Het vaderlands leeuwtje én zijn kuitenbijters

Historicus Piet Emmer houdt opnieuw een pleidooi voor het meten met de juiste maat. Zijn historisch relativisme blijkt echter onhoudbaar vanwege de sterk ideologische en emotionele kleuring van zijn betoog. Rob Hartmans’ boek is genuanceerder.

Medium sk a 4988
Anoniem, Hollandse koopman met slaven in heuvellandschap, 1700-1725, olieverf op doek 48 x 57,2 cm © Collectie Rijksmuseum

Het zal een jaar of dertig geleden geweest zijn, in ieder geval was het vóór de verkiezingswinst van het anc in 1994, dat dichter en psychiater Rutger Kopland in kleine kring verkondigde dat het, om over de situatie in Zuid-Afrika een zuiver oordeel te vellen, beter was er niet geweest te zijn.

De redenering achter deze opmerking kan enige logica niet ontzegd worden. Als je Zuid-Afrika leert kennen, zo meende Kopland, leer je ook het standpunt van de blanke bevolking kennen en als je die kent, begrijp je op z’n minst een beetje waarom zij apartheid voorstaat. Tout comprendre is weliswaar niet tout pardonner maar begrip brengt meestal wel enige coulance met zich mee. Zo ver mocht je het volgens Kopland in dit geval nooit laten komen. Vandaar zijn aansporing uit Zuid-Afrika weg te blijven. De enig juiste houding was een radicale veroordeling van elke apartheidspolitiek.

Dit verlichte-, zuiver rationele of typisch jaren-zestigstandpunt – als dat de juiste termen zijn – heeft in de afgelopen, zeg, vijftien jaar ernstige averij opgelopen. Die averij ging parallel aan een zekere verrechtsing van de samenleving dan wel aan het groeiend inzicht dat er tussen tijden, plaatsen en culturen grote, vaak onoverkomelijke verschillen bestaan en dat die verschillen uitgangspunt van beoordeling behoren te zijn. Het is, zoals Piet Emmer herhaaldelijk, en met een impliciete verwijzing naar het bekende boek van de Amerikaanse historicus David Lowenthal, zegt: dat het verleden een vreemd land is. Achter deze opmerking schuilt een tweede, namelijk dat het ook als zodanig beoordeeld dient te worden.

Het is vanzelfsprekend niet voor het eerst dat de slinger tussen cultuurabsolutisme en cultuurrelativisme een andere kant op slaat. Wat dat betreft vormen bijvoorbeeld Verlichting en Romantiek al ruim tweehonderd jaar elkaars tegenpolen. Voor de aanhangers van de ene stroming gaan algemeenheden boven alles, voor die van de andere geldt hetzelfde voor bijzonderheden. Volgens de ideaaltypische Verlichtingsfilosofie gelden overal en altijd dezelfde waarden en principes. Voor de ideaaltypische Romantiek is de waarheid van de ene tijd, plek of cultuur nooit gelijk aan die van de andere. Het is een tegenstelling waar je nooit uit komt en die feitelijk ook veel ouder is dan de achttiende eeuw. Vermoedelijk is hij zelfs oeroud, zie bijvoorbeeld het cultuurrelativisme van Herodotus, vijfde eeuw voor Christus.

Piet Emmer, emeritus hoogleraar geschiedenis uit Leiden, houdt sinds vele jaren een pleidooi voor het meten met de juiste maat. Dat betekent in zijn geval dat hij zich verzet tegen het, wat hij vindt, gemakzuchtig toepassen van moderne normen op verleden tijden. Dat deed hij in het boek De Nederlandse slavenhandel, 1500-1850 uit 2000, vervolgde hij in een reeks andere publicaties, bepleitte hij in kranten- en tijdschriftartikelen en debatten en verkondigt hij nu, in zijn laatste publicatie, in meer algemene zin. Het toeval wil dat dit gebeurt op hetzelfde moment dat het thema weer eens politiek en media beroert. Deze keer gebeurt dat naar aanleiding van opmerkingen van cda-leider Buma die na zijn pleidooi voor het Wilhelmus ook andere iconen van de Nederlandse identiteit in ere wil herstellen. Daaronder Johan Maurits, J.P. Coen en anderen. Zijn opmerkingen hebben het vaderlands leeuwtje én zijn kuitenbijters weer eens losgemaakt, voor de zoveelste keer in afgelopen jaren.

