Het varken spreekt

OM TE BEGINNEN mijn geloofsbrieven voor porcopolis. Ik was vroeger zó bang voor varkens dat ik niet eens in de lege teil durfde te kijken waar stukken vlees in waren gepekeld; bovendien vond ik zowat alles van het varken niet om te vreten.

Zoals velen die na de oorlog naar de stad trokken, probeerde mijn vader zijn verleden met het heden, dat wil zeggen het land met de stad te verzoenen door wat beesten voor eigen gebruik te houden. Achter ons kleine huisje was een grote tuin, waar hij op ‘n goede dag, hoewel hij er net een bloementuin had aangelegd, zo'n dertig of veertig varkens in joeg. Toen ze alles hadden omgeploegd, kregen ze krammen in hun neus. Hoe groot was mijn triomf toen ik eindelijk een kooi in durfde, en nog een grotere triomf was het dat ik een zeug door met mijn knokkels over haar flank te schuren, vlak boven de imposante rij tepels, wist te bewegen door haar poten te zakken; wellustig knorrend ging ze op haar zij liggen. Honderd kilo bezweek voor een jongensknuist.
Fascinerender was een klein zwart varken, een buitenbeentje, in vergelijking met de andere vrij zwijgzaam, maar daardoor des te kwaadaardiger. Wanneer er geen mens of collega voorhanden was, nam hij een aanloop om een boom, een schutting of een hek te rammen. Als ik aan het varken als soort denk, dan is dat voor mij eerder een humeurig, eigengereid, agressief en vooral luidruchtig wezen dan een knuffeldier. Stel ik mij zijn ziel voor, dan is die niet roze maar zwart als het valse exemplaar in mijn herinnering.
GEEN DIER LIJKT symbolischer dan het varken. Aan geen dier zijn van oudsher zulke ambivalente eigenschappen toegeschreven, waarbij de slechte eigenschappen meestal op het uiterlijk betrekking hebben en de goede op het vermeende innerlijk. Maar in plaats van ons aan het varken te spiegelen, kunnen we misschien beter veronderstellen dat het ons wezensvreemd is. Om de eigen aard van het beestje te doorgronden zou men het zelf aan het woord moeten laten.
Positieve en negatieve eigenschappen blijken bovendien nogal eens eenvoudig verwisseld te worden. De hindoegodin Kali, de Moeder, werd oorspronkelijk uitgebeeld als een zwart varken, dat daarna tevens de belichaming van het kwaad werd. De Griekse godin van het koren Demeter werd zelf voorgesteld als een varken of met een varken als metgezel. Men offerde aan haar een varken omdat het varken het koren beschadigde en dus een vijand van de godin was; de godin werd als het ware aan zichzelf geofferd. Zo werd ook het varken in Syrië en Egypte óf een heilig óf onrein dier. Misschien waren alle onreine dieren van oorsprong wel heilig. Eén keer per jaar werden in Egypte aan de maan en Osiris varkens geofferd, maar mettertijd werd het varken gezien als incarnatie van Seth, de duivel en vijand van Osiris.
IN HET BEKENDE Circe-verhaal in de Odyssee vindt er eveneens een verwisseling plaats van subject en object, in dit geval tussen verleidster en degene die verleid wordt, de betoverende vrouw en haar slachtoffers, of preciezer tussen Verleiding en het resultaat van de betovering: een tam varken. Een paar kanttekeningen. Als Odysseus op pad gaat om zijn in varkens veranderde maten te hulp te snellen, krijgt hij onderweg van Hermes een tegengif. Als haar toverdrank zijn uitwerking mist en Odysseus haar te lijf wil gaan, vraagt Circe hem dat nare zwaard in de schede te steken en liever met haar naar bed te gaan. Eerst eist hij van haar de belofte dat ze hem verder geen kunstjes flikt, maar aan zijn kameraden denkt hij pas weer nadat hij met haar geslapen heeft en uitgebreid door haar in bad is gedaan. 'Daar dan stonden ze en keken naar haar, als het vee naar de herder.’
