De Norman Mailer van de moderne journalistiek?

Het verband tussen hondengevechten en football

Malcolm Gladwell is de popintellectueel van de 21ste eeuw, die wetenschap en journalistiek subtiel vermengt. Zijn methode berust op twee pijlers: wat je denkt dat het is, is het niet. En het is allemaal niet zo erg.

JE KUNT NIET JE hele leven zestien blijven, maar Malcolm Gladwell heeft het lang volgehouden. Op de achterflap van zijn boeken kijkt de journalist met een jeugdige onbevangenheid de lezer aan. Zijn rug recht, zijn cartooneske afro fier omhoog, onschuldige blik. Niet moeilijk om er een rugtas bij te denken. Zijn pak en stropdas lijken onoprecht serieus, alsof hij zich voor een schooltoneelstuk in een pak heeft gestoken, met een door moeder geknoopte das.
Gladwell is de eerste om het verband tussen zijn succes en zijn uiterlijk aan te kaarten. Het was een bewuste keuze zijn herfstbladerig-vuurrode afro te laten staan. ‘Mensen gingen me makkelijk onthouden’, schrijft hij in Blink, zijn boek over intuïtie.
In het echt begint zijn leeftijd zich te tonen. Het is begin september, vlak na zijn 46ste verjaardag, als hij op het punt staat een lezing te geven in een van de oudste bibliotheken in Brooklyn. Nog in de coulissen komt een meisje op hem af, met zijn laatste boek, Outliers, in haar handen. Als Gladwell haar vriendelijk toelacht vallen de lijnen in zijn gezicht op. Hij is sowieso wat bleek, onder zijn ogen zitten wallen die voorgoed in zijn gezicht zijn gesleten, zijn haargrens is teruggetrokken.
Het meisje moet gelukkig zijn met haar gesigneerde exemplaar; voordat Gladwell het podium op komt vertelt een mevrouw van de organisatie dat hij na afloop niet signeert. Wellicht kunnen er nog vragen gesteld worden, maar ga er niet vanuit. Er zitten zo’n zevenhonderd man in de classicistische zaal, tjokvol, niet het doorsnee-type boekenlezers. Veel marketingtypes, jasje-dasje, met hypermoderne telefoons.
Als Gladwell het podium op loopt, jeans, sneakers, een button-down overhemd en een donker jasje, begint het publiek hard te klappen, te joelen bijna. Het is een iel mannetje. Gladwell lijkt wat ongemakkelijk, probeert het gejuich weg te wuiven als hij achter de katheder staat en begint vlug met praten. Hij vertelt dat hij pas kort geleden werd gevraagd om hier te komen spreken; normaal gesproken laat hij dat liever aan zich voorbijgaan, maar volgende maand is het prestigieuze New Yorker Festival en nu kan hij zijn speech alvast uitproberen.
‘Jullie zijn mijn testpubliek’, zegt Gladwell.
De zaal lacht.
‘Nee, echt. Ik heb geen verhaal paraat. Ik ga jullie iets vertellen en dan moeten jullie me zeggen of het ergens op slaat, oké?’
Wat volgt is een verhaal van anderhalf uur, waarin Gladwell de zelfmoord van een handvol bekende American-footballspelers beschrijft, de hondengevechten waarvoor football-ster Michael Vick twee jaar terug werd opgepakt, wat er exact gebeurt in de hersenen van een alzheimerpatiënt en het stijgende aantal gevallen van vroegtijdige alzheimer bij footballers. Gladwell praat makkelijk en opgewekt, met een zachte stem. Achter de katheder is hij in zijn element. Na afloop schiet hij vlug weer weg de coulissen in. Een maand later verschijnt in het weekblad The New Yorker een van Gladwells meest spraakmakende artikelen, getiteld Offensive Play: How Different Are Dogfighting and Football?

MALCOLM GLADWELLS status in de Amerikaanse journalistiek is zo ongeveer wat die van Norman Mailer veertig jaar geleden moet zijn geweest. Waar toen alle jonge, ambitieuze journalisten over hun eigen zelfmythologisering nadachten, proberen ze nu allemaal de hippe trends van hun eigen milieu te ontleden, zoals Gladwell deed in zijn eerste boek, The Tipping Point (2000).
The Tipping Point onderzocht de manier waarop kleinschalige sociale gebeurtenissen enorme grootschalige effecten kunnen hebben. Zijn tweede boek, Blink (2005), legde uit hoe het menselijk onderbewustzijn in een fractie van een seconde goed geïnformeerde beslissingen kan nemen. Het vorig jaar verschenen Outliers probeerde te verklaren waarom sommige mensen succes hebben en andere niet. Het zijn stuk voor stuk onvoorspelbare, contra-intuïtieve boeken, helder geschreven, waarin hij journalistiek met wetenschap vermengt. Samen met zijn stukken voor The New Yorker, waar hij redacteur is, heeft zijn werk hem een cultstatus gegeven – die van de miljoenen verkopende popintellectueel. Hij won de National Magazine Award, werd door Time Magazine uitgeroepen tot een van de honderd invloedrijkste mensen en zijn populariteit had tot gevolg dat uitgeverijen overspoeld werden door journalisten die zijn populair wetenschappelijke onderwerpen wilden imiteren.