Emmer is het zonder twijfel met Buma eens dat het dom en gemakzuchtig is een naam als die van Coen uit het Nederlandse straatbeeld te verwijderen. Welk doel is daarmee gediend? ‘Er raast een nieuwe beeldenstorm door ons land’, begint hij zijn boek tegen het zwart-wit-denken dan ook, en noemt vervolgens meteen, onder anderen, de naam van Coen. De man heeft immers nog altijd een standbeeld in Hoorn, een tunnel in Amsterdam en een heleboel straten elders in het land. Verwijderen, zeggen sommigen. Coen was immers een massamoordenaar – onder anderen van Bandanezen, bewoners van een aantal Molukse eilanden. Belachelijk, zeggen hun tegenstanders, onder wie dus ook Buma en Emmer. ‘We kunnen ons eenvoudigweg niet voorstellen dat Jan Pieterszoon Coen opereerde in een tijd waarin de superioriteit van de westerse beschaving vanzelf sprak’, voegt laatstgenoemde eraan toe. Anders gezegd: in Coens tijd dacht bijna iedereen als hij. Moeten we van het verleden tabula rasa maken omdat het anders is dan het heden?

Emmer voert zijn pleidooi voor het historisch relativisme met name op drie gebieden: kolonialisme, slavernij en migratie. Daarbij beweert hij om te beginnen dat de verschillende fenomenen in het verleden veelal positief beoordeeld werden. Maar hij gaat nog een stap verder en stelt dat zo’n positieve beoordeling op z’n minst gedeeltelijk terecht is. Want naast veel slechts brachten kolonialisme en slavernij ook veel goeds: ‘De kolonisator bracht schoon drinkwater, wegen, spoorwegen, telegraaf en telefoon, westerse rechtspraak, maakte een einde aan onderlinge oorlogen en plundertochten, beschermde minderheden, organiseerde modern onderwijs en gezondheidszorg, verbeterde de voedsellandbouw, stimuleerde de productie van exportgewassen en investeerde in de beginnende industrialisatie.’

‘De slaven, op de plaats van bestemming, leerden nuttige ambachten en kwamen in aanraking met het christendom’

Over slavernij geeft Emmer een minder fraaie opsomming. Maar: ‘Door slaven te kopen in Afrika redden de Europeanen het leven van deze ongelukkigen [van de nog veel kwalijker Afrikaanse, Aziatische of Indiaanse slavernij]. Daar liepen ze een groot gevaar te worden gedood bij rituele offerfeesten of ter gelegenheid van bijzondere gebeurtenissen… Bovendien leerden de slaven, eenmaal aangekomen op de plaats van bestemming, allerlei nuttige ambachten en kwamen ze in aanraking met het christendom.’

Iets anders ligt het met (im)migratie. Terwijl de huidige tegenstanders daarvan beweren dat migranten ons armer maken, beweren de voorstanders het tegenovergestelde. Kijk naar de Gouden Eeuw, zeggen zij, of naar de jaren zestig en zeventig, toen we enorm verlegen zaten om zogenoemde gastarbeiders. Je zou verwachten dat Emmer ook in dit geval het historisch verschijnsel verdedigt en argumenten aanvoert waarom we niet zo negatief over migratie zouden moeten oordelen. Maar dat is niet het geval en dat komt doordat hij met betrekking tot dit onderwerp vooral over het recente verleden en het heden spreekt. Vroeger, stelt hij, bepaalde de arbeidsmarkt of een migrant al dan niet nuttig was. Was hij het niet, dan was hij veroordeeld tot diepe armoede en deed hij er beter aan terug te keren. De moderne verzorgingsstaat heeft dit radicaal veranderd. Tegenwoordig is een op de arbeidsmarkt mislukte migrant in het migratieland nog altijd beter af dan in het land van herkomst. En dus blijft hij. Vandaar dat moderne migratie negatiever beoordeeld dient te worden dan die van het verleden.