De mannen waren dubbel vernederd: was het voor een man al vernederend door een vrouw in een zwijn veranderd te worden, minstens even vernederend voor de avonturiers moet zijn geweest dat ze niet eens wilde maar tamme wilde zwijnen werden, net als de andere huisdieren, de kwispelstaartende wolven en leeuwen. De clou is natuurlijk dat Circe voor Odysseus niet eens een tovermiddel nodig had om de held te temmen. Hij voelde zich in haar huis zo behaaglijk dat hij al het andere, tijd en reisdoel, vergat; pas na een jaar konden zijn makkers hem ertoe bewegen naar huis te gaan, naar moeder de vrouw, Penelope.
Er is misschien een positievere uitleg mogelijk, zeker als men bedenkt dat Circe uiteindelijk Odysseus en de zijnen eerder behulpzaam is geweest dan dat ze hen in het verderf stortte. Door ze in varkens te veranderen heeft de godin de mensen met hun neus op hun ware aard gedrukt. Adorno en Horkheimer hebben erop gewezen, zo meen ik me te herinneren, dat het Griekse woord voor kennis was afgeleid van het werkwoord snuffelen, neuzen, speuren en wroeten. Was dan de varkenssnuit - verlengde bovenlip en neus inéén, de 'wroetschijf’ - niet speciaal gebouwd om tot de wortels door te dringen?
Voor de suggestieve hypothese dat de Grieken als varkens wijzer waren dan als de mannen die door begeerte (voor of van Circe) werden aangeraakt, wil ik een andere Griekse schrijver aanhalen, al zit er tussen hem en Homerus zo'n zevenhonderd jaar. In zijn Moralia trekt Plutarchus (46-120) in twijfel of Odysseus’ manschappen er wel zo happig op waren weer terugveranderd te worden. Circe zorgt ervoor dat Odysseus met een van hen kan praten. Als Odysseus die ene, Gryllus, beklaagt, geeft deze te kennen dat hij er niks voor voelt dit heerlijke leven te verzaken en zijn weldoenster te verlaten, alleen 'om met jou mee te zeilen en mens te worden, het ongelukkigste aller schepselen’. Om te bewijzen dat de ziel van een dier het volmaaktst is, somt hij een reeks natuurlijke deugden van het varken op: het vecht zonder wapens; het weet zichzelf te beheersen en is kuis; als het copuleert, dan uit pure liefde en zonder dat daarvoor het wijfje opgedoft en met parfum omhuld hoeft te worden; het eet tot het genoeg heeft; het heeft geen medische kennis nodig om bij buikpijn rivierkreeft te gaan zoeken, en in tegenstelling tot wat de sofisten beweren, beschikt het wel degelijk over redelijke vermogens. Is Gryllus daarvan niet zelf het sprekende bewijs?
IN DEZELFDE TIJD verschenen ook de eerste technische verhandelingen over zwijnenteelt én kookboeken met recepten voor het ook in Rome geliefde varkensvlees. Zo verklaarde dezelfde Plutarchus, die vaak in Rome kwam, dat er niets lekkerders was dan de vulva van een varken. Maar ik ga nog even door over het varken als belichaming van de (begeerte naar) wijsheid en maak een nog grotere sprong, naar Sint Antonius en zijn varken zoals Gustave Flaubert die ten tonele heeft gevoerd.
De heilige Antonius, oorspronkelijk een Egyptische kluizenaar die rond 300 in de Sinaïwoestijn bivakkeerde, werd steevast afgebeeld met een varkentje aan zijn voeten, ten teken dat hij de demonen van de wellust overwonnen had. Van De verzoeking van de heilige Antonius van Flaubert kent men doorgaans alleen de eindversie uit 1872, maar er zijn twee oudere versies, waarin het varken een niet onbelangrijke rol speelt. Flaubert maakte van een symbool van overwonnen lust een knorrig alter ego van de kluizenaar.