WAT IS GLADWELLS befaamde modus operandi? Het beste voorbeeld is het slothoofdstuk van Blink: Zeven seconden in de Bronx. Gladwell begint met een journalistieke beschrijving van de dood van de 22-jarige straathandelaar Amadou Diallo uit Guinee. Op de late avond van 3 februari 1999 hing Diallo wat rond voor de deur van het kleine flatgebouw waar hij woonde in de New Yorkse Bronx, toen een groepje agenten in burger langsreed. Diallo woonde aan Wheeler Avenue, een straat waar alle grootsteedse problematiek rond illegale immigranten, drugs en roofovervallen zich dagelijks manifesteerde. De vier agenten in burger waren er op uit gestuurd om te surveilleren en merkten Diallo op. Hij deed niets bijzonders, maar de agenten vertrouwden het niet. Misschien stond hij op de uitkijk voor een inbreker, dachten ze. De agenten stapten uit en liepen met uitgestoken insigne op hem af: ‘Politie, mogen we je wat vragen?’ Diallo wachtte even en rende het flatblok in. Drie van de vier agenten renden achter hem aan en troffen hem in de slecht verlichte corridor, riepen dat hij zijn handen in de lucht moest doen. Diallo draaide zich om, met één hand op een deurknop, terwijl hij met zijn andere een donker voorwerp uit zijn broekzak probeerde te trekken. Ze waarschuwden Diallo nog een keer, hij reageerde niet, en toen een van de agenten omviel, openden de anderen het vuur.
Diallo werd 41 keer geraakt. Het bleek dat hij zijn portemonnee met identificatiebewijs probeerde te pakken.
De dood van Diallo werd gezien als het zoveelste bewijs van racisme onder schietgrage politieagenten. De (blanke) agenten werden aangeklaagd, Wheeler Avenue werd omgedoopt in Amadou Diallo Place en Bruce Springsteen schreef het nummer 41 Shots, met in het refrein ‘You can get killed just for living in your American skin.’
Vervolgens geeft Gladwell de sociologische achtergrond van Diallo. Vanuit zijn Guinese afkomst was hij bang voor politie. Hij had verhalen gehoord van mensen die van straat waren geplukt en waren beroofd. Daarnaast stotterde hij en was zijn Engels niet perfect. Hij was doodsbang toen de vier agenten hem naderden.
Dat verklaart Diallo’s reactie; de reactie van de agenten is niet zo simpel als racisme, legt Gladwell uit. Hun fout: ze lazen Diallo’s gedachten niet.
Gladwell zet uiteen dat ieder mens een formidabele gedachtelezer is. Hij vertelt het verhaal van professor Silvan Tomkins, die de taxonomie van gezichtsuitdrukkingen in kaart bracht. Het onderzoek beschreef dat de spieren in het gezicht ongeveer drieduizend actie-eenheden (AE) kunnen maken, die emoties verraden. De lippen kleiner maken is een teken van boosheid, wenkbrauwen omhoog trekken is verbazing, et cetera, tot aan de miniemste tekentjes. De taxonomie klopte feilloos met beelden van bekende leugenaars, zoals Kim Philby, O.J. Simpson en Bill Clinton. Het getrainde oog kan nog veel meer zien – zo werd het succesvol toegepast onder psychiatrische patiënten om af te lezen wie suïcidaal was. Maar dat zijn experts, schrijft Gladwell, de primaire beginselen gebruiken we allemaal, elke dag. We hebben het moeiteloos door als onze partners of kinderen uit hun gewone doen zijn, we weten in een fractie van een seconde of we de mensen die ons tegemoet lopen in een donkere straat vertrouwen of niet.
Hierna gaat Gladwell langs bij professor Ami Klin, de voornaamste onderzoeker op het gebied van autisme. Klin en Gladwell kijken met autisten naar romantische films en meten de oogbewegingen. Wanneer Elizabeth Taylor Richard Burton in de armen valt, letten ‘normale kijkers’ op de gezichten; de autisten kijken naar willekeurige dingen, in dit geval een lichtknopje op de muur. Zoals autisten ook wijzende gebaren niet volgen, zo letten ze ook niet op gezichtsuitdrukkingen. Ze kunnen dus nooit gedachten lezen.
Nu gaat Gladwell langs bij psychologen en criminologen die onderzoek hebben gedaan naar hersenactiviteit bij politieagenten tijdens achtervolgingen en schietpartijen. Tijdens stress, bij een hartslag tussen de 115 en 145, zijn agenten extreem geconcentreerd, zien ze dingen sneller en reageren ze beter. Boven de 145 komen er problemen: complexe motorische handelingen lukken niet meer en bij 175 is er een totale afkalving van de cognitieve processen. Bij een te hoge stress beginnen politieagenten, zeker jonge, exact dezelfde hersenactiviteit te vertonen als autisten.
Aan het slot van het stuk keert Gladwell terug naar Wheeler Avenue en beschrijft hij de dood van Diallo nog een keer. De jonge, onervaren agenten racen achter Diallo aan als hij wegrent, hun hartslag schiet omhoog, tegen de tijd dat ze tegenover hem staan – met getrokken pistool – zijn ze als de autist die alleen nog naar het lichtknopje kijkt: ze zien niet de doodsangst in Diallo’s ogen, ze zien alleen zijn hand in zijn zak, totale tunnelvisie, en beginnen te schieten.

