Het verdriet van Rusland

De ene Rus: «Geluk is de herinnering aan het verdriet uit het verleden.» De andere Rus: «Geluk is de voorsmaak tot een hoopvolle toekomst.» Geluk is in Rusland historisch of religieus. Het is nooit eigentijds.

BOVEN VOLGA/MOSKOU – De pontwachter van Misjkin aan de Volga is de personificatie van een lied van Alla Poegatsjova, een zangeres wier leeftijd, repertoire en huwelijkse leven een klein beetje lijken op die van Willeke Alberti. De pontwachter is bejaard – doorwerken na het pensioen is in Rusland noodzakelijk – grijs en brildragend. Exact zoals Poegatsjova, sinds de late jaren zeventig de koningin van het lichte genre, hem ooit bezong. Hij woont nu een kwart eeuw in Misjkin. Het staatsbedrijf Gazprom had hem eind jaren zeventig uit Oezbekistan overgeplaatst, eerst als chauffeur en later als voorman in de bouw. Wie bij Gazprom werkte, voelde toen superieur geluk. Superieur omdat gas zo belangrijk is dat een enkele aansluiting op het net elk potentieel burgerlijk verzet tegen de macht kan breken. Geluk omdat het bedrijf een levenslang gezin was. Het bleek een illusie: «Toen hier tien jaar geleden alles in elkaar stortte, ben ik ontslagen.» Sindsdien staat hij op het veer. Omdat het hyperindividualistische gemoed van de Rus zich bij uitstek in de auto manifesteert, is dat geen sinecure. Maar zijn bevelen en armzwaaien zijn aanstekelijk. De reclame van de provinciale bierbrouwer Jarpivo – «de era van het optimisme breekt aan», hoewel het werkwoord ook «aanvallen» betekent – doet de rest. Het kan niet anders of hij is hier, aan de mooiste rivier van Europa, gelukkig. Een idiote vraag. «Op het moment dat een mens begint na te denken over de waarde van het leven wordt hij ziek», zegt de pontwachter.
Het is ooit anders geweest. In de sovjetencyclopedie van 1979 werd geluk omschreven als een «moreel bewustzijn». Bij een schooltje in een dorp bij Misjkin hangt niet voor niets dat voor elke oudere Rus vanzelfsprekende gedicht van Nikolaj Zabolotski (1903-1958): «Geef de ziel geen luiheid mee/ dat is als water naar de zee/ De ziel, die dient te werken/ Dag en nacht/ Dag en nacht/ Laat haar die les maar merken/ Martel de ziel tot aan het duister/ Opdat ze wordt een mens in volle luister». Het heeft niet mogen baten. In de encyclopedie van 1998 is het begrip «moraliteit» geschrapt uit de beschrijving van het lemma «geluk».

Dat heeft veel met de geschiedenis te maken. «Afgelopen honderd jaar hebben zich zoveel cataclysmen voltrokken, waardoor alles ongedaan werd gemaakt waarmee de burgers bezig waren, dat geluk hier bijna onmogelijk is geworden. De Rus hunkert er soms naar dat hij juist geen creatieve verlangens heeft, uit angst dat ze anders toch maar weer zullen worden verstoord», aldus Natalja Kigai (50), een van de achttien psychoanalytici die het 150 miljoen zielen tellende land arm is.

