Het vergeten wachtwoord

Casse-pipe is in 1970 heruitgegeven door Gallimard in de Folio-collectie. De laatste druk van de Nederlandse vertaling Kanonnenvoer (Meulenhoff 1988) is uitverkocht.
Brigadier! Hier is die vrijwilliger! - Kom maar door met die lul!
Het is 3 oktober 1912 en stervenskoud als de zeventienjarige Ferdinand, die in een opwelling voor drie jaar bij de cavalerie heeft getekend, zich meldt aan een verregende kazernepoort in Rambouillet. Op deze dag begint zijn volwassen bestaan en hij betaalt meteen leergeld. In de kazerne heerst geen kameraadschap, er woedt een oorlog van allen tegen allen - dezelfde die heel zijn latere werk zal beheersen.

Deze afdaling in de hel zal Celine pas in 1937 beschrijven in de autobiografische novelle Casse-pipe, waarvan het (onvoltooide) manuscript na de Tweede Wereldoorlog is uitgegeven, te zamen met de spaarzame aantekeningen die hij als soldaat maakte: het Carnet du cuirassier Destouches. Vanwege het schilderachtige taalgebruik is Casse-pipe ten onrechte lange tijd beschouwd als een militaire zedenschets, maar het thema van de novelle is niet minder dan de sleutel tot Celine’s persoonlijke en politieke drama.
Al op de eerste bladzijden wordt de lezer binnengeleid in het schandalig universum waarvan Celine de onbetwiste heerser is. In het wachthuis moet Ferdinand zich een weg banen tussen de wachtsoldaten die opeengepakt op de grond liggen: We gingen dat hol binnen, daar stonk het zo dat een schildwacht ervan in katzwijm zou vallen, die lucht drong zo diep in je neusgaten dat je bijna je ziel uitkotste… Je wist niet wat je rook, zo sterk en zuur… Naar vlees, naar pis en tabakspruimen en darmgassen stonk het daar, uit alle macht, en verder naar verschaalde koffie, en een vleugje paardestront en ook nog een soort van weee lucht alsof de dooie ratten uit de hoeken puilden… Het sloeg zo op je longen dat je niet goed durfde inademen…’
Het loopt tegen middernacht en Ferdinand wordt ter plekke ingelijfd bij de wachtbrigade. Hij moet zolang maar in zijn burgerkleding meelopen. Tot overmaat van ramp bestaat de brigade uit Bretons - een ras met huisbakken namen als Garec en Kerdoncuf, een onuitputtelijke scheldwoordenschat en een pesthekel aan Parijzenaars. En natuurlijk is ‘die lul’ Parijzenaar…
In de striemende regen stellen de mannen zich op om zich door de onderofficier te laten afblaffen: Ik ga jullie laten kronkelen van plezier… ik zal jullie leren om je dood te lachen. Dressuur! dressuur!’ Kleumend in de overjas van zijn oom Edouard ondergaat Ferdinand de rituele vernedering die elk groentje ten deel valt: Geweer aan de voet. Nee, dat heb jij natuurlijk nog niet! Dat heb je niet! Jij hebt niks! Geeft niet! Kijk toch maar… Buig eens een beetje voorover, kun je het zien! Kijk, zie je die geweerkolven! Die krijg jij in je reet, mannetje! Als je niet op je tellen past!’
In de ijzige stortregen marcheert de troep af om de wacht bij het kruitmagazijn af te lossen. Het noodweer heeft de paarden opgeschrikt en een hele troep is erin geslaagd om uit de stallen te breken. Door het dolle heen daveren ze plompverloren over het verduisterde kazerneterrein. Bij de beschrijving van zulke surrealistische taferelen is Celine op zijn best: Als een wervelwind duikt er een voor ons op… Ka!… Ta!Klop!… Ka!Ta!Klop!… vol door ons groepje heen… We staan aan de grond genageld…’
Let wel: geen Kataklop! maar Ka!… Ta!Klop! Wie ooit in het donker tussen op hol geslagen paarden heeft gelopen, herkent die ene, eindeloze seconde als de hoefslag verstomt en je vreest het volgende moment door een zwaar paardelijf te worden omvergesmakt.
Bij het kruitmagazijn aangekomen blijkt iedereen het wachtwoord te zijn vergeten. Verloren gegaan te midden van de storm en de vervaarlijke charges van de paarden: Ik voelde hoe het uit mijn hoofd wegsprong!’ De commandant is razend. Hij kan niet teruggaan en bij zijn meerdere opbiechten dat hij het wachtwoord niet weet - dat betekent op zijn minst twee weken zwaar arrest. Wat zou het woord kunnen zijn geweest? In arren moede zoekt de troep beschutting in een stal - een pandemonium van hinnikende en steigerende paarden - en breekt zich het hoofd. Is het de naam van een veldslag? De naam van een bloem? Een vrouwennaam? De betekenis van deze wanhopige exercitie is duidelijk. Het zijn stuk voor stuk woorden die hun laatste houvast in het leven weerspiegelen: oorlog, liefde… Dan komt er een ordonnans aangehold. Hij zakt schuimbekkend ineen in de modder, ten prooi aan een epileptische aanval: Mama!… Ma… ma… roept-ie ineens… Ma… ma… Mar… gue… rite…’
Een hardnekkige mythe wil dat Celine de voornaam van de moeder van de schrijver is, maar in werkelijkheid is het de voornaam van zijn grootmoeder. Marguerite is de echte naam van Celine’s moeder en staat symbool voor zijn eigen laatste houvast. Maar de commandant laat er geen twijfel over bestaan dat ook dit wachtwoord, het ultieme symbool van tederheid en intimiteit, geen verlossing biedt: Dat is alweer een hoerennaam! Ze denken ook alleen maar aan vozen, die smeerlappen!’
Casse-pipe is geen sleutelroman, maar de hallucinerende ordonnans staat hier ongetwijfeld voor Celine zelf. In het Carnet, dat hij nog onder diensttijd schreef, vermeldt hij hoe hij zich in deze beroerde periode’ hopeloos verloren voelde: Hoe vaak ben ik niet teruggekomen van het roskammen en heb ik helemaal alleen in mijn bed, ten prooi aan de diepste wanhoop, liggen huilen als het eerste het beste communicantje.’ De herinnering aan die gruwelijke tijd voltooit zijn reis naar het einde van de nacht die hij in 1932 al had beschreven.
Eind 1937 legt Celine het halfvoltooide manuscript terzijde en schrijft hij in een roes zijn eerste antisemitische pamflet. Het gebrek aan iedere vorm van menselijke solidariteit in de wereld is volledig en alleen de schuld van de joden. Hij heeft zijn wachtwoord gevonden.