Gaétan Soucy

Het verborgen monster

Gaétan Soucy
De onbevlekte ontvangenis
Uit het Frans (L’Immaculée Conception, 1994) vertaald door Han Meijer, Querido, 285 blz., € 18,95

Het is mooi als van een echt belangrijke hedendaagse schrijver een derde boek vertaald wordt, de roman waarmee de Canadese schrijver en filosoof Gaétan Soucy (1958) in 1994 debuteerde. Tot dusver schreef hij vijf romans; daarnaast een toneelstuk en een novelle. Het meisje dat te veel van lucifers hield, de eerste vertaling, vond ik indertijd niet minder dan een openbaring. Als met een latere titel begonnen wordt, is het voor een Nederlandse lezer soms moeilijk de verschillende boeken van een auteur in de juiste volgorde te plaatsen. Dat is bij Soucy geen probleem: met dit debuut was hij er meteen al helemaal. Los van thematiek en opbouw is één overeenkomst met de andere romans dat in elk boek een van de hoofdpersonen op een gegeven moment een heel andere kant van zichzelf laat zien, of zelfs van het andere geslacht blijkt te zijn. Ook in de eerste roman is veelvuldig sprake van geheimen. Soms worden ze in een bijzin onthuld. Maar anders dan in een speurdersroman is het geen onthulling van iets dat de lezer over het hoofd heeft gezien of door de schrijver is achtergehouden. Het zou me niet verbazen als Soucy van enkele personages in het begin alleen een beeld had en gaandeweg in hen nieuwe aspecten vermoedde, duistere, zelfs monsterachtige kanten. Het is een soort onthulling, met terugwerkende kracht, maar niet een waardoor een ingewikkelde verhouding of raadselachtig gedrag tot één motief gereduceerd wordt: een puzzel die wordt opgelost. De andere kant is eerder een toevoeging, een verdubbeling. Als de roman chronologisch is, dan vanwege dit proces van vermenigvuldiging. Dat is eenvoudig vast te stellen door het boek opnieuw te lezen, waartoe het uitnodigt, gewoon omdat er zo veel in gebeurt en er zo veel motieven tegelijk in het spel zijn. Bijvoorbeeld de tweelingen, die ook in andere boeken voorkomen: daarbij gaat het niet om gelijkenis, maar om twee helften die elkaar nodig hebben en samen één persoon vormen.

Op het eind worden er enkele geheimen onthuld, vrij gruwelijke. Het ingewikkelde verhaal wordt er allesbehalve eenvoudiger door. In een eerder stadium is er een klein zinnetje, waar je gemakkelijk overheen leest, maar dat alles op tilt zet. De hoofdpersoon, Remouald Tremblay, een lange sladood van 33, een bankbediende, die drie keer in de week met zijn vader in een rolstoel een ommetje maakt, lijkt lange tijd gewoon een idioot. De orde wordt verstoord wanneer de oude man op een avond in de ruïne wil rondkijken waar kort tevoren de Grill aux Alouettes in vlammen is opgegaan, waarbij 75 doden vielen. Daarover schrijft in het begin een begrafenisondernemer een brief, jubelend omdat zijn firma de maximale quota had gehaald. Later krijgt de vader een apart hoofdstuk; ook hij blijkt niet iemand uit één stuk. Samen zijn vader en zoon een paar apart, niet alleen omdat passanten denken dat in de rolstoel de moeder van de bankbediende zit. De vader nam hem tot zoon om met de moeder te kunnen trouwen. De testamentaire verwijzing (de echte vader was timmerman) gaat ver. Zoals de titel voornamelijk op een datum slaat, 8 december, zijn bijbelse en katholieke reminiscenties niet meer dan materiaal – Soucy speelt met symbolen, maar daarmee is het nog geen symbolisch verhaal; zoals hij ook met geladen motieven werkt zonder dat de intensiteit tot een zware roman leidt.

Niemand in het boek weet wie Remouald is, de lezer nog minder. Is hij een kwelgeest voor de stiefvader? Een eenzelvige zonderling met rare rituelen? Luie werknemer? Wie is dan de man die men ’s middags met een meisje van zeven ziet rondlopen? Ze is het stomme nichtje van de bankdirecteur; hij moet op haar passen, maar wordt door háár geleid en getreiterd. Kinderen zijn bij Soucy onberekenbare, soms gevaarlijke wezens. De kindertijd is verschrikkelijk, al was het maar vanwege de verkeerde opvattingen die kinderen van het leven kunnen hebben (en houden). Vroeg of laat slaan twijfel en wantrouwen toe; een restje goedgelovigheid kan nog veel kwaad doen. De overgang van kindertijd naar het normale leven is een crisis, en daar gaat Soucy’s boek over, onder meer. Op z’n elfde had Remouald opeens zijn hoofd opgericht en was hij gaan spreken, maar niemand kon op zijn vele vragen antwoorden: ‘Hoe komt het dat aan alles een linker- en een rechterkant zit?’ De vraag stelt hij daarna nog eens, nu meer op zichzelf gericht: ‘Waarom zat aan alles een linkerkant, onbeholpen en warm, buiten bereik van rede en woorden, en een rechterkant, onverbiddelijk, helder en koud, twee kanten die elkaar nooit raakten? Hij droomde van een tweelinggeest…’ Die wens plaatst de duistere geschiedenis in dat lange negende hoofdstuk in een ander licht, of dat iets verheldert is nog maar de vraag. De jongen van elf was in handen gevallen van een twintigjarige timmermansknecht, die in het geheim de Bekentenissen van een Monster schreef, een gothic story over een tweeling. In dat verhaal schreef de monsterhelft, om de Schepper te schokken, een Navolging van het beest. Nee, De onbevlekte ontvangenis is geen rechtlijnig, laat staan eenvoudig verhaal.

Maar had ik het niet over een klein, argeloos zinnetje? Zonder er op uit te zijn geweest is Remouald wanneer hij samen met de conciërge een deur opendoet er getuige van dat de schooldirecteur, broeder Gandon, beklommen wordt door de mooie, manke onderwijzeres Clémentine, naast Remouald een tweede hoofdpersoon van de roman. Als de onderwijzeres weg is staat Remouald weer voor Gandon. Wat wil hij hem zeggen? Dat weet hij niet en zwijgt. Dan vraagt Gandon: ‘Bent u zo geboren of was het een kwestie van oefenen? Wat wilt u nu eigenlijk van me?’ Hem spreken, zegt Remouald. Wat wilde hij zeggen? Dat hij genezen was. Genezen van wat? Al jaren. Hij wilde hem ook een geheim voor zijn vriendin de onderwijzeres vertellen. O ja? En? ‘Ik weet het niet meer.’

Al weet de lezer uit enkele jeugdepisoden van Remouald dat hij ooit een hoogst intelligent kind was, of liever: een kind dat last had van zijn intelligentie, nog steeds lijkt de sladood een idioot. En dan dat zinnetje. Of hij zo geboren is of dat het een kwestie van oefenen is geweest. Stel je voor dat het waar was, dat Remouald na de crisis – verschrikkelijke gebeurtenissen en een ontploffing in zijn geest – besloten heeft als onnozele hals door het leven te gaan? Of in termen van de tweeling gesproken: als de helften nu eens verwisseld zijn en hij in zich verborgen de tweede persoon meedraagt? Wat is dan het monster?

Ik kan niet zeggen dat ik het zelfs na herlezing weet; wel weet ik dat ook deze eerste roman van Gaétan Soucy een apart boek is, behorend tot een inmiddels zeldzaam wordend genre: romans die de zogenaamde werkelijkheid tarten.