Het verdriet van Limburg

Drie auteurs schreven recentelijk over het overlijden van hun Limburgse vaders. In Amsterdam blikken A.H.J Dautzenberg, Ad Fransen en Ad van Iterson terug op hun jeugd in de streek van voetbal, bier en carnaval. ‘Ik kon daar niet wortelen.’

In de roman Extra tijd van A.H.J. Dautzenberg gaat hoofdpersoon Marcel Meulenberg terug naar Limburg omdat het duidelijk is dat zijn vader binnenkort doodgaat. Hij komt vanuit Tilburg-Noord naar het Zuid-Limburgse Heerlen om voor enkele weken zijn intrek te nemen in het ouderlijk huis. Marcel is ooit uit zijn geboortestreek vertrokken om te gaan studeren en een buitenbeentje geworden dat ‘Limburg de rug heeft toegekeerd’. De afstand Tilburg-Heerlen valt mee en de verbindingen zijn goed, zou je denken, maar Zuid-Limburg en Tilburg zijn twee werelden. Marcel is een soort vijand geworden. Voor de mensen in ‘het verstikkende milieu’ waarin hij opgroeide is Tilburg ‘Holland’, omdat voor veel Limburgers alles ten noorden van Weert al Holland is.

Niet alleen in Extra tijd, ook in de autobio­grafische romans Het meisje met de mooiste heupen (2012) van Ad Fransen en Neem me mee (2010) van Ad van Iterson komen stervende vaders in Limburg voor. Het is een Limburg van vroeger dat de lezer in alle drie de boeken meekrijgt. De generatie die als laatste de mijnen heeft meegemaakt is aan het verdwijnen en met hen verdwijnt een eigen cultuur, waarin liefde voor voetbal, bier en carnaval een rol spelen. Daarnaast was bij veel Limburgers de blik op de oosterburen gericht. Schlagers hadden de voorkeur boven Hollandse smartlappen en in de tv-series spraken cowboys hardnekkig nagesynchroniseerd Duits.

De geografie van Limburg maakt de provincie al tot een aparte streek: het glooiende landschap, de voor Nederlandse begrippen hoge bergen, mergelgrotten en löss in de bodem. Het glooiende landschap heeft zijn weerslag in het zangerige accent van een dialect dat de buitenstaander onmogelijk kan volgen. En dan de karakteristieke kolenmijnen: duizenden Limburgers vonden er werk en duizenden hadden na de snelle sluiting ervan te maken met de desillusie dat de overheid vervangende werk­gelegenheid had beloofd, maar die toezeggingen nauwelijks nakwam.

Zo krijgt de terugkeer naar Limburg van Marcel, in wie we gemakkelijk auteur Anton Dautzenberg herkennen, iets van een afdaling naar een andere wereld om zijn vader over de Styx te begeleiden. Overigens werkte in zijn geval niet de vader, maar de beide grootvaders in de mijnen. ‘Zes dagen per week onder de grond, één dag in de kerk.’

De vader van de ik-figuur in de autobiografische roman Het meisje met de mooiste heupen van Ad Fransen was ook werkzaam bij de mijnen. Het gezin kwam van buiten en ze waren dus ‘import’. Ad Fransen bracht vanaf driejarige leeftijd zijn jeugd in Limburg door. ‘Du bist nit van hie, wah!’ was wat hij altijd naar zijn hoofd kreeg, want zijn spraak verraadde hem. Hij vertelt op de eerste bladzijde van de roman hoe graag hij weg wou uit de Kapotte Stad, zoals hij Heerlen noemt. ‘Heel lang kon de Kapotte Stad me gestolen worden. Had ik zo moeten houden, had me veel ellende gescheeld.’ Maar zo ging het niet, want de hoofdpersoon keerde wel terug en had plannen om er een boek af te maken in een groot mooi huis, samen met zijn vriendin.

