Het variabele zelf forum leeft!

LEEFT FORUM NOG in de huidige literatuur? Gaat er nog iets uit van het werk van de beide voormannen van dit literaire tijdschrift uit het begin van de jaren dertig, van het werk van Menno ter Braak en Eddy du Perron? Is er de afgelopen decennia door nieuwe schrijvers of literatuurcritici ooit nog wel eens verwezen naar bijvoorbeeld Carnaval der burgers, Politicus zonder partij en Van oude en nieuwe christenen - de drie belangrijkste essaybundels van Ter Braak? Is Du Perrons werk ooit aangehaald als een nog steeds, of weer opnieuw toch belangrijke bijdrage aan het hedendaagse debat over literatuur? Het antwoord luidt in alle gevallen: nee. Het enige dat nog lijkt te resten van Forum, en daarmee van de aanwezigheid van Ter Braak en Du Perron in onze letteren, dat is de om de zoveel tijd van stal gehaalde, vaak verkeerd begrepen en door polemisch misbruik troebel geworden tegenstelling tussen ‘vorm’ en ‘vent’ - een begrippenpaar dat in deze vorm overigens niet eens door de beide heren, maar door de dichter J.C. Bloem werd bedacht.

Het betekent overigens niet dat het werk van Ter Braak en Du Perron niet meer gelezen wordt. Er verschijnen nog regelmatig artikelen, Du Perrons Het land van herkomst, zonder twijfel zijn belangrijkste roman, werd nog in 1996 herdrukt, zijn brieven werden in negen dikke delen uitgegeven (een tiende is op komst). Maar de belangstelling voor hun werk is toch overwegend literair-historisch van aard, niet zelden met een biografisch karakter, en beperkt zich hoofdzakelijk tot academische kringen. Een slechtere aanbeveling kun je vandaag de dag niet krijgen, zoals men weet, want de huidige Hollandse literatuurbeschouwing (in Vlaanderen is men op dit punt toch iets verder) kenmerkt zich door een even domme als destructieve afkeer van wat daar meestal ‘academisme’ wordt genoemd.
En toch, Dirk van Weelden had voor zijn 'nomadisme’ niet per se bij Deleuze te rade hoeven gaan; hij had het ook in het zo beweeglijke oeuvre van Ter Braak kunnen tegenkomen. De uiterst dwarse houding in het werk van een dichter als Arjen Duinker - het 'onpoëtische’ ervan, zo 'onpoëtisch’ dat het zich niet eens als anti-poëzie laat omschrijven - zou tot heel wat minder onzinnige kwalificaties hebben geleid als men de overeenkomsten had gezien met de houding die Du Perron tegenover de officiële literatuur aannam. En waar Stefan Hertmans ooit in een essaybundel schreef dat hij vooral geïnteresseerd is in 'de concretisering van abstracte processen’, had hij kunnen verwijzen naar Ter Braaks 'spijsvertering der ideeën’, en trouwens ook naar het oeuvre van Du Perron, waarin de waarde van bepaalde ideeën en abstracties altijd wordt afgemeten aan de praktische consequenties die ze hebben. Maar Hertmans deed het niet; Van Weelden liet het bij Deleuze en Duinker bleef voor veel poëziecritici een laissez-faire dichter, wat hij niet is.