Op het eerste gezicht heeft Emmer natuurlijk gelijk. Het is nogal onnozel om de criteria van vandaag op gisteren toe te passen. Niettemin zijn er twee redenen waarom zijn gelijk bij nader inzien zo sterk verbleekt dat er maar weinig van overblijft. Om te beginnen komt dat door de toon van het betoog. Emmer presenteert zich als een rationeel man die simpelweg beter weet. Mensen die anders denken dan hij – dit zegt hij niet met zoveel woorden maar suggereert het voortdurend – zijn gewoon niet zo slim dan wel overdreven emotioneel. Helaas doet Emmer zelf voortdurend uitspraken die niet hard te maken, onmogelijk vol te houden, suggestief of op z’n minst zeer aanvechtbaar zijn. ‘Wat was er met de Derde Wereld gebeurd als de dekolonisatie later had ingezet?’ vraagt hij zich af. ‘Misschien was de wereld wat minder ongelijk geweest.’

Tja, wat was er gebeurd als er nooit gekoloniseerd was? ‘Toch zijn de meeste historici het erover eens dat het kolonialisme een belangrijke, zij het soms zeer hardhandige bijdrage heeft geleverd aan de modernisering van Afrika en Azië’, schrijft hij. De meeste? ‘Vooral voor Afrika zien sommigen de koloniale grenzen als een rem op de economische ontwikkeling en als een latent gevaar voor conflicten. Dat is een raar verwijt, want in Europa hebben de grenzen juist een zeer positieve rol gespeeld.’ Pardon? Wat te denken van een paar wereldoorlogen – en tientallen andere – met bij elkaar pakweg honderd miljoen doden? Die oorlogen gingen op z’n minst gedeeltelijk over grenzen, toch?

Zo is er veel, heel veel. Het doet ernstig afbreuk aan de pretentie van nuchterheid. Anders gezegd: Emmers betoog is sterk ideologisch gekleurd en dus, ondanks de schijn van het tegendeel, ook door en door emotioneel – met als pijnlijk punt dat hij dit blijkbaar zelf niet door heeft.

De andere reden dat zijn verhaal slechts ten dele standhoudt, ligt bij de, zeg, historiografische logica. Het is zoals een brievenschrijver in Het Parool opmerkte: waarom dan niet ook een Hitlerplein? En waarom geen Stalinlaan, waarom al dat gedoe in Spanje over het Franco-monument, enzovoort? Je kunt de logica nog verder trekken en met verwijzing naar de opmerking dat het verleden een ander land is ook stellen dat het dus terecht is dat vrouwen onder de islam niet gelijkwaardig zijn, dat je doodgeschoten mag worden als je beweert dat Mohammed een pedofiel is, dat het goed is dat een dief de hand afgehakt wordt, enzovoort? Andere tijden, andere plekken, andere zeden, toch?

Het verleden is inderdaad een ander land, maar dat geldt net zo goed voor het heden. Daarom zijn scherpe debatten en uitgesproken standpunten over slavernij, het Wilhelmus, kolonialisme en vele andere onderwerpen niet onnozel, zoals Emmer suggereert, maar verstandig, niet slecht maar goed. Immers, de normen van de een zullen altijd botsen met die van de ander. Dat weten, aanvaarden, ja zelfs uitlokken is de essentie van de moderne democratie.

In zoverre vind ik het boek van Rob Hartmans over de zwarte bladzijden van onze geschiedenis genuanceerder. Het gaat niet om zwart of wit, stelt hij. Hij gaat om zwart, wit en alles wat daartussen en daarnaast ligt. Het is goed daarover met elkaar in discussie te blijven. Wat mij betreft werd dit standpunt, lang geleden al weer, fraai verwoord door Rudy Kousbroek die stelde dat het erkennen van het eigen falen, ook op collectief niveau, een kwestie van beschaving is. Een dergelijke beschaving wortelt ‘niet in een drang het eigen nest te bevuilen’, schreef hij, ‘maar eerder in nationale trots – alleen in een minder primitieve vorm.’ Zo is het.