Lichaam en beschaving

Het vege lijf

8 januari 2014 - Alle aandacht voor lijfelijkheid bewijst dat het mensen-lichaam niet meer iets vanzelfsprekends is. We zijn uit het paradijs verdreven en onze lichamen zijn verworden tot artefacten. Maar is dat erg, of kunnen we ons er juist over verheugen?

Medium vegelijf

Het menselijk lichaam is in vergetelheid geraakt. Dat klinkt gek in tijden van wellnesshotels, plastische chirurgie en erotiek op tv. Maar juist al die speciale aandacht voor het lichamelijke duidt erop dat er inspanning nodig is om je van het lichaam bewust te worden. Als je je er niet speciaal toe zet, vergeet je je lichaam blijkbaar. De sauna-uurtjes en wellnessweekendjes in je overvolle agenda duiden op de lijfsvergetelheid die voor ons normaal geworden is. Jezelf opdracht geven ‘naar je lichaam te luisteren’ betekent dat je het verleerd bent. Alle contemporaine beelden van het lichaam – van lingerieposters bij de bushalte tot overzichtstentoonstellingen van mannelijk naakt in Musée d’Orsay – zouden geen enkele interesse wekken als wij onze onmiddellijke lichamelijkheid niet verloren hadden, de ongegeneerde lijfelijkheid die zich niet bewust is van goed en kwaad, mooi en lelijk, echt en onecht.

Aandacht voor iets vragen betekent altijd dat er iets vanzelfsprekends verdwenen is. Dat fenomeen signaleert Lao Tse (Laozi) in de Tao Te Ching. Hij noemt het introduceren van ouder- en kinderplichten ‘een noodmaatregel voor het ontbreken van de natuurlijke harmonie in het familieleven’. Zo zijn fitness en een wekelijks wandelingetje in het bos noodmaatregelen voor het ontbreken van onze natuurlijke lijfelijkheid. Door de term ‘noodmaatregel’ suggereert de tekst dat terugkeer naar de natuurlijke situatie geboden is. Maar als dat wordt bedoeld, dan hebben we een probleem. Iemand die eenmaal aandacht voor z’n lichaam heeft gekregen, krijgt z’n onmiddellijke lichamelijkheid nooit meer terug. Een baaierd van voorstellingen is tussen jou en de ‘werkelijkheid’ komen te staan. Je bent in een moment van oplettendheid voor jezelf een illusie geworden. De sluier van Maya is over je natuurstaat gevallen, je bent tot cultuur veroordeeld, je leeft in ficties. ‘Hetzelfde ongeduld dat ons uit het paradijs verdreven heeft, maakt dat we er nooit meer in terug zullen keren’, meent Kafka. Hij heeft gelijk: nooit komt de verloren lichamelijkheid weerom. Heb je eenmaal een zelfbeeld, dan komt je ‘zelf’ nooit meer achter dat beeld vandaan. Maar met de term ‘ongeduld’ suggereert Kafka, terwijl de gure wind aan de luikjes van zijn Praagse huisje rukt, dat terugkeer naar het paradijs de ideale situatie zou zijn.

Geen kwaad woord over de nostalgische momenten van Lao Tse en Kafka, die heb ik zelf ook enkele malen per jaar. Maar de rest van het jaar ben ik blij dat Adam en Eva van de boom van kennis van goed en kwaad hebben gegeten. Ik vrees dat ik aan amor fati lijd: ik wil helemaal niet terug naar het paradijs. Wat is er zo prettig aan om je natuurlijke repertoire af te draaien en dan te sterven? Ik hou van het nerveuze moderne leven, van wikken en wegen, van karakterontwikkeling en steeds wisselende voorstellingen, waarvan maar weinig voldoende succes hebben om te worden geprolongeerd. Als daar een zekere lijfsvergetelheid en keuzestress bij hoort, so be it. Dus regisseer ik mijn voorkomen zo veel als ik maar kan. Ik kleed me graag en de hele dag temper ik mijn impulsen en modificeer ik alle auditieve, olfactorische, tactiele en visuele signalen die van mij uitgaan. Nooit laat ik mij zien zoals ik ben. Ik toon mijzelf nooit, ik stel mijzelf tentoon. Henk Jurriaans in ’75 geëxposeerd in het Stedelijk Museum? C’est moi.