DIT IS JOURNALISTIEK optima forma. Het biedt op een neutrale manier een volkomen nieuw perspectief op een belangrijke gebeurtenis. En het heeft alle typische Gladwell-kenmerken: de mengeling van reportage, interview en populair wetenschappelijke journalistiek, het gebruiken van populaire ‘buzzwords’. Allereerst heeft het hoofdstuk zo’n catchy these waar Gladwell patent op lijkt te hebben: ‘We kunnen allemaal gedachten lezen.’ Alle mensen die vervolgens de revue passeren beschrijft hij vriendelijk, zonder een spoor van sarcasme. Hij brengt ze tot leven met leuke anekdotes. Bijvoorbeeld over professor Silvan Tomkins, die een fortuin verdiende bij de paardenraces, omdat hij zo goed gezichten kon lezen dat hij zelfs aan de gelaatsuitdrukkingen van paarden kon zien welk dier het meeste zelfvertrouwen had.
Tegelijk geeft Gladwell oplossingen voor de problemen waar hij op stuit. Zo vertelt hij dat politiekorpsen zichzelf een snelheidslimiet opleggen waarmee ze vluchtende criminelen mogen achterhalen. Niet omdat ze bang zijn om tegen omstanders te botsen, maar omdat een hoge snelheidsachtervolging zoveel stress oplevert dat agenten na de jacht niet meer fatsoenlijk kunnen functioneren. Uiteindelijk maakt Gladwell de cirkel weer rond en beschrijft hij nog één keer wat er gebeurde. Nu vertelt hij precies hoe de agenten op de schietpartij reageerden; hoe één van hen naast het doorzeefde lichaam ging zitten en begon te huilen, en hoe een ander zijn collega’s niet meer kon vinden – hij was zo gestresst dat hij in het flatblok verdwaalde. Zo geeft Gladwell de situatie haar menselijke maat weer terug.
Judith Dijs, die de laatste twee boeken van Malcolm Gladwell naar het Nederlands vertaalde, zegt desgevraagd dat hij met een summiere opsomming van feiten begint en geleidelijk steeds meer informatie toevoegt: ‘Uiteindelijk krijgt het geheel een volkomen andere draai. Zijn teksten hebben soms iets weg van een detective: op welk verkeerd been ben ik nu weer gezet?’

TERUG NAAR HET VERHAAL over hondengevechten en American football. Tijdens het New Yorker Festival, half oktober, houdt Gladwell een live chatsessie op de website van het weekblad. Lezers mogen hem alles vragen over het artikel. Zijn antwoorden zijn vriendelijk, niet te gepeperd. Uiteindelijk stelt iemand hem de hamvraag: als American football alzheimer kan veroorzaken, moet de sport dan niet maar gewoon verboden worden?
Het antwoord van Gladwell is typerend: hij weet het niet, zegt hij. Het is aan anderen, artsen en sportexperts om die beslissing te nemen.
En daarmee kom je bij de kern van Gladwells schrijverschap. Gladwell laat nooit het achterste van zijn tong zien, waardoor het ook nooit helemaal duidelijk wordt waarom hij schrijft wat hij schrijft. Hij figureert weliswaar vaak in zijn eigen onderzoeken, laat wetenschappers persoonlijkheidstesten op hem uitvoeren en beschrijft de resultaten – zo weet de lezer dat hij conflict vermijdend is, dat hij zich onbewust probeert te distantiëren van sterke emoties, et cetera – maar eigenlijk leer je hem nooit echt kennen.