De perestrojka en de val van het communisme waren daarop geen uitzondering. De netwerksamenleving staat sindsdien onder druk. Geluk werd gematerialiseerd. Ten tijde van het «dementerende» communisme van Leonid Brezjnev (1964-1982) luidde het spreekwoord: «Beter honderd vrienden dan honderd roebel.» Nu is het omgekeerd. Toen Michail Gorbatsjov (1985-1991) met de verbouwing begon, kreeg naïef optimisme weliswaar ruim baan, maar het pakte anders uit. Eerst moest de Rus zich staande houden in ongebreidelde chaos. Vervolgens zag hij hoe een groepje insiders er met de staatseigendommen vandoor ging en de feodale patroons in het bestuursapparaat van president Boris Jeltsin (1991-2000) daarbij meer dan één graantje meepikten. Waarna ze door Vladimir Poetin (2000-?) werden gesust met een rechtvaardig ogende «dictatuur van de wet». Rusland is zo na ruim zes jaar «geleide democratie» een paradoxale supermogendheid geworden. Het land ontleent zijn macht niet aan zijn superieure economische vooruitgang, navenante kernwapenarsenaal of ideologisch plan. De Lada stelt als exportproduct geen bal voor. De computers en mobiele telefoons zijn allemaal import, net als de meeste reclamepatronen en financiële termen. Ook de nieuwe sterke staat wordt gewantrouwd, althans als de burgers er zelf last van hebben. Nee, Rusland is het contrapunt van Amerika. Het nieuwe patriottisme, het ideologische concept dat zich presenteert als het «derde Rome» of zelfs het «tweede Jeruzalem», is louter voor binnenlands gebruik. Anders dan de VS heeft het land geen universele democratische pretenties, geen financieringstekort, geen negatieve betalingsbalans. Maar het heeft wel gas, olie, halffabrikaten en goedkope wapens. Omdat het zo slapend rijk wordt, giert het materialisme nu door de maatschappij.

Dat was onvermijdelijk. «Geld is in Rusland al twintig jaar het belangrijkste», aldus Natalja Kigai. «Omdat de oude sociale systemen in elkaar zijn gestort, is een Rus zonder geld hulpeloos geworden: geld voor de gezondheidszorg, voor de opleiding van de kinderen, voor cosmetica. Dat heeft geleid tot verontrusting, tot sociale paniek en sociale neurose. Er zijn steeds minder gelukkige mensen in Rusland. Ik bedoel mensen die vertrouwen hebben in hun eigen leven, die rustig trouwen, kinderen krijgen, hen een goede school laten volgen, enzovoort. Steeds meer Russen zijn te laat gaan leven, of juist te vroeg. Dat speelt vooral bij twintigers en veertigers.» De praktijk van Kigai stroomt dus vol met succesvol ongeluk, met mensen die denken dat een huwelijk zonder Pierre Cardin geen gelukkig huwelijk is, dat een leven zonder skivakantie geen leven is ook al zitten ze zich ’s avonds moederziel alleen op hun hotelkamer zielig te voelen.

Dat is vooruitgang. Maar er zijn ook andere strategieën. Allemaal zijn ze samen te vatten met «afhaken». Zowel werkende klasse als culturele intelligentsia en herboren geestelijkheid geven zich daar op hun manier aan over.

De onderklasse omdat die niet anders kan. In Misjkin vertoeft die in de werkplaats Katalki waar viltlaarzen worden gemaakt. Het fabriekje, een minigemeenschap vol lotgenoten van de pontwachter, dateert uit 1903. Er is niets veranderd, behalve dat het weefgetouw voor de schapenwol niet meer door stoom maar door elektriciteit wordt aangedreven. De mecanicien is een tractorchauffeur die eind jaren negentig is ontslagen. Valentina Joerevna is zijn chef. Ze werkte jarenlang bij het gemeentelijke bouwbedrijf. Zij is een van de 170 mensen die daar eind vorige eeuw onrendabel werden verklaard. Omdat er van herscholing geen sprake kon zijn, is ze nu voorvrouw in de werkplaats waar tien vrouwen de wol stampend met handen en ellebogen tot vilt masseren, daarna tot laarzen vouwen, langs de leest leggen en vervolgens wassen, persen, drogen en schuren. Ze werken op stukloon. Hun handen doen elke dag pijn. In de werkplaats is het 35 graden, in de oven stijgt de temperatuur tot 80 graden. Maar meer dan 120 euro per maand wordt hun salaris nooit. Een geluk bij een ongeluk dat ze tenminste nog werk hebben? «Wat een rare vraag. Zwijg liever», gromt een jonge vrouw. Valentina Joerejevna verklaart: «Gelukkig? Dat ben ik alleen van vrijdagmiddag tot zondagavond. Geluk is tijdelijk.»