Om het nog erger te maken: het beeld waarnaar ik mijzelf modelleer en modificeer is niet origineel. Goed beschouwd verberg ik mij achter de persona, het masker dat ik heb gemaakt om tegemoet te komen aan hoe ik denk dat anderen mij willen zien. Voor het beeld dat ik van mijn lichaam heb, ben ik geheel schatplichtig aan anderen. Ik zou niet op het idee van een eigen lichaam gekomen zijn als er nooit iemand fronsend of instemmend naar mij had gekeken. Mijn lichaamsbeeld is geboetseerd uit voorstellingen van hoe ik denk dat anderen zich mij voorstellen. Ik leef in de blikken van de ander, zou Christien Brinkgreve zeggen. Mijn zelfbeeld is geleend, so much for artistieke verbeeldingskracht, authenticiteit en genialiteit. Maar ook hier heb ik geleidelijk geleerd met mijn beperkingen te leven: authenticiteit is aan mij niet besteed. Amor fati, ik heb me erbij neergelegd dat ik mijzelf alleen kan vormgeven naar andermans beeld en gelijkenis.

Omdat mijn nostalgie naar de natuur minimaal is en ik veel van anderen verwacht bij de vormgeving van mijzelf woon ik met plezier in Amsterdam. Als ik er niet woonde zou ik er op vakantie gaan, om met Kouwenberg te spreken. Door de natuur word je er niet afgeleid en er zijn talloze vreemde figuren om je aan te spiegelen. De inspiratie loopt gewoon op straat en is helemaal gratis beschikbaar.

Maar de stad biedt meer voor mensen die hun natuurlijke lijfelijkheid willen afschudden en welbewust willen experimenteren met een verfijnde tweede natuur. Sinds mensen op elkaar gepakt in steden wonen, nu ongeveer vijfduizend jaar, is het onmogelijk om al die lichamen hun eigen goddelijke gang te laten gaan. Het zou een bende worden. Daarom hebben stedelingen, naast de letterlijke ‘beschaving’ door langs elkaar schurende lichamen, ook meer verfijnde lijfsvergetelheidsprogramma’s opgezet. De burger heeft al sinds de eerste steden ontstonden, grappig genoeg tussen Eufraat en Tigris, waar ook het paradijs gelegen moet hebben, enorme kapitalen over voor de beoefening van kunst, sport, filosofie en religie.

De stedelijke samenleving hield van meet af aan professionals vrij om burgers in hun vrije tijd te helpen bij de ontwikkeling van onnatuurlijk gedrag. Daarvoor werden bovendien fenomenale trainingsfaciliteiten opgetrokken: theaters, academies, stadions en tempels. Deze publieke volksverzamelplaatsen hebben gemeen dat er een hoop stoelen in staan waarop het publiek dient stil te zitten en zichzelf te vergeten. De relevante bewegingen en lichamelijke expressies vinden niet plaats op de tribune, maar op de bühne. Het ongemakkelijk geschuif op klapstoeltjes en onderdrukt kuchen in de zaal duiden op wat er van de bezoekers in eerste instantie verwacht wordt: stilzitten en zwijgen, kijken en luisteren naar de virtuoze bewegingen van anderen.

Iedere liefhebber van Concertgebouw en Stedelijk Museum stort zich in een proces van vervreemding

Door getrainde professionals in kunst, filosofie, sport en godsdienst wordt het publiek verleid op te gaan in de hogere lichamelijkheid en het eigen lijf te vergeten. Waar lichaam was, moet voorstelling komen. De toeschouwer ondervindt de accentverschuiving van beweging naar gemoedsbeweging, van motie naar motief, van fysiek rondlopen naar cirkelredeneringen, van het profane lichaam naar de heilige geest. De programma’s op podium, toneel, altaar of katheder kunnen inhoudelijk nog zo verschillen, alle trainingen leren hun deelnemers allereerst dezelfde basisactiviteit: stilzitten. Alle trainingen hebben dezelfde doelgroep: de gezeten burger.