MALCOLM GLADWELL WERD GEBOREN in Groot-Brittannië, maar groeide op in landelijk Ontario, Canada, tussen de mennonieten. Zijn moeder was een Jamaicaanse psychotherapeute, zijn vader een blanke bouwkundige. Ze hadden een paar schapen om het gras kort te houden, die in de herfst geslacht en opgegeten werden. Hij kreeg elke avond bijbelles. Tot zijn 23ste had hij geen televisie. Nog steeds probeert hij internet te mijden, hij prefereert de bibliotheek – op de avond in Brooklyn noemt hij Google ‘de oplossing van een probleem dat we niet hadden’. Op de middelbare school en daarna op de Universiteit van Toronto interesseerde hij zich voor conservatieve politiek; hij had een Reagan-poster op zijn kamer en noemde zijn hond Buckley (naar de conservatieve denker William F.). Toen hij geen baan kon vinden in de reclamewereld werd hij verslaggever bij het rechtse maandblad American Spectator. Daarvandaan ging hij naar The Washington Post, waar hij in 1987 wetenschapsjournalist werd; in 1996 kwam hij in de redactie van de linkse, atheïstische New Yorker. Vanuit politiek perspectief is dat een draai van 180 graden.
Ook in de snelheid waarmee hij afstand kan doen van zijn artikelen als hij wordt aangevallen, toont Gladwell zich buitengewoon flexibel. In het verleden is hij vaker door collega-journalisten, critici of bloggers gewezen op foutieve gegevens en heel makkelijk heeft Gladwell die aanvallen gepareerd, door te zeggen dat het niet zijn gegevens zijn, maar die van de professoren die hij interviewde. Nadat hij door verschillende doorgewinterde economiejournalisten was aangevallen omdat hij de val van Enron simplificeerde, antwoordde hij dat zijn artikel slechts provocatief was bedoeld: ‘Zie mijn boeken als conversation starters’, reageerde hij. In een interview zei hij over The Tipping Point: ‘Met dit boek zei ik eigenlijk: “Hier zijn een hele hoop ideeën, doe ermee wat je wilt!”’
Het heeft iets vreemds als je zo makkelijk je eigen ideeën van de hand doet. Als Gladwell echt de Norman Mailer van de 21ste-eeuwse journalistiek is, dan zegt dat veel: waar de New Journalists van Mailer door prozaïsch zelfonderzoek een soort duistere waarheid probeerden te onthullen, zijn de boeken van Gladwell nauwelijks verbonden met een echt authentiek idee; het zijn intellectuele verkenningstochtjes, even je voeten nat maken, maar uiteindelijk veilig op het droge blijven.
Misschien is dat dan het schrijverschap van Gladwell: meer dan wat ook is hij er op uit de lezer gerust te stellen. Zijn artikelen draaien om de veilige leercurve: er gebeurt iets wat we niet kunnen verklaren (gepensioneerde footballers hebben geheugenklachten), er volgt een verklaring (de hersenen van footballers krijgen op termijn hetzelfde littekenweefsel als die van alzheimerpatiënten), en een aanbeveling om de problemen een volgende keer te voorkomen (football moet veiliger worden). Of football wel of niet afgeschaft dient te worden, doet er niet toe. Wat ertoe doet, is dat we van onze fouten kunnen leren. Tegen zulk optimisme kun je niet op. Juist daarom is hij zo invloedrijk; hij verdedigt geen politieke agenda, zoals de Norman Mailers en Gore Vidals deden, hij wil informatie aanreiken. Dat geeft hem de objectiviteit van de wetenschappers over wie hij schrijft, waardoor je altijd bereid bent naar hem te luisteren. Dat is Gladwells talent: hij dringt je niet een idee op, hij dwingt je anders over je eigen ideeën te gaan denken.

Volgende week verschijnt What the Dog Saw, een bloemlezing van Malcolm Gladwells beste artikelen in The New Yorker. De Nederlandse vertaling verschijnt gelijktijdig: Wat de hond zag en andere avonturen, uitgeverij Contact, 488 blz., € 19,95

Malcolm Gladwell, Wat de hond zag en andere avonturen. Vertaald door Judith Dijs en Tom Kerkhove, € 19,95 (verschijnt eind oktober)

Malcolm Gladwell, What the Dog Saw. Vertaald door Judith Dijs en Tom Kerkhove, € 18,35