Draven musea door in correctheid?

Het verdachte monnikje in het koren

MeToo heeft de kunsten bereikt en roert zich in het museum. Komt er een #RembrandtToo? Maar oude kunstwerken zijn toch geen stiltebrekers? Hooguit spiegels van een tijd.

Medium 11b524720962dd00c8f497e9a9a9d163
Balthus, Thérèse Dreaming, 1938. Olie op canvas, 149,9 x 129,5 cm © Metropolitan Museum of Art, New York / Jacques and Natasha Gelman Collection, 1998

MeToo is een beweging die zich verplaatst volgens een onvoorspelbaar maar vast patroon. Een individu van aanzien wordt aangewezen als machtswellusteling en dan is het als het wrijven in een vlek: de verdachtmaking volgt de stroom van zijn invloed en onthult onderweg de gang van zaken. Collega’s gaan onderuit. De filmwereld, het toneel, het onderwijs, sport, politiek en de media, ze worden opgerold als waren het criminele bendes.

Onlangs kwam daar de beeldende kunst bij, een wereld bij uitstek van ongeschreven regels, gebouwd op een systeem van gunnen tussen ongelijkwaardige partners, gedreven door smaak en hebzucht. Drie mannen met een klassieke rol kwamen onder vuur te liggen: de powercurator, de gevierde Jens Hofmann; de uitgever van een toonaangevend magazine, Knight Landesman van Artforum; en de kunstenaar, de grote Chuck Close, die vrouwen uitnodigde in zijn studio en ze daar voor ongewenste verrassingen zou hebben gesteld. De curator en zijn lopende projecten werden geschorst en opgeschort, de uitgever moest vertrekken en van de kunstenaar werd een tentoonstelling in de National Gallery of Art in Washington uitgesteld. Hetzelfde museum bevroor ook de plannen voor een show van fotograaf Thomas Roma, gepland voor later dit jaar.

Hoe terecht deze persoonlijke gevolgen zijn, moet blijken in de rechtszaal, maar in de slipstream van het MeToo-momentum ontspoorde ook een en ander. De afrekening met een van grensoverschrijdend gedrag beschuldigde kunstenaar sloeg over op datgene wat uit zijn handen kwam: het kunstwerk. Seattle University was onverbiddelijk en haalde een zelfportret van Chuck Close van de muur. En ook kunstwerken zélf werden als grensoverschrijdend aangewezen, zonder dat er sprake was van een ‘foute’ kunstenaar. Decennia, zo niet eeuwen hingen ze in het zicht, nu pas werden ze gezien voor wat ze zijn: uithangborden van de vermaledijde macht. Hun verschijning geeft de scheve verhoudingen een gezicht, in hun verf ligt het onrecht besloten. Als we zulke kunst verwijderen, of ten minste kuisen in de vorm van een disclaimer, is die propaganda vast van de baan.

‘Toen ik het Metropolitan Museum of Art bezocht afgelopen weekend was ik geschokt door een schilderij van een jong meisje in een seksueel suggestieve pose.’ In december startte Mia Merrill een petitie rond een schilderij van Balthus, Thérèse Dreaming uit 1938. ‘Het is verontrustend dat het Met een dergelijk beeld met trots zou tentoonstellen. Het is een gerenommeerd instituut en een van de grootste, meest gerespecteerde musea in de Verenigde Staten. De kunstenaar van dit schilderij, Balthus, had een zwak voor pubermeisjes, en je kunt beargumenteren dat dit schilderij de seksualisering van een kind romantiseert’, schreef ze.

