Een adembenemend dorpje, met flora en fauna in overvloed, wordt plots overschaduwd door een kwaadaardige vloek. Hennen broeien, maar er komen geen kuikens. De vogels en bijen zijn verdwenen. Stilte sluimert het dorpje in. Met deze wereldberoemde ‘fabel voor morgen’ luidt de Amerikaanse biologe Rachel Carson begin jaren zestig de noodklok. In haar klassieker Silent Spring waarschuwt ze voor de verwoestende gevolgen van chemische bestrijdingsmiddelen.

In Carsons tijd maakten pesticiden – een erfenis van de Tweede Wereldoorlog – een razendsnelle technologische ontwikkeling door. Herhaaldelijk wees ze in haar boek op het gebrek aan kennis over de schadelijkheid van bestrijdingsmiddelen op de lange termijn, voor mens, dier, natuur en de verbondenheid tussen die drie. Carson bespeurde zestig jaar geleden al een sterke pro-pesticide-lobby met als voornaamste boodschap: reusachtige hoeveelheden bestrijdingsmiddelen zijn nodig om de voedselvoorziening voor een groeiende wereldbevolking te garanderen.

Inmiddels zijn Carsons zorgen wijdverspreid en bekend. Restjes van chemische bestrijdingsmiddelen dringen via de voedselketen op allerlei manieren ons dagelijks leven binnen, van drinkwater en voedsel tot foetussen in de baarmoeder. Maar wat precies de gezondheidsschade van al die middelen is, valt lastig te zeggen. Er is geen vaste incubatietijd, zoals bij een infectieziekte. Heldere symptomen ontbreken. Vaak worden verschillende giffen gemend tijdens het sproeien en ontstaan klachten pas later, na jarenlange blootstelling.

Het huidige beleid op het gebied van bestrijdingsmiddelen schoot lang te kort: als de Europese Unie na jarenlang onderzoek en een strijd tegen de agressieve pesticidenlobby erin slaagde een bestrijdingsmiddel te verbieden, kwam er vaak een nog minder onderzochte vervanging op de markt. Die cyclus probeert de EU zo’n zestig jaar na Carsons noodklok te doorbreken. In 2030 moet het pesticidengebruik met de helft zijn teruggedrongen, besloten de lidstaten in 2020 in het kader van de European Green Deal.

De dubbele standaard in het Europese pesticidenbeleid is echter onmiskenbaar. Want terwijl binnen de eigen Europese grenzen paal en perk wordt gesteld aan het rondsproeien van landbouwgif stemden de EU-lidstaten in 2018 in met de export van meer dan tachtigduizend ton pesticiden met stoffen die binnen de EU verboden zijn, blijkt uit cijfers van Greenpeace en onderzoekscollectief Public Eye. Nederland staat in de top-vijf van grootste exporteurs.

Uit onderzoek van De Groene Amsterdammer in samenwerking met het Europese onderzoeksplatform Lighthouse Reports, El Surtidor (Paraguay), IWatchAfrica (Ghana), Mediapart (Frankrijk), en het Nederlands Dagblad blijkt dat opgeteld Europese ontwikkelingsbanken zo’n honderd miljoen euro investeren in drie projecten buiten Europa, waar pesticiden worden gebruikt die verboden zijn in de Europese Unie. In de meeste gevallen gaat het om projecten in ontwikkelingslanden, waar vaker persoonlijke beschermingsmiddelen ontbreken en er voorlichting wordt gegeven over de veilige manier van chemicaliën sproeien.

De Franse ontwikkelingsbank Agence Française de Développement (afd) investeerde ruim zeventien miljoen euro in rubberplantages in Ghana. Volgens lokale boeren wordt hier het levensgevaarlijke middel Paraquat ingezet. In lage doses kan blootstelling aan het middel de ziekte van Parkinson veroorzaken. Eén slokje kan al dodelijk zijn.