ER IS BLIJKBAAR veel dat de huidige generatie schrijvers en critici ervan weerhoudt om met een hedendaagse bril op nog eens naar het werk van de beide Forum-auteurs te kijken. Dat heeft natuurlijk alles te maken met de betekenis die inmiddels aan dat werk is gegeven, een betekenis die niet alleen heeft gemaakt dat zij beiden tot de literaire canon behoren (voor zover er nog zoiets als een canon bestaat), maar ook dat ze beslist niet meer van deze tijd zijn. Bovendien stonden beide auteurs lange tijd, en wellicht nog steeds, in een kwade reuk bij de naoorlogse generatie die de experimentele literatuur een warm hart toedroeg (en Hertmans hoort daar bij, maar ook iemand als Vogelaar of Offermans). Zij werden - juist op grond van de 'vorm of vent’-discussie uit de jaren dertig en hun keuze vóór de 'vent’ - vaak verantwoordelijk gehouden voor het zo lang uitblijven van de literaire vernieuwing in Nederland, waar in het buitenland de avantgarde allang was omarmd en zelfs verwerkt. Zij golden, kortom, als literair-reactionairen en het zou een lange uiteenzetting vergen om het misverstand waarvan hier sprake is uit de weg te ruimen. Direct daarmee verbonden: ook het immense belang dat in de huidige literatuur nog steeds aan de Beweging van Vijftig wordt toegekend - alsof het ook werkelijk wáár was wat de Vijftigers over zichzelf beweerden: dat zij tabula rasa maakten met de literatuur - verhindert tot op de dag van vandaag een meer onbevangen kijk op het werk van de beide Forum-auteurs. Dat Paul Rodenko, júist hij, de essayist van Vijftig immers, al in een in de jaren vijftig in Maatstaf gepubliceerde briefwisseling met Gerrit Borgers constateerde dat er tussen Vijftig en Ter Braak verrassend veel overeenkomsten bestonden, is allang vergeten.
Wat zou zo'n meer onbevangen kijk op hun beider werk dan eventueel opleveren? Bijvoorbeeld een direct uit het forumiaanse persoonlijkheidscriterium - hun keuze voor de 'vent’ - voortvloeiende, op dit moment moeilijk anders dan als postmodern te betitelen kijk op de wereld. En dan bedoel ik uiteraard niet het postmodernisme á la Carel Peeters, die zichzelf toch beschouwt als een erfgenaam van juist Forum, en die ooit een opstel over het postmodernisme schreef waarover iedereen die zich er ook maar enigermate in verdiept heeft alleen maar meewarig het hoofd kan schudden. Maar Ter Braaks drie grote essays lijken haast speciaal geschreven te zijn voor intellectuelen die in het huidige post-ideologische tijdperk worstelen met bijvoorbeeld ethische vraagstukken en niet meteen voelen voor het toch wat al te simpele pragmatisme van Richard Rorty. Du Perrons aan het slot van Het land van herkomst geformuleerde 'delicate en eindeloos variabele zelf’, dat je kunt opvatten als de samenvatting van alles wat hij uiteindelijk onder de forumiaanse 'persoonlijkheid’ verstond, is een mogelijk antwoord op zowel de constatering dat onze identiteit (individueel, maar ook nationaal) altijd maar een constructie, een fictie is, als op de steeds luidere roep om nu juist van een dergelijke 'identiteit’ uit te gaan (van onze 'volksaard’ zeg maar, van het feit dat wij toch in wezen uit een christelijke cultuur stammen, enzovoort).
Uit het werk van beiden kan men, als men dat wil, iets leren over de waarde van woorden, en daarmee ook over de waarde van literatuur, juist nu Derrida’s uitspraak 'dat er niets buiten de tekst bestaat’, dat alles 'maar’ tekst is, eindelijk begint door te dringen tot de, altijd Nederlandse achterhoede van de Europese cultuur - en daar leidt tot misplaatste juichkreten over zoveel zinloosheid van zoveel taal (literatuurcritici die jubelen over het feit dat literatuur haar functie is kwijtgeraakt: lemmingen zijn het). Ter Braaks Politicus zonder partij laat zich in dit opzicht lezen als een lofzang op de verlossing uit alle al te vaststaande betekenissen, uit de in het toen (midden jaren dertig) nog sterk verzuilde Nederland geldende waardenhiërarchieën, maar ook als juist de problematisering van het verdwijnen van die vaste betekenissen, als de getuigenis van een in dit opzicht niet meer dan half-bevrijde geest. Want in zowel Ter Braaks als Du Perrons werk vind je telkens weer dat sterke besef dat woorden - hoezeer ook losgezongen van de werkelijkheid - en ideeën - hoe fantastisch en absurd ze ook lijken - zich op een gegeven moment altijd weer kunnen verdichten tot een griezelig eendimensionale realiteit. In zekere zin is dat precies waarover het in bijvoorbeeld Het land van herkomst voortdurend gaat.
