H.C. ten Berge

Het verfijnde en het boerse

H.C. ten Berge

Oesters & gestoofde pot

Uitg. Meulenhoff, 91 blz., ƒ34,90

Het eerste gedicht in de nieuwe bundel van H.C. ten Berge, Oesters & gestoofde pot, heet De laatste modernist («Hij wilde bij maanlicht vulkanen bestijgen/ maar dronk een glas wijn bij het vuur»). Daarin beschrijft de dichter zijn noodlot: modernist te zijn: «O, dat er een eind aan kwam!// De laatste modernist te zijn/ die z'n ziel aan een ijzige demon verpandt.»

Ten Berge is de zestig al gepasseerd, en al sinds het begin van zijn dichterschap heeft zijn poëzie duidelijk modernistische trekken. We zijn echter al in de eenentwintigste eeuw aanbeland, en in deze tijd doet de karakterisering «modernist» niet bepaald vooruitstrevend aan. Wellicht zouden we Ten Berge als een postmodernist moeten beschouwen, maar dat klinkt vandaag de dag, in de nadagen van het postmodernisme, wellicht ook eerder ouderwets dan modern.

De poëzie van H.C. ten Berge heeft postmoderne kenmerken. Wat vroeger als hoge en lage cultuur gescheiden werd gehouden, verschijnt gezamenlijk in de gedichten van Oesters & gestoofde pot. Alleen al de titel wijst op een samengaan van het «hoge» en het «lage», het verfijnde en het boerse. Door de hele bundel heen zien we dat gebeuren: of het nu handelt over de liefde, over het dichterschap, over de natuur of over eten.

Ten Berge slaat vaak een lyrische toon aan, en construeert romantisch getoonzette gedichten, die soms heel klassiek en strak en soms lichter en luchtiger thema’s aansnijden die even romantisch en lyrisch zijn. Hij plukt naar hartelust uit de wereldliteratuur, herinnert ons aan mythen en oude verhalen, om die moeiteloos op te nemen in een «modernere» context. (Herscheppen is ook scheppen, zegt het handboek voor de postmodernist.) Zo verbindt hij in de cyclus «De Cycloop» het aloude verhaal van de eenogige reus (die Odysseus’ makkers opat en door de held van zijn oog werd beroofd) met het bezoek aan een grote loods of hal waar mannen en vrouwen een spel spelen. Een toneelstuk, om precies te zijn:

«… is elke boot een dronken boot/ Vol liederlijke dromen en een held op zijn retour/ Die zich ontkleed, ontmand, als nar met bijenwas heeft ingewreven/ En de mast van een gezonken schip omarmt./ Spotzieke Sirenen, aangewit in schuimend donker op een klip;/ Pseudo-Kirkè of Kalypso, straatmeid of godin, neergevlijd/ en toegerust met toverhand./ In het bleke licht van nergens imiteert ze een verlokking,/ Doet een lach na op het voordek,/ Maakt gebaren achter een spant./ Het zwijn van alle tijden knort achter de voederbak./ Het beeld vervliegt; het oog legt zich niet vast./ Het lege ruim; een lichtflauwte glijdt langs de ribben…»

«Cantus Firmus» is de afdeling waarin de liefde, en het onvermijdelijke teloorgaan ervan, wordt bezongen. Deze gedichten hebben een droevige, melancholieke toon. De natuur is aan het sterven, de winter komt, overal is kou en stilte. Het is alsof we door een schilderij van Caspar David Friedrich dwalen, «een Seelenlandschaft zonder mensen, een verdoken buitenplaats». Het is een landschap vol verlangen en vol weemoed, en zo is ook het hart van de dichter die spreekt: hij herinnert zich een geliefde, met wie hij samen is geweest maar wier liefde minder sterker was dan de zijne. Hij volgt opnieuw het «spoor van een verdwijning», hij tuurt naar het huis in het winterland, naar het maanlicht en de ijskristallen, naar de nevels aan de bosrand.

De dichter roept een beroemde collega aan: «O Coleridge, hartsvriend, lotgenoot! Dit winters/ huis, omringd door sparren en platanen roept ‹Frost at midnight› in mij wakker:/ De vorst regeert in het geheim,/ Niet bijgestaan door enige wind. Het uiltje slaakte/ Een luide kreet — en hoor! Al weer zo luid als net.»

Behalve deze regels van de grote romantische dichter Samuel Coleridge klinkt in de bundel nog het een en ander aan wereldliteratuur door. De afdeling «Oesters & gestoofde pot» is een «maaltijd met acht dichters/ opge diend en afgeruimd door Transmontanus», het pseudoniem dat Ten Berge wel vaker voor zichzelf heeft gebruikt. Deze maaltijd/cyclus brengt (vertaalde) gedichten van Mark Strand, Christopher Middleton, Seamus Heaney, Gary Snyder, Kingmeroet, Peter Blue Cloud, Ted Hughes, Thom Gunn en Transmontanus zelf bij elkaar rond een tafel vol exquis en minder exquis voedsel.

Na de Voorspijs volgt Poëzie eten: «Inkt loopt uit mijn mondhoeken./ Mijn geluk is ongeëvenaard./ Ik heb poëzie gegeten.» Zoals poëzie wordt gegeten, zo ook wordt eten verdicht, en serveert Ten Berge gang na gang van het meest fantasievolle voedsel. Hij laat Transmontanus tot slot de maaltijd met acht dichters besluiten door te beschrijven hoe een dame in het gezelschap bezwijkt: «Terwijl men braakt en krimpt of adem hapt/ heeft mevrouw zich niet meer in de hand./ Ze gaffelt, smult en smakt, zienderogen/ raakt ze buiten zinnen./ Als de schaal is leeg gelepeld ligt ze naakt,/ verteerd door liefdebrand,/ op het bevlekte linnen voor jou uitgestald.»

De liefde is ook hier niet afwezig. In de bundel als geheel duikt zij ook steeds weer op. Soms geestig en luchtig, soms wat zwaarder en meestal in een romantische omgeving. Hij moge de laatste modernist zijn, of een postmodern dichter genoemd kunnen worden, de «veelzijdige» H.C. ten Berge heeft vooral een voorliefde voor het lyrische.