Het verdriet van anderen

Onder de post over emetofobie en andere lichamelijke zaken stonden inmiddels de reacties. Dapper, je bent een heldin, je bent een schitterend mens.

Zomaar een dinsdagmiddag op Instagram. Ik at een plakkerig broodje van een toeristische zaak, scrolde door mijn feed en stuitte op een verjaardagspost van een getalenteerde jonge actrice.

Ze keek terug op haar jaar en noteerde de highs en vooral de lows. Nog steeds had ze moeite met nee zeggen, nog steeds zocht ze te veel naar liefde, sliep ze te weinig, wallen onder haar ogen, voor het eerst in haar leven gedumpt, via een appje, erom staan huilen op straat in de regen, nog steeds dat moeilijke hart dat zo ver open ging en daarom zo snel gekwetst werd, schreef ze, ‘nog steeds issues met klaarkomen, nog steeds fobie voor kotsende mensen, nog steeds vaak eenzaam in gezelschap, nog steeds PMS en ik had een maand lang diarree omdat ik stress had’.

Oké.

Ik had mijn broodje bijna op. Haar post ging nog een heel stuk verder, uiteindelijk googelde ik ‘fobie voor kotsen’ en kwam ik bij het Wikipedia-lemma voor ‘emetofobie’: deze fobie komt vooral voor bij vrouwelijke twintigers en ‘kan ontstaan als overgeven wordt gekoppeld aan angst, maar de diepere oorzaak is niet bekend’. Soms kan het leiden tot smet- of pleinvrees en kijken de emetofoben tv ‘met de afstandsbediening in de hand zodat een braakscène onmiddellijk kan worden weggedrukt’. Het is een fobie die ervoor zorgt, schrijft Wiki, dat de personen die eraan lijden liever cafés, schepen en achtbanen mijden.

Ik maakte een screenshot en stuurde die aan mijn meest freudiaans geïndoctrineerde vriendin. Ze appte terug: ‘Duidelijk. Klaarkomen/kotsen = overgave/overgeven.’

Je maakt van je dromen en pijn iets waar doorheen wordt gescrold, geliket

Een vriend appte: ‘Kan ik haar nu nog op het toneel zien zonder bang te zijn te kokhalzen?’ Ik begreep hem: acteurs bestaan het liefst zonder context. Ik moest denken aan de keer dat ik Frank Lammers in de titelrol van de avonturenfilm Michiel de Ruyter zag. Elke keer als hij zijn zwaard trok, riepen mensen in de zaal de naam van de supermarktketen waar hij het gezicht van is. Bij elk schip dat hij enterde: ‘Jumbo! Jumbo!’

Een andere vriend in de groepsapp reageerde: ‘Dit is de reden dat ik van Twitter af ben. Fake news en polarisatie zijn één ding. Maar waar ik vooral moeite mee heb is dat je elke dag door berichten heen scrolt als: “Een half jaar geleden werd ik gedwongen opgenomen en wilde ik uit het leven stappen, nu drink ik in de zon een biertje!” of “Mijn dochter is dood, ik mis haar.” Ik kan het leed van al die mensen die ik amper ken niet aan.’

De sleutelfrase is hier, denk ik, ‘mensen die ik amper ken’. Het is niet dat hij bedoelde dat hij aan hun rouw of verdriet twijfelde, of het wilde bagatelliseren. Empathie is in elke samenleving een deugd, maar het is wat anders wanneer je het gevoel hebt dat die empathie wordt afgedwongen. Want zoiets gebeurt er. Wanneer iemand zijn of haar verdriet op social media unverfroren openbaart, kun jij er verder niets mee: je kunt alleen liken, een emoticon posten, roepen hoe sterk iemand is, hoe dapper, ‘hang in there’. Je kunt geen kritische vraag stellen, want in de openbaarheid van social media ben je dan een barbaar – bovendien ken je de persoon die je volgt in veel gevallen niet persoonlijk genoeg om door te vragen. Vaak lijken de instagrammers zich met zulke openbaringen kwetsbaar te maken, maar de mensen die hen volgen, volgen hen al, ze hebben zich al als supporter verklaard. Je zit in je bubbel, het is een schijnkwetsbaarheid. Daarnaast kunt je niet écht iemand troosten, of er écht voor iemand zijn, want social media zijn uiteindelijk niet echt, het is een digitale nabootsing van een gesprek. De mensen die dat posten weten dat ook, dus terwijl hun hartenkreet vast vanuit een oprecht gevoel ontspringt, krijgt die iets onechts door ’m te posten, want echt contact is niet de bedoeling.

Op Vaderdag lopen Instagram en Facebook over met foto’s van overleden vaders, in hun hoogtijdagen, kind op de schouders. Elke keer als ik zo’n bericht like, voelt het hol. Want het zegt niets over je vader, over je band met hem, over hoe je hem mist. Het enige wat zo’n like zegt is ‘Ik zie je’, wat misschien fijn voelt, maar het verandert je van twee personen die met elkaar in verband staan tot zender en ontvanger, tussen performer en publiek.

Onder de post over emetofobie en andere lichamelijke zaken stonden inmiddels de reacties. Dapper, je bent een heldin, je bent een schitterend mens. Honderden likes. Een uitgever appte me dat hij met haar in gesprek is voor een boek.

Uiteindelijk is het dit: je bestaat, je ademt, goede tijden, slechte tijden, het leven spaart je niet, je schrijft op wat het afgelopen jaar op je ziel heeft gedrukt en je post het. En ergens anders, diezelfde dinsdagmiddag, eet iemand een viezig broodje, komt toevallig langs je post, maakt verveeld een screenshot, stuurt die wat rond, ontvangt wat vermakelijke analyses en grappen en gaat vervolgens verder met zijn leven. Je maakt van je dromen en pijn iets waar doorheen wordt gescrold, misschien geliket, maar daarna komt weer een selfie van een influencer, een meme van een kat, een grap van De Speld – faits divers.