IK WIL MET DIT alles uiteraard niet beweren dat Ter Braak en Du Perron ook daadwerkelijk postmodernisten wáren - en dan dit keer (hoe on-Hollands!) avant la lettre. Ik wil alleen maar zeggen dat hun werk binnen het huidige postmoderne discours, zoals dat heet, weer actueel zou kunnen zijn en het wat mij betreft ook ís. Als de levende literatuur - en ik bedoel daarmee: de huidige schrijvers en literatuurbeschouwers - niet zo afkerig was geweest van wat men zoal op de universiteiten uitdenkt, dan was de link tussen Forum en de huidige tijd trouwens al veel eerder gelegd. Al in het begin van de jaren zestig schreef A. Borsboom een studie over Ter Braak waarin diens werk al nadrukkelijk in deze context werd geplaatst - een nogal moeizaam geschreven, niet echt prettig leesbaar boek, en dus had het niet de reikwijdte die bijvoorbeeld de beroemde essays van Gomperts uit de jaren vijftig wél hadden, maar juist hij sloot iemand als Ter Braak op in het conservatieve kamp. En vorig jaar verscheen van Michel van Nieuwstadt De verschrikkingen van het denken, wederom over Ter Braak, een studie waarin aan de hand van onder meer Benjamin, Adorno, Barthes en Derrida - auteurs die bij mijn weten nooit eerder in verband met Forum werden gebracht - Ter Braaks oeuvre nog eens werd doorgelicht. Alweer: een niet werkelijk lekker leesboek - en dat was dan ook vrijwel het enige dat er in de paar kritieken die ik zag over werd gezegd.
DAT MEN, ALS HET om Forum gaat, eerder aan Ter Braak dan aan Du Perron denkt, is logisch, juist omdat zich in Ter Braaks werk, van boek tot boek, een bepaalde logica lijkt te ontwikkelen, van Carnaval der burgers via Politicus zonder partij naar Van oude en nieuwe christenen (en alles wat daar nog tussen en na komt uiteraard). In zijn werk lijkt met andere woorden een zekere progressie te zitten die hem van het één naar het ander bracht (al moet men daar voorzichtig mee zijn, zo laat Van Nieuwstadt zien). Du Perrons werk is veel grilliger en tegelijkertijd constanter, en misschien dat het mij daarom in de loop der jaren wat liever is geworden dan dat van Ter Braak. Het heeft zelfs niet de schijn van een ontwikkelingsgang. Bijvoorbeeld: als Du Perron begin jaren twintig vanuit Nederlands-Indië naar Europa komt (naar Brussel, om precies te zijn), met geen ander idee dan dat hij schrijver worden wil, sluit hij zich vrijwel onmiddellijk aan bij de toenmalige avantgarde (niet veel meer dan een klein clubje, onderling vooral ruziënde schrijvers, waarvan uiteindelijk Van Ostaijen de belangrijkste is gebleken). De redenen om dat te doen zijn exact dezelfde als die waarom hij eind jaren twintig de avantgarde weer de rug toekeert. Laat ik, om bovenstaande te illustreren, het daarom hier vooral over hem hebben.
Centraal in heel Du Perrons werk staat datgene wat hij in zijn eerste roman, Een voorbereiding, zijn hoofdpersoon Kristiaan Watteyn laat formuleren: 'Ik verwerp alles wat maatschappelijk gesproken uitnemend is. Ik erken één noodzaak: men moet, om te leven, eten. En bijgevolg, als een ander het geld niet voor je verdiend heeft dat je in ruil geeft voor het eten, dien je het zelf, op geoorloofde of ongeoorloofde wijze (maatschappelijk gesproken altijd), te verdienen. Mij ontbreekt de noodzaak; ik verwerp dus maatschappij, burgerplicht en soortgelijke moraal. Zonder filosofie overigens, aanvallend aangewend of verdedigend; zonder te wijzen op de maatschappij zelf, die mij immers toestaat te leven zoals ik leef. Ik laat simpelweg mijn gevoelens gelden, mijn zeer ingeboren, zeer ingekankerde antipathie tegen alles wat naar gemeenschap zweemt.’
