Film: Dave Eggers

Het verhaal als heenkomen

Zoals in veel Amerikaanse films en boeken eindigt de film Where the Wild Things Are, waar Eggers ook bij betrokken is, onvermijdelijk in de richting van vragen rond ‘familie’ of ‘samenzijn’.

Twee holletjes voor de wilde Max. Het eerste, in zijn echte wereld, is wit en ijzig en fragiel en op een gegeven moment stort het dan ook volledig in; het tweede, in zijn verbeeldingswereld, is bruin en pluizig en stomend van het zweet van dieren, en aangezien Max in werkelijkheid een wolf en dus één van hen is, past hij er volmaakt in. Onder in dit holletje, dat is ontstaan doordat de wilde wezens op elkaar en over elkaar zijn gaan liggen slapen, voelt Max zich thuis. Deze overgang, van de tastbare wereld naar de wereld van verhalen, máákt Where the Wild Things Are van Spike Jonze, naar een bewerking door hemzelf en romanschrijver Dave Eggers van het klassieke prentenboek van Maurice Sendak.

De film blijkt een problematische ontwikkelingsgeschiedenis te hebben gehad. Aanvankelijk zou het een met special effects overladen werk worden, maar daar stak Jonze naar verluidt zelf een stokje voor. Vervolgens koos hij ervoor de wezens te laten maken door Jim Hensons Creature Shop, het bedrijf dat bekend is vanwege het complexe, innovatieve poppenspel in fantasy-films als The Dark Crystal (1982) en Labyrinth (1986), maar dat in de laatste jaren niet echt meer meedeed in de cinematografische ontwikkeling. Niettemin, door deze ‘analoge’ benadering heeft Where the Wild Things Are een 'tastbare’ kwaliteit gekregen, wat volmaakt aansluit bij het thema van de film, namelijk de mogelijkheid, in ieder geval in het hoofd van het kind, dat de verbeeldingswereld meer echt is, meer fysiek, dan de wereld waarin het woont. Juist dit motief - de gave, die vooral kinderen bezitten, om een verhaal echt tot leven te wekken - hangt als een warme deken over Jonze’s film.

Jonze is een boeiende regisseur. Hij werd midden jaren negentig beroemd door korte films en videoclips voor onder anderen The Beastie Boys, R.E.M. en Björk. Met zijn eerste speelfilm, Being John Malkovich (1999), werd hij samen met scenarist Charlie Kaufman de lieveling van het festivalcircuit en van critici die de nieuwe onafhankelijke Amerikaanse cinema omarmden. Being John Malkovich is een magnifieke film waarin de filosofische ondertoon probleemloos aansluit bij de buitenissige personages en slapsticksituaties. Vreemd genoeg kon Jonze deze prestatie daarna niet evenaren. Zijn volgende speelfilm, het extreem zelfbewuste Adaptation (2002), is interessant genoeg, maar mist de spannende gedachtesprongen en de scherpe thematische visie van Malkovich. Met Where the Wild Things Are maakt Jonze dus een glorieuze comeback; in Amerika werd het werk unaniem de hemel in geprezen, tegen de verwachting in overigens, omdat het nu geen onafhankelijke film betreft maar een 'studiowerk’ met grote distributeurs die over de hele wereld een markt voor het werk hebben weten te vinden. De reden hiervoor is juist dat Jonze er heel goed in geslaagd is geen Disney-achtige gezinsfilm te hebben gemaakt, maar een filosofisch werk met als belangrijkste pijlers de broze grenzen tussen echt en gespeeld in de ziel van een kind, die voor volwassenen vaak ondoordringbaar blijkt, en daardoor gevaarlijk kan zijn.