De EU heeft het gebruik van het middel binnen de unie in 2007 verboden, maar de Paraquat-verkoop van de Zwitserse pesticidegigant Syngenta blijft tot op de dag van vandaag stijgen. De Europese export van pesticiden bestaat voor een derde uit Paraquat, dat wordt gebruikt in monoculturen van maïs, soja en katoen.

De European Bank for Reconstruction and Development (ebrd) investeerde zeventig miljoen dollar in Oezbekistan, waar op katoen- en tarweplantages gevaarlijke en in de EU verboden gifstoffen worden gespoten door een bedrijf dat al werd beschuldigd van dwangarbeid. Lokale ngo’s zetten een enquête uit waarin werknemers van de plantage op ernstige gezondheidsgevolgen wezen: wazig zicht, vreemde haargroei en het verlies van tanden.

Acht miljoen dollar zegde de Nederlandse ontwikkelingsbank fmo toe aan de in Luxemburg gevestigde private equity Arbaro Fund. Het investeringsfonds belooft op zijn plantages ‘positieve impact op zowel lokaal als mondiaal niveau, met een solide financieel rendement’. In lijn met de VN-ontwikkelingsdoelstellingen dus; volgens de website zorgt de investering voor een positieve bijdrage aan een leefbare planeet.

Met het geld worden ‘duurzame’ boomplantages in Paraguay, Sierra Leone en Ghana gefinancierd, die CO2-opslag verzorgen en duizenden banen opleveren. De geïnvesteerde bedragen zijn hard nodig om de strijd tegen klimaatverandering en ontbossing tegen te gaan, stelt Arbaro. Het bedrijf ambieert uitbreiding naar nog meer landen op het zuidelijk halfrond, tot de 75.000 hectare aan plantages is bereikt.

Miljoenenbedragen van andere investeringsbanken stroomden ook richting Arbaro Fund. Het Green Climate Fund (VN) zegde ruim 23 miljoen euro toe, de European Investment Bank (EU) twintig miljoen dollar, negen miljoen euro van de Duitse deg en tien miljoen van het Finse Finnfund.

Medegefinancierd door Nederlands belastinggeld staan in de armste regio van Paraguay inmiddels al meer dan tienduizend hectare aan eucalyptusplantages. Uit ons onderzoek blijkt dat op deze velden van Arbaro het in de EU verboden middel haloxyfop wordt gespoten. In de fsc-certificering van de plantage wordt de herbicide bestempeld ‘als een product met een laag risiconiveau’, oftewel een product waar geen beperkingen aan worden gelegd. Dit terwijl het onder andere lever en nieren aantast. Ook omstreden middelen als fipronil, glyfosaat, bifenthrin en sulfluramide vloeien rijkelijk op de eucalyptusplantages.

De resultaten van onderzoeken naar de blootstelling aan bepaalde gifstoffen stapelen zich op

De fmo werkt met een ‘uitsluitingslijst’, waar producten en activiteiten in staan waarin de Nederlandse investeringsbank niet investeert. Het gaat om producten, waaronder pesticiden, herbiciden en chemicaliën, die ‘als illegaal worden beschouwd volgens de wetten van het gastland, volgens internationale conventies en afspraken, of die internationaal verboden zijn of worden uitgefaseerd’, staat op de website. In een schriftelijke reactie stelt de ontwikkelingsbank dat de chemische bestrijdingsmiddelen van Arbaro niet onder die uitsluitingsgrond vallen: ‘Een regionaal EU-verbod wordt niet beschouwd als een internationaal verbod’.

De fmo vergelijkt haar project met de gewassen die daarvoor op hetzelfde stuk land groeiden. Toen was het nog slechter, redeneert de ontwikkelingsbank. Chemische bestrijdingsmiddelen zoals fipronil en glyfosaat worden overal ter wereld gebruikt in de landbouw en zouden onvervangbaar zijn, stelt de bank. De certificeringspartij waar de fmo naar verwijst, het Forest Stewardship Council (fsc), is zich ‘bewust van de controversiële discussie over deze pesticiden’, maar zegt dat op andere gewassen nog veel grotere hoeveelheden pesticiden worden gespoten. Een andere optie is er niet, vindt het fsc, want in alternatieven ontbreken. Terwijl het middel bifenthrin volgens het fsc-rapport behoort tot een ‘groep van producten waarvoor strenge beperkingen gelden, wordt het ‘geclassificeerd als een product met een laag risiconiveau’.