Aanvankelijk betoont het varken in de versie van 1849 vooral zijn zelfgenoegzaamheid. Onverschillig kijkt het toe hoe de heilige door stemmen belaagd wordt, maar als de pestkoppen over de vrouwtjes en de Vrouw beginnen, krijgt ook de beer jeuk. Nog geprikkelder reageert hij op het medelijden van de heilige. Hij werpt zich op hem, bijt hem tot bloedens toe, en in een woedende monoloog wenst hij zich de lange slagtanden van een everzwijn en fantaseert hij hoe hij dan alles en iedereen zal verslinden of vertrappen. 'Geploegde akkers woel ik om, het groene koren stamp ik de modder in, en fruit, vijgen, meloenen en komkommers trap ik stuk (…) ik zal iedereen in de steden de stuipen op het lijf jagen, de kinderen voor de deur verslinden, de huizen binnendringen en op de tafels dansen en schotels en kommen omkeren. Ik zal kerken en grote gebouwen omverhalen, en in de graven wroeten om de rottende vorsten in hun kisten op te vreten; hun vloeibare vlees zal langs mijn lippen en kinnebak glibberen. Ik zal groeien, ik zal opzwellen (…) Ik wil lekkere wijven, ik wil in een gouden trog wit meel aangelengd met het roze schuim van bloed, ik wil scharlaken stro en onder mijn voeten wil ik als droge wijnranken mensenbeenderen horen kraken; en om bij jou te beginnen, ik ga een gat in je zij boren om je gal te drinken.’
Zijn agressie wordt zelfs de Ondeugden te gortig, en het is nota bene de Woede die Antonius toeroept: 'Maak hem dood!’
HEILIGHEID EN domheid gaan hier samen, al is het de vraag wie voor wat staat. In de tweede versie worden de heilige en het varken vrijwel verwisselbaar. Na een reeks verzoekingen verzucht de gekwelde ziel tegenover de duivel: 'Waarom is het varken niet mij, waarom ben ik niet het varken.’ Waarop het varken prompt de wens uitspreekt om aan spekhaken in een slagerij te hangen en tot hammen te worden verwerkt. Opmerkelijk aan deze versie is dat de duivel in het tweede bedrijf verschijnt in de gedaante van een wild zwijn.
Het verschil tussen wild zwijn en tam varken speelt in alle oude teksten, maar ik heb zo'n vermoeden dat een ander verschil, juist omdat het niet wordt uitgesproken en op bepaalde angsten inspeelt, veel belangrijker is. Het gedomesticeerde zwijn kan domweg een tam varken zijn, een allesslikkende sukkel, een gulle huisgenoot. Maar wie weet of de inschikkelijkheid geen gezichtsbedrog is en of het aangepaste varken niet een veel kwaadaardiger inborst heeft dan het uiterlijk zo woeste everzwijn?
In de definitieve versie van De verzoeking wordt de plaats van het varken ingenomen door een schone jongeling, Hilarion. Eerst is hij een kindje dat door de koningin van Sheba, wier verleidingskunsten niets uithalen, bij de kuisaard wordt achtergelaten. Het snel groeiende kind stelt zelf voor als een oud-leerling; weldra begint hij zijn oude leraar de les te lezen. Op een gegeven moment wordt hij zo mooi als een aartsengel en als hij dan zegt: 'Mijn rijk is zo groot als het heelal, en mijn verlangen kent geen grenzen (…). Ze noemen mij de Wetenschap’, roept Antonius uit: 'Je bent misschien wel… de Duivel!’