Het verhaal begint met een meesterlijke scène: de negenjarige Max (Max Records) lokt in de besneeuwde omgeving van zijn ouderlijk huis een sneeuwballengevecht met zijn tienerzusje uit. Als Max het vuur aan de schenen wordt gelegd, schuilt hij in zijn iglo, die al gauw instort doordat hij wordt ontdekt en iemand er bovenop gaat springen. Max krijgt het benauwd, hij is de tranen nabij. Jonze houdt de camera dicht bij Max, waardoor zijn eenzaamheid en de instabiliteit van zijn geestelijke en fysieke wereld invoelbaar worden. Maar wat zit hem echt dwars? Max’ ondefinieerbare pijn komt vervolgens scherper aan de orde wanneer hij zijn moeder (Catherine Keener) in de schouder bijt - het eerste teken dat de jongen een 'wilde’ is, ook in zijn eigen, echte wereld.
Een keerpunt komt als Max’ moeder op een avond een vriend thuisbrengt en met hem plezier maakt in de woonkamer. Max, nu veranderd in een wolf, vlucht de wereld in, per bootje naar het land van de wilde wezens.

Daar voelt Max zich thuis, want Max is gevaarlijk. 'Je bent oncontroleerbaar!’ schreeuwt zijn moeder tegen hem. Haar woede vloeit voort uit haar gevoel van machteloosheid: zij kan maar niet tot hem doordringen. Door deze disconnectie weekt Max zich los van zijn wereld. Zijn gevaarlijke kant groeit uit zijn woede over de belemmeringen van de echte wereld en uit zijn frustraties over het bestaan van grenzen in die wereld. Want Max, het kind, is de ultieme anarchist. Niet voor niets roept hij, eenmaal gearriveerd aan de 'andere kant’ waar hij het al snel voor het zeggen heeft: 'Let the wild rumpus start!’

In dat verre land, waar de wilde wezens wonen, maakt hij meteen contact. Hij wordt er zelfs de koning. De wezens hebben grote hoofden, net als peuters, en ze hebben allemaal andere soorten gezichtsuitdrukkingen, vooral Carol (James Gandolfini), het alter ego van Max, en Douglas (Chris Cooper), een wezen dat op een geit lijkt en goed bevriend is met Carol. Tijdens een gedroogde-moddergevecht blijkt evenwel dat de blije, 'zachte’ gezichten van de monsters een rookgordijn representeren en dat zij hun wilde instinct ieder moment kunnen botvieren.

Het gevecht vestigt tevens de aandacht op een andere kant van regisseur Jonze’s kunstenaarschap, want deze scènes, met het dol over elkaar heen tuimelen en het over en weer tot bloedens toe bekogelen, lijken zo te komen uit een aflevering van Jackass, het controversiële, meesterlijke MTV-programma waarvan Jonze een van de bedenkers is. De essentie van zowel Wild Things als Jackass is het ophemelen van anarchisme als subversief middel en het doorbreken van de grenzen van het betamelijke, zodat het spel met het fictieve, dat wil zeggen de wilde stunts van de Jackass'ers, spontaan het alledaagse insijpelt. Bovendien, een jackass (mannetjesezel) is een wezen dat heel goed zou passen in de wereld van de 'wild things’.

Uiteindelijk - zoals in veel Amerikaanse films en boeken, niet in de laatste plaats Jackass of ook Dave Eggers’ eigen sleutelroman A Heartbreaking Work of Staggering Genius (2000), of pak ’m beet de eerste de beste sitcom - draait de narratieve stroom in Where the Wild Things Are onvermijdelijk in de richting van vragen rond 'familie’ of 'gezin’ of 'samenzijn’. Ook dat is een goede keuze. Want hoe broos de grenzen van de werkelijkheid ook zijn, en hoe gevaarlijk de verbeelding van het kind ook is, van levensbelang voor de jongen is het vinden van een plek om in te wonen, nu eens niet ijskoud en vol gaten, maar stevig en duurzaam en zonder digitale special effects. En deze 'plek’ wordt gevormd door de analoge verbeelding, door spannende personages in een verhaal van vlees en bloed, een tekst, een verhaal als een warm huis, een veilig heenkomen.