‘Uiteindelijk gaat het altijd om de kosten. Er zijn wel alternatieven, maar die zijn duurder’, zegt toxicoloog Robin Mesnage over pesticiden als fipronil. Hij heeft eerder onderzoek gedaan naar pesticidengebruik op monocultuurplantages in Paraguay.

De resultaten van onderzoeken naar de blootstelling aan bepaalde gifstoffen stapelen zich op. ‘Bij een grote blootstelling aan pesticiden tijdens een zwangerschap heeft het kind een grotere kans op misvormingen of neurogedragsproblemen’, legt Mesnage uit via een videoverbinding vanuit Londen. ‘Dit is echt goed onderzocht, al helemaal voor sommige van de insecticiden die Arbaro gebruikt. Een paar zijn ook zeer duidelijk neurotoxisch, met name bij onvoldoende bescherming.’

Met de (mogelijke) gezondheidsproblemen door blootstelling aan deze cocktail van gifstoffen kan een sinistere bingokaart worden volgespeeld: mogelijk carcinogeen, hormoon-ontregelend, schadelijk voor het zenuwstelsel. Het lijstje met negatieve gezondheidsrisico’s door deze giftige stoffen is bijna eindeloos.

Terugkeer van het onderzoeksteam in de gemeenschap naast Forestal Apepú © Omar Yampey, Heñoi

Hemelsbreed zo’n tienduizend kilometer vanaf Nederland hangen de rood-wit-blauwe vlaggen van Paraguay niet ondersteboven, maar staan eind maart wel ruim achtduizend boeren op straat in de hoofdstad Asunción. ‘Tener soberanía es tener una patria nueva’, roept Teodolina Villalalba, leider van de boerenorganisatie Federación Nacional Campesina (fnc) in een microfoon: ‘Het hebben van soevereiniteit is het hebben van een nieuw vaderland.’

Hand in hand met de organisaties van de inheemse bevolking, de Guaraní, eisen Paraguayaanse boeren een einde aan vervolgingen en uitzettingen van hun gemeenschappen. Hun voornaamste kritiekpunt is de concentratie van land in Paraguay, met daarin een belangrijke rol voor pesticiden.

Sinds de jaren negentig verruilden minstens een miljoen boeren hun plantages voor de steden. Dat kwam mede door het bijna feodale systeem van het concentreren van grondbezit in Paraguay: vijf procent van de bevolking bezit er negentig procent van het land.

Die toe-eigening gaat sinds jaar en dag gepaard met geweld en onderdrukking. Als runner-up het meest corrupte land van Zuid-Amerika (na Venezuela) kent Paraguay een lange geschiedenis van landroof. ‘De grootte van Panama’, schrijft het Paraguayaanse journalistieke collectief El Surtidor, ‘dat is de omvang van het land dat na de coup d’état van dictator Alfredo Stroessner illegaal werd overgedragen aan sympathisanten van de dictatuur.’ Tegenwoordig staat het gebied nog steeds bekend als tierras malhabidas, illegale gronden. In de strijd om land sinds Paraguay in 1989 een democratie werd, zijn 130 boerenleiders vermoord.

‘De natuur bracht grote verscheidenheid in het landschap, maar de mens heeft een passie voor vereenvoudiging’, schreef Rachel Carson in Silent Spring over de intensivering van de landbouw. ‘Zo maakt hij de ingebouwde controlemechanismen ongedaan waarmee de natuur de soorten binnen de perken houdt.’ Met andere woorden: monocultuur werkt insectenplagen en een cyclus van resistentie voor chemische bestrijdingsmiddelen in de hand.