De intelligentsia, zoals deze klasse tijdens het socialisme heette, verschuilt zich eveneens. Niet uit materiële maar uit wijsgerige motieven. Ook in Oeglitsj, een eeuwenoud maar leeglopend provinciehoofdstadje met een schat aan kerken en kloosters vlakbij Misjkin. De Dag der Jeugd van de jongerenclub «Ik kan» wordt er opgeluisterd door een demonstratie van motorclub Nachtelijke Wolven (actief in de drugshandel) en hun met halfautomatische wapens uitgeruste bewakers_._ Terwijl de politie toekijkt en de spreekstalmeester juicht «de jeugd is mooi, de jeugd is energie, de jeugd is geluk», wenden ex-ingenieur en straatmuzikant Jevgeni (52) en de musicerende houtbewerker Vladimir (46) zich af.

«Geluk is onafhankelijkheid. Mijn halve leven werkte ik in een fabriek en was ik ongelukkig omdat ik wilde musiceren. Sinds 1998 (het jaar dat de staat failliet ging – hs) verdien ik amper, maar musiceer ik. Ik heb de hoop nog niet verloren. Want geluk bestaat alleen in retrospectief», aldus Jevgeni, die soms hooguit zijn vrouw moet uitleggen waarom hij echt niet naar de oliestad Tjoemen gaat om te incasseren.

«Geluk is hunkering», betoogt Vladimir, die in zijn houten huis schilderijlijsten, deuren en meubels maakt. Ooit was hij gitarist. «In de loop van je leven worden er steeds meer wegen afgesloten. Geluk is dan het ontbreken van druk. Geluk is de vrijheid om niet aan morgen te hoeven denken, laat staan overmorgen wanneer het hoe dan ook slechter zal zijn.» In tegenstelling tot Jevgeni heeft hij daarvoor een prijs moeten betalen. Zijn vrouw eiste carrièredrift. Waarom Vladimir geen jacquet kocht en naar de provinciehoofdstad Jaroslavl verhuisde, ter wille van de kinderen die per se naar het conservatorium moesten om daarna «bij jullie» geld te kunnen verdienen? «Jij leeft nog in het socialisme, je moet je aanpassen aan het kapitalisme», zei ze. «Maar mijn hele leven heb ik geprobeerd om juist géén carrière te maken. Je moet in deze vunzige wereld proberen te leven volgens je eigen pure maatstaven. Ik speel thuis liever jazz dan dat ik in zaken ga», was het antwoord van Vladimir. «Sinds de perestrojka heeft hier de leugenachtige opvatting geleefd dat geluk via de televisie uit het Westen komt. Armoede. Nu slaat de slinger weer de andere kant op. Ook armoede. Eenvoud wordt hier erger gevonden dan slavernij. In Rusland moet je een tand er nu eenmaal altijd via de kont uittrekken. Maar geluk bestaat. Geluk kan gewoon niet níet bestaan.»

De geestelijkheid aan de Boven Volga staat pas echt buitenspel. In het dorpje Oetsjma heeft vader Alippi, een 44-jarige monnik uit de grote industriestad Samara een paar duizend kilometer zuidelijker aan de rivier, zich verschanst in een nieuw houten kerkje. Vandalen hebben afgelopen jaar drie keer ingebroken en alle iconen gejat. Het deert hem nauwelijks. «Moskou probeert onze smaak te dicteren. Maar op het platteland is geld goddank niet synoniem met geluk. God geeft wat ik nodig heb. Wat ik niet nodig heb, gaat aan mij voorbij.»

God en Hiernamaals: ze worden steeds belangrijker als substituten voor aards geluk. God en Hiernamaals: ze bevinden zich dichter bij de boer dan bij de burger. Het is een nu al klassiek sentiment aan het worden. Naarmate de stad materialistischer en misdadiger wordt, wordt het dorp meer opgehemeld. Terug naar de eerlijke boer in zijn hoeve. Het is een trend die in de Russische cinema al tien jaar terrein wint, niet alleen in de hoogwaardige kitsch van regisseur Michail Michalkov, die de rauwheid van het tsaristische platteland ten voorbeeld stelt, maar ook in de knokfilms. Boemer (slang voor bmw, symboolauto van boef óf businessman) illustreert deze hang naar Rousseau. De afpersers die zich in een boemer uit de voeten maken voor hun contrarippers vinden alleen vrede bij boeren die uit de tijd zijn maar wel menselijk.