Dat was juist in de tijd dat zijn vader doodziek werd en zijn moeder begon te dementeren. Alsof een hogere macht er de hand in had en hij zijn ouders in hun laatste levensdagen wat vaker kon bezoeken. Op een dag trof hij ze thuis in lamentabele toestand en zijn geel weggetrokken vader moest met spoed naar het ziekenhuis. Navraag bij de huisarts leerde dat zijn vader al drie jaar aan kanker leed, maar dat aan niemand wilde vertellen. ‘Uw vader gaat het leven uit zoals hij erin heeft gezeten’, zei de arts. Stoer dus, niemand mocht weten wat hem mankeerde, dat hoorde voor hem bij het vader zijn. Fransen: ‘Ik heb hem dat nog wel kwalijk genomen op zijn korte ziekbed, zo van: “Godverdomme, had je ons dit niet eerder kunnen vertellen?”’

‘Ik voelde me machteloos’, zegt Fransen. ‘Ik heb de laatste nacht naast hem geslapen in het ziekenhuis, wake gehouden. Zijn laatste woorden tegen mij waren: “Ik heb het goed gedaan, ik heb het goed gedaan…” Ik heb maar “ja” gezegd. Maar voor mijn volgende boek, dat helemaal over hem gaat, ga ik toch eens wat verder op zoek om te zien of dat zo is.’

De hang naar de eigen streek is niet typisch voor Limburgers, maar is bij velen uit die streek wel sterk ontwikkeld. De geografie, het dialect en het gemeenschappelijke verleden bevorderden een zelfgekozen isolement. Ad van Iterson komt uit Maastricht en vertrok na zijn schooltijd om te gaan studeren in Nijmegen en Amsterdam. Inmiddels is hij verbonden aan de Universiteit van Maastricht. In Neem me mee beschrijft hij liefdevol hoe hij opgroeide in het gehucht Limmel en hoe hij al jong zijn vader verloor. Het schrijven van Neem me mee is ingegeven door het besef dat hij op een dag zijn vader in levensdagen voorbijgestreefd is. Hij vertelt het aan het begin van het boek op de dag zelf aan zijn dementerende moeder.

Als de drie auteurs elkaar treffen in een etablissement in Amsterdam checken ze eerst elkaars antecedenten. Het is duidelijk, dit zijn Zuid-Limburgers onder elkaar voor wie Roermond en Venlo zelfs al te noordelijk zijn om erbij te horen. Maastricht en Heerlen zijn als Amsterdam en Rotterdam, Kerkrade is weer een verhaal apart: daar praten ze net als in Keulen. Voor de nuance: Maastricht is geen Limburg, Maastricht is Maastricht en iets meer georiënteerd op België dan de rest van Zuid-Limburg. Buiten Maastricht wonen volgens de bewoners van die stad alleen maar boeren. Voor de ‘boeren’ is het arrogante, ietwat stijve Maastricht een stepping stone op weg naar Amsterdam.

Alle drie zijn ze ooit vertrokken. ‘Ik kon daar niet wortelen’, zegt Dautzenberg, ‘daarom ben ik weggegaan.’ Een van de zaken die hem niet bevielen was hoe autoriteitsgevoelig Limburgers zijn, zijn eigen vader niet uitgezonderd. Die serviliteit voelde hij als bedreigend en zijn conclusie was: ‘Ik sta er alleen voor.’ Wat nog manifest aanwezig was in Limburg zijn de rangen en standen, de dorpshiërarchie en het cliëntelisme: ik doe wat voor jou en jij doet wat voor mij.

Fransen geeft af op de ‘achterbakse, samenzweerderige’ clanmentaliteit van Limburgers. ‘Soms zouden ze je het liefst zo voor je bek willen timmeren als je een grapje maakte over hún dialect, hún fanfare, hún bier of die smerige eet­gewoontes van ze’, schrijft hij in zijn boek. ‘Ze zullen daar wel weer zeggen dat ik overdrijf, maar je kunt nog beter geboren worden in zo’n door de sprinkhanen kaalgevreten ontwikkelingsland waar ze elkaar van de honger achternarennen met machetes dan opgroeien in de Kapotte Stad.’ Hij kan zich het heimwee naar de streek, dat bij sommigen al begon net buiten de bebouwde kom van Heerlen, ook helemaal niet voorstellen.

Neem me mee van Ad van Iterson is een lofzang op zijn eigen jeugd en zijn vader. Dat de vader werkzaam was bij de staatsmijn Maurits in Geleen-Lutterade is volgens hem een bijkomende omstandigheid. Hij karakteriseert zijn boek als een requiem voor een tijd die voorbij is. ‘Het was een matriarchale samenleving, mijn moeder was de baas’, zegt Van Iterson. ‘De vaders waren afwezig, daarom houden we meer van ze.’ Dautzenberg: ‘Om de liefde van de vader moest je bedelen.’