Haar zorgen landden op een zacht bedje van MeToo, de kranten pikten het op en duizenden mensen vonden het leuk op Facebook (waarbij gezegd moet worden dat nog geen twaalfduizend de moeite namen de petitie te tekenen). ‘Gezien het huidige klimaat van seksueel geweld en aantijgingen die elke dag openbaar worden gemaakt, steunt het Met, wellicht zonder opzet, door het tonen van dit werk voor de massa, zonder enige vorm van toelichting, voyeurisme en de objectificatie van kinderen.’ Ene Mary uit Texas bedankte Merrill in het commentaar onder de tekst. Het schilderij zit haar al jaren dwars. Het ‘MOET’ verwijderd worden omdat het een bedreiging vormt voor de jonge vrouwen van vandaag. Ze wil niet dat haar dochter of haar vrienden dit ooit hoeft te zien. Is Balthus nog in de buurt? Kan hij gearresteerd worden?

Maar de kunstenaar is al jaren dood en het Met liet weten het schilderij niet te verwijderen, maar de commotie te willen aangrijpen voor een gesprek over de ‘voortdurende evolutie van bestaande cultuur’. Een museum in Manchester haakte in op de hype door wél een schilderij (tijdelijk) te verwijderen, zonder dat daar vraag naar was, en reed voor het oog van de camera’s Hylas and the Nymphs (1896) van John William Waterhouse de zaal uit.

Het schilderij van Balthus zit ene Mary uit Texas al jaren dwars. Is Balthus nog in de buurt? Kan hij gearresteerd worden?

Het gesprek over machtsmisbruik schoot in de kunst meteen richting vrouwelijk naakt. Bij Nieuwsuur schoof Jan Rudolph de Lorm, directeur van het Singer Museum in Laren, aan voor een gesprek dat zich ontpopte tot een college vieze plaatjes kijken (‘#MeToo bereikt nu ook de kunstwereld’, 4 februari). De groteske parade borsten en vagina’s, mede door hemzelf samengesteld, begon met een ‘heel confronterende’: L’origine du monde (1866) van Gustave Courbet, in werkelijkheid een klein doek maar in de televisiestudio opgeblazen tot een wandvullend behang. ‘Wat zien we?’ vroeg presentatrice Mariëlle Tweebeeke. Een filmpje toonde bezoekers die het kunstwerk bekijken in het museum. ‘Je ziet vrouwen echt hun hoofd er bijna in steken, die willen zien van, hoe ziet het er daar uit, misschien vergelijken ze het wel, je weet het niet’, grijnsde De Lorm, met meteen daar achteraan de berisping aan zichzelf dat hij wel serieus moest blijven, hè. Mannen lopen in ieder geval eerder door bij dergelijk werk, die ervaren schaamte.

Ook was er een droge-naald-ets van Rembrandt, Het monnikje in het koren uit 1644. Van de monnik zien we niet meer dan de achterkant van zijn pij, van de vrouw een stel blote onderbenen en tenen. Het Art Institute in Chicago, dat het in de collectie heeft, omschrijft het als ‘een onkuise monnik en een enthousiast melkmeisje’, maar in de studio wordt het getoetst aan de huidige tijd. Volgens De Lorm kun je je bijvoorbeeld afvragen of daar iets ergs gebeurt, wordt deze vrouw verkracht? ‘Ik heb het vandaag eigenlijk voor het eerst goed bekeken en je ziet de hand van de vrouw hem om zijn middel nemen, zal ik maar zeggen.’ Tweebeeke: ‘Dus dat is liefdevol?’ De Lorm: ‘Ja.’ Tweebeeke: ‘Maar stel nu dat het wel een verkrachting was? De vraag is, waar het natuurlijk om gaat, maakt dat uit? Stel dat dit een verkrachting was.’ De Lorm: ‘Dan zou ik me toch wel een paar keer achter mijn oren krabben om het wel of niet te laten zien.’