Zelfs de meer virtuele volksverzamelplaatsen, televisie en nieuwe media, hebben daar niets aan veranderd. Integendeel: je hoeft voor toneel, hoorcollege, sportwedstrijd en godsdienstoefening nu zelfs je huiskamer niet meer te verlaten. Vroeger moest je nog even bewegen voor je stil kon gaan zitten. Het beschouwelijke leven is beschikbaarder dan ooit.

We zijn een theoretisch volkje, niet alleen door onze academies, maar net zo goed door theaters, stadions en tempels. Theorie komt van ‘theorein’. Dat betekent kijken, beschouwen, onderzoeken, contempleren en speculeren. Dat doe je stilzittend en nadat je je hebt losgemaakt uit de dagelijkse praktijk. ‘Theorein’ is dan ook verwant aan ‘theasthai’, waar ‘theater’ en ‘thaumazein’ (verwondering) van afgeleid zijn. Thaumazein is interessant omdat Plato, al ruziënd met de grote theatermakers, ‘verwondering’ aan de basis van de filosofie legde en daarmee – enigszins kleinmoedig – de academie aanprees als de betere plaats om theorein te beoefenen. Mijn veel grootmoediger grootmoeder zou zeggen: je moet het ene doen en het andere niet laten. Hoe meer verschillende voorstellingen iemand beschouwt, hoe ruimdenkender en genereuzer iemand kan worden. Een citoyen word je door op meerdere tribunes plaats te nemen.

Het stedelijke leven versterkt de tendens om van natuurlijke lichamen artefacten te maken, letterlijk kunstwerkjes. Iedereen maakt een voorstelling van zichzelf en laat zich daarbij inspireren door het werk van kunstenaars, sporters, filosofen en voorgangers. Het publiek is door langdurig verblijf in theaterstoelen, collegezalen, kerkbanken en op sporttribunes zo beschouwelijk geworden dat Hegel aan het eind van zijn leven verzuchtte: ‘Wie denkt hier nou eigenlijk abstract?’ Het zijn al lang niet meer onze lichamen die ons in verwarring brengen, maar alleen nog maar al die voorstellingen die we van onze lichamen gemaakt hebben.

Maar dat is niet een tegenslag die ons onverwacht getroffen heeft. Beschaving, verfijning en civilisatie zijn geen ongeplande historische ontwikkelingen. Wij zijn niet willoos ingesnoerd in een onttoverende staalharde cultuur. Iedere liefhebber van Concertgebouw en Stedelijk Museum stort zich welbewust en opzettelijk in een proces van steeds verder gaande vervreemding.

Het is heerlijk om steeds meer finesse te ontwikkelen, het loont blijkbaar, we kunnen en willen niet anders. Het ontwikkelen van de bewuste aandacht die onze natuurlijke naïviteit voor altijd doet verdwijnen, is een noodzakelijke opstap naar een meer verfijnde tweede natuur. Die tweede natuur is in tegenstelling tot de eerste natuur geen geschenk, maar een verworvenheid. Die prefereer ik, zelfs als er maar weinig van terechtkomt. Van Lao Tse wordt verteld dat hij teleurgesteld de beschaafde wereld de rug toekeerde omdat iedereen van de oorspronkelijke weg (tao) was afgedwaald. Hij sloeg daarom de terugweg in, maar ik ben geneigd om door te gaan op de ingeslagen tao.


8 januari 2014- René Gude is in 2013 uitgeroepen tot Denker des Vaderlands. Hij zal optreden tijdens het programma van het interdisciplinaire AAA Festival Muziek en Kunst, van 17 tot 25 januari in Amsterdam, rond het thema ‘The Human Body’. AAA is een samenwerking van De Groene Amsterdammer_, Entrée, EYE, het Concertgebouw, het Koninklijk Concertgebouworkest, Muziekgebouw aan ’t IJ, SPUI25 en het Stedelijk Museum. Voor meer informatie en het precieze programma zie aaaserie.nl
_

beeld: Mark Power / Magnum - A project supported by Intesea Sanpaolo for Italia 150th years / HH