseerd, ja: in de niet ingeloste Hollandse belofte. Maar uit verzet daartegen: zeer geïnteresseerd in de lokroep van een grijze wolf.