Het klinkt leuk, maar het is bedrog. In het dorpje Ivtsino weet tante Sjoera, zo’n heldin uit Boemer, wel beter: «Toen mijn man 27 jaar geleden nog leefde, was ik gelukkig. Nu weet ik niet meer hoe geluk eruitziet.» Is het raar? Ze wordt omringd door kinderen die door hun ouders wegens drank of gevangenis in de steek zijn gelaten. Voor haar geldt niet wat Aleksandr Poesjkin (1799-1827) ooit schreef: «Op het ondermaanse is geen geluk/ maar wel rust en wil».

Deze vier sociale strata – amechtige middenklasse, verloren arbeidersklasse, verlaten intelligentsia en nieuwe geestelijkheid – worden nu niettemin naarstig aan elkaar genaaid. Van bovenaf wordt er een soort russisme uitgedragen, al dan niet verweven met het orthodoxe geloof. Op een van de laatste dagen van juni liet zelfs adjunct-chef Vladislav Soerkov van het presidentiële apparaat, normaal een grijze kardinaal, zich gelden. «Tot nu toe werd het geestelijke verval met een al te grote inertie tegemoet getreden. In plaats van illusies dienen zich eindelijk ook ideeën aan. Niemand hoeft overigens bang te zijn voor Rusland. Maar er zijn mensen tijdens de Koude Oorlog zo verkouden geworden dat ze nog steeds hoesten.»

Een wenkend perspectief voor de middenklasse, die vijftien procent van de circa negentien miljoen burgers in de agglomeratie Moskou uitmaakt en daarmee circa veertig procentpunt bij Nederland achterblijft? Nee, aldus psychoanalytica Natalja Kigai. De nieuwe Rus probeert zich staande te houden met doe-het-zelf-boekjes. Het vak psychologie is in de boekwinkels net zo ruim gesorteerd als de planken «esoterica» en «krijgskunde». Tevergeefs.

«Twintig jaar geleden, aan het begin van de perestrojka, waren geluk en vrijheid enorm belangrijk. Tien jaar geleden was de mens nog de maat der dingen. Toen kreeg ik ook patiënten binnen die in verwarring waren. Maar ze wilden wel gevoel hebben, ze wisten dat ze iets misten: verhoudingen, plezier. Nu vinden mijn patiënten, zeker als ze geld hebben, dat ze recht hebben op dat geluk», aldus Kigai. «In Rusland regeert de corporate esthetica, de esthetiek van de overwinnaars die alles bereiken wat hun voor ogen staat. De hedendaagse narcist eet in dure restaurants omdat hij denkt dat hij duur móet eten. De narcistische pathologie wordt zo steeds groter. Russen leven tegenwoordig op een vulkaan of in een moeras. De sociale diversificatie is zo snel toegenomen dat het of-of is geworden. De innerlijke ruimte is daardoor kleiner. Russen voelen zich meer en meer mieren. Geluk en vrijheid zijn irrelevante categorieën geworden. Het innerlijke is nu veel minder belangrijk dan het uiterlijke. De Rus voelt zich maatschappelijk gecastreerd. Dat is het verschil tussen onze en jullie middenklasse. De westerse is politiek actief omdat alleen haar rechten kunnen worden gegarandeerd. In Rusland zijn er geen garanties en is er dús ook geen politiek engagement. Dat noem ik een barbaarse tijd.»

Reden om hopeloos te worden. Toch niet. «Geluk», zegt een van mijn gesprekspartners, «is de herinnering aan het verdriet uit het verleden. Daarom kan het Russische volk in theorie juist gelukkig zijn.» «Geluk», riposteert een ander, «is de voorsmaak tot een hoopvolle toekomst. Daarom moet het Russische volk juist gelukkig kunnen zijn.»

Eén ding is zeker. Het heden bestaat niet. Geluk is in Rusland historisch of religieus. Het koestert het isolement. Maar het is nooit eigentijds. 

De poëziefragmenten zijn door de auteur vertaald en maken geen aanspraak op literaire kwaliteit