Dat is hij juist niet. Hij is iets ergers, namelijk Wijsbegeerte - met de nadruk op begeerte. In die zin is Hilarion niet alleen de plaatsbekleder van het varken, maar belichaamt hij wellicht diens ware aard - waarom het varken altijd heimelijk werd gevreesd én bewonderd. Of men de wetenschap die Hilarion vertegenwoordigt - 'Ik wil alles weten’, knorde zijn voorganger in 1849 - als een groter kwaad wil zien dan de duivel, is een kwestie van interpretatie. Dat is slachten trouwens ook.
ZOALS UIT DE sprekende voorbeelden blijkt, krijgt men varkens alleen individueel aan de praat; en groupe zijn ze even aanspreekbaar als voetbalsupporters. Maar wat voor taal sprak Gryllus? Het varkenslatijn zou immers pas in de zestiende eeuw bekend worden. Inmiddels weten we, dankzij gedragswetenschappers, dat varkens behalve hun lichaams- en geurentaal niet minder dan 26 verschillende knor- en gromgeluiden hebben waarmee ze een scala van emoties kunnen uitdrukken. Ze hebben een alfabet én poëzie. Dat geldt voor het tamme varken, zoals men in de boeken kan nalezen. Maar was de cochon van Flaubert nu een wild of een tam varken?
In de tweede versie van De verzoeking spiegelt Flauberts varken zich in de vijver en beziet tevreden zijn kleine pootjes, lange oren en dikke buik. Uit 1818 dateert een Engelse karikatuur van een Frans varken, en zo zou de duivelse beer van Antonius er in het echt uitgezien kunnen hebben: een scharminkelige allesvreter, meer een straathond dan een welgedane prijsbeer.
Dezelfde Sir Edwin Landseer die het Franse varken beledigde, was de meest invloedrijke dierenschilder van het victoriaanse Engeland. De Britse beer die hij in 1818 schilderde, was met zijn volumineuze lijf en rechte oren het tegendeel van het continentale gratenpakhuis en een model voor alle andere dierschilderingen. De huizenhoge koeien, schapen groter dan een mens en de monumentale varkens moesten kennelijk demonstreren hoezeer het Engeland naar den vleze ging. Het landvarken zoals wij dat kennen bestaat pas sinds het einde van de achttiende eeuw, toen het in hokken moest omdat er in bossen en weiden geen ruimte meer was om los te lopen.
Het Engelse varken werd met het Chinese gekruist. Dat leverde aanvankelijk een bakbeest op. De schilderijen van voornamelijk prijsdieren tonen hoe de dieren terlijk uit hun voegen begonnen te barsten. Er is een gravure uit 1874 waarop drie kogelronde zwarte Berkshire-varkens in het stro liggen met een houten kussen onder hun snuit omdat ze anders zouden stikken, zo vet waren ze. Aan die opgefokte mode kwam een einde toen de Amerikanen die vette beesten niet meer lustten. De overgang van het spekvarken naar het vleesvarken leidde tot het huidige standaardvarken: lang, blank, dunne speklaag, met extra rib, alles geconcentreerd op de achterham.
Het varken in De verzoeking heeft die ontwikkeling geroken. Vandaar zijn woede en zijn boze dromen. Als het in zijn dagdromen wraak nam op alles en iedereen, was dat ook een toekomstdroom waarin het varken voorzag wat de wetenschap, waarvan het de oorspronkelijke grenzenloze weetgierigheid belichaamde, voor hem in petto had. In de varkensteelt zou de wetenschap zich tegen hem keren; zijn Engelse tijdgenoot, die daar op tentoonstellingen als in een lachspiegel met zijn domme vlees stond te pronken, was van die toekomst een meer dan levensgrote karikatuur.
In een andere droom dreef Flauberts varken tussen soepgroente en ander lekkers in een vijver van afwaswater. Als dat ten slotte aan de kook raakt, roept het dier vertwijfeld uit dat het zijn hersenen tegen de stenen wil verpletteren omdat het niet meer wil denken. Het varken wist te veel.