Juist het naderende overlijden van de vaders drijft de verhouding tussen vader en zoon op de spits. Van Iterson typeert de verhouding van een ouder wordende vader die in zijn laatste dagen moet worden bijgestaan door een zoon met een dichtregel die hij niet meteen kan thuisbrengen: mijn vader is mijn kind geworden. Fransen herkent hem als afkomstig van Jan Emmens uit het gedicht Futurologisch: Mijn vader was verhuisd, verschoven/ door een mij onbekende macht./ Ik zocht hem jaren, lusteloos,/ tot ik hem aantrof op mijn knie:/ hij was mijn kind geworden. De rollen zijn omgedraaid en juist omdat de vader de krachtige, boven alles uittorende figuur was, is dat des te frappanter. Er komt iets anders bij: de zoon die zich zijn hele leven aan de vader heeft gespiegeld als voorbeeld treedt in zijn voetsporen en krijgt de vaderrol opgedrongen. Alleen gebeurt dit juist door de rolomkering op een manier die hij niet voor mogelijk had gehouden en waar niemand op is voorbereid.

Volgens Dautzenberg is het onvermogen om tegen je moeder te zeggen: ik houd van je, typisch Limburgs. Hij zegt ‘moeder’; zoiets tegen je vader zeggen, daar hoeven we het niet eens over te hebben. Het uiting geven aan intieme, persoonlijke gevoelens valt Limburgers zwaar. Het zit volgens Dautzenberg ook in het proza van de drie boeken, het is kaal proza, de auteurs ‘trekken geen krullen’. Fransen: ‘Het komt voort uit de kaalheid van de streek, er is niets romantisch aan.’ Typisch Limburgs is ook het chauvinisme van de bewoners, aldus Dautzenberg, wat zou samenhangen met een collectief minderwaardigheidscomplex ten opzichte van ‘daarboven’.

Dautzenberg koppelt in Extra tijd de dood van zijn vader aan de nacompetitie van Roda JC in 2010. In zijn beleving kan zijn vaders leven worden gerekt, zolang Roda maar overeind blijft. Fransen en hij constateren dat hun vader binnen enkele weken van elkaar zijn overleden. Terug gaan ze vervolgens naar het Roda JC van hun vaders. Als de televisiewagen vroeger op zondag buiten het stadion stond, was het duidelijk dat er bij Studio Sport een samenvatting van een Roda-wedstrijd zou komen. De vader van Fransen zag de wagen als een heel slecht voorteken: Roda zou vast verliezen. En de vader van Dautzenberg wist van tevoren dat het commentaar bij de samenvatting iets denigrerends zou bevatten over Limburg.

In Het meisje met de mooiste heupen zit veel woede. Er wordt gescholden op de Kapotte Stad, maar ook op de vader die met zijn carcinomen rond blijft lopen en niemand in de familie iets vertelt. Tot het te laat is en hij in het ziekenhuis belandt. De hoofdpersoon moppert zelfs als de vader sterft, want hij was net even de kamer uit om een sigaretje te roken. ‘Woonde ik eindelijk weer in de buurt, kon ik, dacht ik, ook eens wat nuttig doen, hield hij het ineens voor gezien’, schrijft Fransen.

Is er nog leven in Limburg als de vaders zijn overleden? Jazeker, na het verdriet en de berusting is er hoop. De roman van Dautzenberg wordt afgesloten als het slot van een voetbalwedstrijd. Ron de Rijk van het radioprogramma Langs de lijn doet gloedvol verslag van de laatste minuut van de extra tijd die de vader heeft gekregen en eindigt met het onmetelijke verdriet van de zoon. Aan het slot van Neem me mee overlijdt de moeder en moet haar naam worden toegevoegd aan de grafsteen van de vader. ‘Ik ben benieuwd naar het resultaat’, denkt de hoofdpersoon. ‘Wanneer kunnen we naar het kerkhof?’ Het meisje met de mooiste heupen eindigt met een soort vreugdevuur. ‘Morgen gaat de fik erin, stook ik de hele boel op. Oude lucht. Nieuwe wolken.’

Zuidelijke zonen