Centraal staat dus een even redeloos als egoïstisch gevoel, door Du Perron ook wel eens omschreven als de absolute gerevolteerdheid tegenover het absurde leven. Het is een gevoel - een 'instinct’ - dat hem vanzelfsprekend iedere meer bovenpersoonlijke, hogere waarheid - men is geneigd om nu te zeggen: ieder Groot Verhaal, ieder 'meta-récit’, zoals de postmodernisten dat noemen - doet afzweren. Juist dat brengt hem aanvankelijk aan de zijde van de avantgardisten, die immers in hun manifesten dezelfde krijgshaftige taal uitsloegen. Totdat hij ontdekt (want van de literaire uitgangspunten van de avantgarde wist hij aanvankelijk vrijwel niets) dat de weigering om je op bovenpersoonlijke waarheden te beroepen, de avantgardisten niet verhinderde om er toch literaire principes op na te houden. In Du Perrons ogen waren die principes, niet zelden als voorschriften gepresenteerd, ook bovenpersoonlijk - en hij keerde de avantgarde de rug toe. 'We krijgen telkens weer het bewijs dat men literator kan zijn en surrealist’, schrijft hij, zijn bezwaren samenvattend in een artikel - en daaruit blijkt dat Du Perron van die avantgarde inderdaad eiste wat zij zelf in hun manifesten hadden geproclameerd, maar niet waarmaakten: de vernietiging van alle literatuur (in plaats daarvan kwamen ze met een nieuwe literatuur).
HET IS EVEN WENNEN: Du Perron als een nog steilere avantgardist dan zelfs de ergste dadaïst voor mogelijk had gehouden. Maar de soep wordt zo heet ook niet gegeten. Du Perrons houding tegenover de avantgarde laat heel mooi het patroon zien dat telkens opnieuw in zijn werk opduikt: zijn absolute gerevolteerdheid brengt hem steeds aan de zijde van één van de in zijn tijd voorhanden standpunten die het beste bij die revolte aansluit, maar steeds ook redeneert Du Perron die revolte door tot zijn uiterste, praktische consequentie om hem vervolgens weer tegen het ingenomen standpunt in stelling te brengen. De uiterste praktische consequentie van de avantgarde was de vernietiging van álle literatuur, inclusief die van de avantgardisten zelf. Zoals de uiterste praktische consequentie van Du Perrons levenshouding uiteindelijk in de zelfmoord lag - en Du Perron houdt dan ook niet voor niets de surrealisten Jacques Vaché voor, door André Breton ooit als voorloper aangeduid. Vaché pleegde zelfmoord, en die dood vertegenwoordigt voor Du Perron 'een menselijke waarde’ ('een reële waarde’, zoals hij ook vaak schrijft) die de surrealisten geheel vervalst hadden of dan toch tenminste maar half gerealiseerd. Naast de zelfmoord zag Du Perron nog één andere mogelijkheid: weggaan, verdwijnen - en hier is Rimbaud zijn grote voorbeeld, die immers op een zeker moment de literatuur de rug toekeerde. 'Zelfmoord of verdwijnen? ziedaar de vraag. Vaché of Rimbaud?’ zo vat hij het samen.
