Het Verbond

Wij – mijn ouders en ik – gingen in de jaren zestig met enige regelmaat naar bijeenkomsten van het Humanistisch Verbond.

Die werden altijd gehouden in een klein zaaltje waar het droevig moderne interieur geschilderd leek met slechte koffie en gevuld was met mensen die altijd een klein bedrukt blaadje in hun handen hadden. Ze zagen zichzelf, wellicht terecht, als voorhoede, maar pas jaren later zouden ze beseffen dat ze te beschaafd waren om enige invloed uit te oefenen. Hun vijand, de godsdienst, is namelijk altijd een meester geweest in verhullend venijnig taalgebruik.

Op die bijeenkomsten werden meestal lezingen gehouden. Wat denkt de Humanist over de zin van het leven? Hoe dient de Humanist om te gaan met religie? Waar haalt de Humanist zijn normen en waarden vandaan?

Al die mensen waren, net als mijn ouders, afvalligen. Ze hadden de Tweede Wereldoorlog meegemaakt, ze hadden bekenden en familie verloren in de kampen en ze hadden zich vervolgens vragen gesteld over God en hun kerk; hun lidmaatschap van het Humanistisch Verbond dat na de oorlog pas werd opgericht was daarop hun antwoord.

Wanneer ik soms aan de achterkant van enkele Amsterdamse wijken loop en de stakkers zie die uit een vreemd land zijn gekomen en opeens hier ronddwalen, vraag ik me wel eens af: ‘Twijfelen zij wel eens? Aan hun geloof, aan hun normen en waarden, aan datgene wat ze vroeger voor waar hielden?’

Ik weet het niet. Ik kan niet met ze praten, ik durf het niet en ik heb er geen zin in.

Waar zij een onzekere toekomst tegemoet lopen, slof ik een verleden uit; zij moeten wel voortgedreven worden door optimisme, zoals ik word getrokken door de kettingen van het cynisme. Naarmate je meer afstand krijgt worden historische gebeurtenissen er niet mooier op.

Op een van die bijeenkomsten werd eens gesteld dat het besef dat God niet bestaat een tragisch besef is. Want als er geen God meer is, sta je alleen, dan is er geen zin meer van het leven, maar moet je er zelf zin aan geven en blijk je verantwoordelijk voor je eigen daden.

‘Fantastisch! Nooit eerder sprong iemand zo hoog over een haasje!’

Het waren woorden die men destijds graag wilde horen – vreemd genoeg. Maar ze schetsten de bevrijding, de bevrijding die je in eigen hand moest en kon nemen.

Ik denk daar niet anders over dan 45 jaar geleden; alleen begrijp ik nu meer dan ooit dat dat tragische besef ook een uitstekende voedingsbodem is voor een zure vorm van cynisme; dat het bestaan zinloos is, dat wat je doet geen enkele zin zal krijgen, lijkt niemand te willen horen. Mensen willen een opdracht. Regels. Richtingaanwijzers. Ze willen zichzelf ‘leegtrekken’ voor een medaille, ze zijn bereid zich daarvoor te injecteren met bloed. Dat die medaille in feite niets zegt, anders dan ‘in 1953 was ik eerste met haasje-over’ zouden ze niet aankunnen, en dus wordt zo’n ‘plak’ geschraagd met illusies in de vorm van inhoudsloze woorden en heldengeschiedenissen. (‘Fantastisch! Nooit eerder sprong iemand zo hoog over een haasje!’)

Op een van die bijeenkomsten ging het over de oorlog. Mijn vader werd een vraag gesteld over zijn tijd als krijgsgevangene in Indië in een Japans kamp. Hij dacht na.

Achteraf zei hij dat hij een ‘taylor-made’ antwoord wilde geven dat eerlijk was, en waar de Humanisten iets aan zouden hebben. Hij zei: ‘De gelovige gevangenen stierven altijd een stuk rustiger als we ze vlak voor hun dood zeiden dat ze binnenkort God, hun ouders en andere dierbaren in de hemel zouden ontmoeten.’

‘Wat wilt u ons hiermee zeggen?’ vroeg de man van het Humanistisch Verbond.

Mijn vader haalde zijn schouders op. Toen zei hij: ‘Wij Humanisten willen altijd de waarheid, maar vergeten vaak dat leugens troostend kunnen werken.’

Zelf kon vader niet liegen.