Al decennia bouwen de op winst beluste grondeigenaren enorme monoculturen van soja in Paraguay. Tot twintig jaar geleden werden daarvoor illegale, genetisch gemodificeerde sojazaden gebruikt waar al een kapseltje van pesticiden omheen zat. Immers, hoe efficiënter het verbouwingsproces, hoe groter de winst. ‘Maradona’ werden deze zaden genoemd, want vanuit Argentinië werden ze door de grenscontroles van Paraguay gedribbeld.

Dit is waar Paraguayaanse grootgrondbezitters en Europese pesticideproducenten elkaar vinden. In 2001 wist de agrochemische gigant Monsanto via een agressieve lobby het beleid rond de illegale sojabonen te versoepelen. Volgens onderzoek van El Surtidor steeg de invoer van chemische bestrijdingsmiddelen in Paraguay in één jaar tijd van 3508 ton naar 10.583 ton. Glyfosaat was het belangrijkste agrochemische middel dat werd ingevoerd. In 2015 bestempelde de Wereldgezondheidsorganisatie (who) het middel als ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ voor de mens.

Een deel van de gemeenschap wordt indirect onderdeel van het bedrijf, een ander deel blijft zich ertegen verzetten

Elk jaar wordt er in Paraguay meer dan een half miljoen ton hout verbrand om de sojabonen te drogen voor de gigantische exportindustrie. Hout van de meer dan tienduizend hectare eucalyptusvelden van Arbaro draagt hier ook aan bij. Terwijl de private equity beweert dat het hout bestemd is voor de ‘lokale houtmarkt’ wordt een deel van de eucalyptus in een fsc-rapport gekenmerkt als leña, brandhout.

Op de bejubelde ‘bijdrage aan climate action’ van de fmo werpt Coraina de la Plaza van de Global Forest Coalition een ander licht. In een bistro in het centrum van Amsterdam weerlegt ze de belofte van Arbaro. De twintig ton CO2-opname kan volgens haar – en andere deskundigen – niet worden waargemaakt. ‘Een project als dit is tijdelijk, en zo ook de CO2-opname’, zegt De la Plaza. Dat de brandbare eucalyptus bovendien veel bodemwater- en fertiliteit opzuigt, wordt in de klimaatdoelstellingen van de fmo niet vermeld. Eucalyptus zorgt misschien wel voor meer schade aan natuur en omgeving dan de climate action die het verricht.

Na de sojamonoculturen en de problemen ervan is er met de eucalyptusboom een nieuw hoofdstuk in het sombere verhaal over grootschalige plantages met monocultuur en pesticidegebruik van Paraguay ingeluid. Eucaliptación, noemen de Paraguayanen het nieuwe fenomeen. De Paraguayaanse onderzoeker en socioloog Omar Yampey bezocht de plantages van Arbaro, waar Carsons vloek werkelijkheid werd. ‘Het staat vol met bomen, maar in feite is het een uitgestorven gebied. Er vliegt geen vogel, het is doodstil, er is niets anders dan eucalyptus.’

‘Waarschuwing’ staat er in dik gedrukte hoofdletters op een metalen bord, grenzend aan een zanderige landweg: ‘U bevindt zich op privé-terrein.’ De toegangsweg naar de kleine boerengemeenschap, Jullián Portillo, werd in 2021 van de ene op de andere dag geprivatiseerd door de plantagehouder Arbaro. ‘Gelieve op verantwoorde wijze te gebruiken’, eindigt de waarschuwing in rode letters. Anderhalve kilometer later begint hun boerengemeenschap.

‘De weg van de campesinos, de boeren, versperren is echt barbaars’, zegt Yampey via een videoverbinding vanuit Asunción. Om de impact op de bevolking te onderzoeken, bezocht Yampey de plantages waarin de fmo investeerde. Een jaar na de privatisering van de weg keerde hij terug; het bordje was verdwenen.

