Het vergulden van de lijst

MARCEL PROUST
TEGEN SAINTE-BEUVE: RELAAS VAN EEN OCHTEND
Vertaald door Marjan Hof, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 324 blz., € 34,95

De Franse criticus Sainte-Beuve meende dat een schrijver romans voortbrengt als een appelboom appels. Wil je weten wat voor eigenschappen die appels hebben? Dan moet je vragen van welke boom ze geplukt zijn, in welke streek die boom staat en welke omstandigheden (klimaat, bodemgesteldheid, verzorging door fruitteler) hebben bijgedragen tot zijn groei.
Marcel Proust was de zoon van een joodse moeder die van zichzelf Weil heette en oorspronkelijk uit Duitsland kwam. Marcels gezondheid was zwak. Hij kon geen maatschappelijke carrière maken. Geen nood, de familie van moeders kant was rijk, vader verdiende goed, Marcel werd in de watten gelegd door zijn moeder, die hem introduceerde in de salons van joodse bankiersvrouwen. Marcel begon stukjes te schrijven over deze mondaine wereld. Na de dood van zijn vader en moeder trok hij zich terug uit het mondaine leven om te gaan schrijven. Hij schreef opzetjes voor een roman die hij voortdurend veranderde en aanvulde. In 1913 verscheen het eerste deel van Op zoek naar de verloren tijd, de roman die bij zijn dood een omvang had van drieduizend bladzijden.
Op zoek is een eigenaardig soort autobiografie. Proust beschrijft zichzelf niet zoals hij was, maar zoals hij wilde zijn (‘eigenlijk ben ik een prinsje’). Zijn gedroomde ik maakt een duizelingwekkende mondaine carrière. Hij wordt geadopteerd door de hertog en hertogin van Guermantes: de oudste en sjiekste Franse adel. Marcel is niet langer een jood, hij maakt deel uit van de Guermantes-clan met hun wapperende blonde haren en hun hemelsblauwe ogen. Er komen wel joden voor in de roman, maar die zijn lomp, lelijk en poenig. Proust steekt de draak met hen. Hij steekt ook de draak met homoseksuelen: weerzinwekkende oude mannen die het doen met andere weerzinwekkende oude mannen. Er zijn ook homoseksuele vrouwen die nog beangstigender zijn dan de mannen, omdat zij het hebben voorzien op Marcels grote liefde: Albertine.
Proust deed zich in Op zoek naar de verloren tijd voor als iemand die hij niet was: een Fransman ‘de vieille souche’; een heteroseksueel die treurde om het verlies van zijn innig geliefde vriendin. De homoseksuele jood Proust was bereid zijn ras en zijn homoseksualiteit te verloochenen om zich bijna letterlijk te assimileren met de autochtone Fransen. Op zoek is het logische, ik zou bijna zeggen natuurlijke gevolg van Prousts afkomst, opvoeding en omstandigheden. Proust verhoudt zich tot Op zoek naar de verloren tijd als een appelboom tot zijn appels, of, misschien beter, als de oester die aanvallers verstikt in glinsterende lagen parelmoer die uiteindelijk een kostbare parel opleveren.
Proust haatte Sainte-Beuve. Ik kan me dat voorstellen. Proust zag in de herdenking van Sainte-Beuve’s honderdste geboortedag in 1904 een aanleiding om de criticus er van langs te geven. Hij nam zich voor een essay te schrijven: Tegen Sainte-Beuve. Toen hij er in 1909 aan begon, aarzelde hij tussen een essay en een verhaal. Hij schreef schetsen waarin hij Sainte-Beuve belachelijk maakte, en voegde daar aanzetten voor een verhaal aan toe. Hij vulde een eerste schrift, daarna een tweede, tot er een stapel van 45 schriften lag. Hij verloor al snel de essayistische aanleiding uit het oog en richtte alle aandacht op het verhaal, dat uiteindelijk leidde tot Op zoek naar de verloren tijd. In dat verhaal gaf hij zijn ambitie de vrije teugel: hij ontkende zijn afkomst, ontkende zijn homoseksualiteit, schiep een denkbeeldige Marcel die het tegendeel is van wat Marcel Proust in werkelijkheid was. Proust bewees, kortom, Sainte-Beuve’s gelijk. Misschien was dat de reden waarom hij zo tegen Sainte-Beuve gekant was.
De drie beste vertalers uit het Frans hebben zich (verscholen onder het pseudoniem Marjan Hof) de laatste tien jaar beziggehouden met de vertaling van Tegen Sainte-Beuve, dat wil zeggen met de eerste tien van de 45 schriften. Ze hebben fragmenten vertaald van de oorspronkelijke essayschetsen waarin Proust de grote criticus op een nogal goedkope manier belachelijk maakt, en aanzetten tot het verhaal dat uiteindelijk uitgroeide tot Op zoek naar de verloren tijd, bijvoorbeeld de beschrijving van het moment van ontwaken als de verteller in verwarring verkeert in welke kamer hij zich bevindt, allerlei kamers uit het verleden door elkaar haalt en ten slotte zijn mentale slaapkamer bliksemsnel aanpast aan de kamer waarin hij zich bevindt. Of de fragmenten waarin de moederfiguur gestalte krijgt, of liever waarin de moeder uit beeld verdwijnt om plaats te maken voor de grootmoeder (het aangrijpende verhaal van grootmoeders dood is een transpositie van de dood van Prousts moeder).
De vertalers hebben hun beste beentje voor gezet. Ze hebben een eigen selectie gemaakt uit de onafzienbaar grote reeks kladjes. Ze hebben die kladjes aangevuld, van inleidingen en noten voorzien, en hun onderneming verantwoord in een twintig pagina’s tellend nawoord.
Waarom? Waarom die uitputtende aandacht voor Prousts gekanker op Sainte-Beuve, terwijl de schrijver deze aanleiding al snel uit het oog verloor? Waarom die uitputtende aandacht voor de spot die Proust drijft met Sainte-Beuve’s kritieken op tweede- en derderangs schrijvers wier namen volstrekt vergeten zijn en die door de vertalers in noten worden verklaard? Waarom die uitputtende aandacht voor elf elkaar overlappende en elkaar herhalende kladjes van de beschrijving van het wakker worden? Waarom zeven kladjes van Marcels ontmoeting met jonge meisjes in bloei?
Het raadsel wordt nog groter als je bedenkt dat Op zoek naar de verloren tijd zelf al lange tijd wacht op hertaling. De bestaande vertaling is achterhaald. De bizarre situatie doet zich in Nederland nu dus voor dat we beschikken over een tot in de puntjes verzorgde vertaling van een dertigtal kladjes, maar vergeefs zoeken naar een vertaling van het resultaat waartoe die kladjes hebben geleid.
Willen de heren De Haan, Hofstede en Van der Sterre stoppen met het vijlen, schuren, plamuren en vergulden van de lijst en zich gaan bezighouden met het meesterwerk zelf dat hoognodig verdoekt moet worden?