De Lorm denkt dat de samenleving puriteinser en preutser is geworden en levert meteen het voorbeeld. Een stuk van kunsthistoricus Léon Hanssen in Trouw zou die preutsheid kunnen onderstrepen (‘Gezakt voor het #MeToo-examen: de kunstwereld’, 3 februari). In zijn stuk stelt Hanssen dat Merrill met Balthus terecht een heikel thema aansnijdt. Over MeToo: ‘Dat de wereld van de schone kunsten er nog grotendeels van gespaard is gebleven, is vreemd. Wie neemt het eindelijk op voor het schildersmodel, vereeuwigd op het doek, maar misbruikt in de praktijk?’ Nou, Hanssen bijvoorbeeld. De Mondriaan-kenner fileert het foute oeuvre van Balthus, schampt en passant Egon Schiele en speculeert over Breitner en zijn model, ‘het piepjonge, straatarme naaistertje’ Geesje Kwak. ‘De manier waarop Kwak in haar kimono is ingesnoerd en haar machteloze blik roepen een indruk op van bondage.’ Net als De Lorm is ook Hanssen niet voor de verwijdering van kunstwerken, wel voor een ‘#MeToo ook in de museumzaal, om ons culturele geheugen te resetten’.

Dat zal een lastige opgave worden in het geval van een mogelijke verkrachting uit 1644 – van wie, door wie, voor wie? – uit de koker van Rembrandt. Van Thérèse Dreaming zijn in ieder geval de namen bekend. Balthus was kunstenaar op leeftijd, Thérèse zijn buurmeisje, op het doek twaalf of dertien jaar oud. Maar ook dan. We zien het meisje zitten met een opgetrokken knie op een krukje, een witte onderbroek tussen haar benen zichtbaar onder een omgeslagen rode rok, haar handen gevouwen op haar hoofd en haar ogen dicht, alsof ze in dit donkere interieur toch weet te genieten van de warmte van de zon. Een kat aan haar voeten likt witte melk van een schoteltje. Ja, het is een beladen maar daarmee prachtig schilderij over het al dan niet schuldig kijken naar een bijna verloren onschuld. Wat de schilder verder met zijn model deed is ons niet bekend.

Van de ontmoeting resteert slechts het schilderij dat nu wordt opgeroepen als getuige in een zaak die geen van de betrokken partijen voert. Alleen wij zien de kunstenaar achter de ezel staan, het meisje voor hem, voor altijd in deze pose, met tussen hen in het doek dat nu voor ons hangt. We weten niet meer hoe ernaar te kijken en roepen ‘zij ook!’.

Principieel optreden tegen de doden is onbegonnen werk, de manier waarop de vrouwen uit hun schilderijen op een hoop worden geveegd, als MeToo-slachtoffers, hemeltergend. De huidige discussie heeft niets te maken met de intrede van een nieuwe preutsheid maar is slechts een omweg, afgeleide van een veel wezenlijker gesprek dat in de beeldende kunst nog op gang moet komen. Dat zal eerst moeten gaan over structurele machtsverhoudingen en dan pas over wat daaruit voortvloeit. Over diepgewortelde ideeën, over de kloof tussen de aanwas van kunstenaars en de verdeling van tentoonstellingen en media-aandacht. Over het rotsvaste geloof in het genie en het blijvend denken in ‘meesterwerken’, om maar eens iets te noemen, in de Nieuwe Kerk in Amsterdam bijvoorbeeld met een jarenlange programmering onder die naam (met achtereenvolgens werk van Rembrandt, Andy Warhol, Francis Bacon, Bill Viola, Marc Chagall, El Greco en vanaf deze week Jeff Koons).

Time Magazine riep ‘De Stiltebrekers’ uit tot Persoon van het Jaar 2017 en plaatste een groep bekende en onbekende vrouwen op de cover, ‘stemmen die een beweging op gang brachten’. Oude kunstwerken zijn geen stiltebrekers, een schilderij is in geen geval een venster op de werkelijkheid, geen doordruk van een ontmoeting in een studio noch een affiche voor gewenst gedrag in het heden of in de toekomst. Hooguit is het een spiegel van een tijd waarin we onszelf niet langer herkennen. Daar mogen we, naar eigen inzicht, onze neus diep in steken of snel doorlopen en ons schamen.