Het valt vrij eenvoudig vast te stellen dat Du Perron de literatuur nooit heeft verlaten, en zelfmoord pleegde hij, in tegenstelling tot Ter Braak, al evenmin. Zelfmoord en verdwijning blijven in zijn werk steeds de uiterste consequentie van de op niets dan een gevoel gebaseerde absolute gerevolteerdheid: ze geven aan de formuleringen die hij voor die gerevolteerdheid vond pas werkelijkheidswaarde, maken dat die formuleringen betrokken blijven op een concrete, en dan ook meteen schrikwekkende realiteit, en dat het niet uitloopt op een loos, vrijblijvend gedachtenspelletje (zoals hij, ten onrechte overigens, Ter Braak verweet toen die in Politicus zonder partij alle toentertijd bestaande waardenhiërarchieën vrolijk omkeerde). Maar juist waar Du Perron die uiterste consequenties trekt, zie je hoe hij, heel letterlijk, zichzelf tegen het lijf loopt, tegen het vege lijf. Dat laat zich misschien nog wel weg denken, maar het wil zich buiten dat denken om toch steeds blijven bevestigen. Botweg gezegd: het lichaam wil niet dood, en waar het denken het de dood aan wil doen, wekt het angst in de denker (men leze er Hand an sich legen van de zelfmoordenaar Jean Améry maar eens op na: de suïcidant, hoe overtuigd ook van wat hij gaat doen, is altijd en tot op het laatste moment bang), een angst die hem weer terugvoert naar zijn instinct tot zelfbehoud.
Het is deze angst die Du Perron meende óók voor zijn rekening te moeten nemen, die hij moest erkennen als deel van - en daar hebben we hem dan - zijn persoonlijkheid. Die persoonlijkheid bevestigt wat op grond van het denken alleen eenvoudig ontkend had kunnen worden - het is een eenvoudige kwestie van 'eerlijkheid’, een woord dat vaak opduikt bij Du Perron. Het is iemand die de consequenties die een lichamelijk gefundeerde angst voor zelfverlies op haar beurt weer voor het denken heeft, volledig voor zijn rekening wenst te nemen. Iemand die in laatste instantie moet toegeven dat hij iets wil behouden en beheersen, maar die zich daarbij, net zomin als voor zijn gerevolteerdheid, niet op iets anders wenst te baseren dan zijn eigen, onvervreemdbare instinct. De angst voert hem niet terug naar bovenpersoonlijke waarheden (zijn revolte daartegen blijft onverminderd groot), maar houdt hem in het midden, maakt van hem geestelijk gesproken een nomade, iemand die zich steeds weer vastklampen móet aan de in de eigen tijd voorhanden standpunten, maar die zich onmogelijk vasthouden kan.
IN TER BRAAKS WERK is dit niet zo veel anders: ook die ziet men voortdurend uit de woorden die hij gevonden heeft onmiddellijk weer vertrekken, en ook bij hem verwordt dit niet tot het Glasperlenspiel (zoals Peter Sloterdijk dat ooit noemde), tot een anything goes (zoals gewoonlijk over het slecht begrepen postmodernisme wordt gezegd), maar leidt het tot de alertheid van iemand die de fictie van zijn eigen waarheden, van zijn 'identiteit’ ten volle erkent, maar niet de illusie heeft dat hij zichzelf daarmee even zo vrolijk aan de wind heeft prijsgegeven, en dat hij niet onophoudelijk bezig zou zijn die juist te construeren. De voortdurende ontmaskering van het ik ís een voortdurende constructie - maar nu verval ik misschien al te veel tot het jargon van de postmodernisten zelf, tot die altijd wat moeizaam ogende stijl waartoe zij zich gewoonlijk gedwongen zien en die in de ogen van de buitenwacht - ironisch genoeg soms met een beroep op een andere door Ter Braak en Du Perron vaak aangehaalde uitspraak: le style, c'est l'homme - zo zeker aantoont dat hier knollen voor citroenen worden verkocht.
Uiteraard valt hier nog veel meer over te zeggen, maar het voldoet misschien om duidelijk te maken dat de twee voormannen van Forum, ondanks het literair-historische stof dat er op hen is neergedaald, ondanks alle misverstanden die er over hun werk bestaan, nog steeds buitengewoon actueel zijn, en dat het verfrissend kan zijn om nog eens te lezen dat deze beide schrijvers in de jaren dertig al verder dachten dan de meeste critici van vandaag, die zich met een beroep op het nog maar juist door hen ontdekte postmodernisme zo vaak ontslagen achten van de eisen die dat postmodernisme in werkelijkheid aan hen stelt. Ze zouden Ter Braak en Du Perron eens moeten herlezen om te zien welke dat zijn. De Nederlandse literatuur, het literaire debat, zou er opeens een stuk interessanter door worden.