Tijdens zijn eerste bezoek aan de Forestal Apepú deed een familie haar verhaal. Die beweerde dat Arbaro land van hen afnam, het bedrijf weerlegde dat door te zeggen dat het hun eigendom was. De boerenorganisatie fnc bemiddelde. Het gezin mocht op het land blijven, maar het land werd als eigendom van het bedrijf beschouwd. De zaak werd afgedaan als opgelost. ‘Maar we leven in angst, omdat Arbaro elk moment ons land kan afnemen’, zegt het vrouwelijke hoofd van de familie.

In een schriftelijke reactie zegt Arbaro dat er ‘geen klachten in verband met landconflicten’ zijn geweest, om vervolgens een situatie uit te lichten in Forestal Apepú ‘waar het vroegere grondgebruik niet overeenstemt met de landtitels’. Maar wat door het bedrijf wordt afgedaan als kleine conflicten of tegenslagen laten wezenlijke sporen achter in de gemeenschap.

De plantages werken namelijk met een systeem van onderaannemers. Door land van kleine boeren te pachten, wordt het land in feite deel van de plantage, want de boeren hebben geen zeggenschap meer over dat land. ‘De wanhoop en armoede van de omliggende gemeenschappen wordt misbruikt, om met contracten op hen te jagen’, zegt Yampey. Door te werken met dit zogenaamde ‘outgrower’-systeem probeert het bedrijf verzet vanuit de lokale gemeenschap tegen te gaan.

Het is een verdeel-en-heers-strategie: een deel van de gemeenschap wordt indirect onderdeel van het bedrijf, een ander deel blijft zich ertegen verzetten. Omdat de eucalyptusvelden veel water opslurpen, wordt de voedselzekerheid van de campesinos hard getroffen. De eigen kleurrijke gewassen drogen uit en de verleiding om land te pachten voor de grootgrondbezitters wordt groter.

Als een schoolboekvoorbeeld van David tegen Goliath probeert de ngo Heñoi bijeenkomsten te organiseren voor de campesinos, over het beschermen van biodiversiteit, burgerparticipatie en het tegengaan van grootgrondbezit en ontbossing. De website van de organisatie staat vol met filmpjes over hoe je met natuurlijke bestrijdingsmiddelen van insectenplagen af komt en hoe (genetisch gemodificeerde) zaden een commercieel neokoloniaal handelswaar omringd door wetgeving en patenten zijn geworden.

‘ In Paraguay denken de machtigen dat zij boven de wet staan – wat vaak ook zo is – met alle gevolgen van dien voor de mensenrechten van de inheemse bevolking en de boerengemeenschappen die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van hun gewassen’, zegt speciaal rapporteur voor gifstoffen en mensenrechten Marcos Orellana via een videoverbinding vanuit Washington DC. Na zijn bezoek aan Paraguay is hij geschokt door de hoeveelheid (inheemse) boeren die van hun land zijn verdreven en de impact van pesticiden op de Paraguayaanse bevolking.

Volgens de speciaal rapporteur moeten de EU-lidstaten een einde maken aan de ‘weerzinwekkende dubbele standaard van het produceren van gif dat in de Unie verboden is omdat het te gevaarlijk is, maar het desondanks produceren voor de export naar landen buiten de EU, waar het mensen schaadt. Mensen vergaren rijkdom over de ruggen van anderen die dodelijk vergiftigd raken.’

Over dit onderzoek

Deze publicatie is onderdeel van een samenwerking opgezet door Lighthouse Reports. Ruim tien journalisten werkten mee, van vijf internationale media: Mediapart, IWatchAfrica (met ondersteuning van het Journalism Fund), El Surtidor (Paraguay) en het Nederlands Dagblad.

Voor dit artikel werkte De Groene Amsterdammer samen met David Slings, Hanke van den Broek (Nederlands Dagblad) en Tomas Statius (Lighthouse Reports). Hiervoor deden we tientallen interviews, waaronder interviews met artsen, mensenrechtenactivisten, ngo’s, beleidsdeskundigen, ambtenaren, wetenschappers en belangenorganisaties in Paraguay. Ook bestudeerden we tientallen onderzoeksrapporten en financiële data.