Toneel

Het verhaal van Aba en Kodjo

Jeugdtheater: Wederzijds speelt Moeder Afrika

Het wonder voltrekt zich in een afgetrapte gymzaal in Haarlem. Theatergroep Wederzijds speelt Moeder Afrika, geschreven door de nestor van het Nederlandse jeugdtheater, artistiek leider Ad de Bont. De voorstelling is het relaas van twee Afrikaanse kindslaven, Aba en Kodjo. Hun vader, de failliete Afrikaanse boer Attenquan, wil zichzelf als slaaf verkopen, met zijn kinderen als onderpand. Maar Attenquan wordt niet als handel geaccepteerd. Hij verkoopt uit wanhoop zijn twee kinderen, in de (valse) hoop ze ooit te kunnen terugkopen. Aba en Kodjo worden verscheept naar een plantage in Suriname. We volgen hen tot hun vroege dood. In hun val slepen ze talloze mensen mee. De oude, wijze Afrikaanse vrouw Mama Bebe, de wrede plantage-eigenaar Soesman en zijn dochter Clasina, de slavendrijver Basja, de griezelige vrouw-van-de-wereld, Misi Papot. Ze leggen hun pruiken af, of hun sluiers, of hun wapens. Dan zijn ze dood. Aan het eind kijken ze ons met lege ogen aan. Ze hebben hun verhaal verteld. Ze wensen ons de kracht toe om niet bang te zijn.

Ik heb Moeder Afrika gezien in de nadagen van een tournee. Wel op de plek waar de voorstelling het best tot haar recht komt: tussen wandrekken, ringen en nauwe kleedkamers. Tussen ademloos toekijkende kinderen van rond de tien jaar. Ze zijn voorbereid – Wederzijds plonst ze niet zomaar in het bloedige zwembad van het relaas over slavernij. In de pauze hoorde ik ze in de wc praten over wie ze goed vonden en wie leuk en wie niet en hoe ze dachten dat het zou aflopen. De kids hadden er toen al vijf kwartier theater op zitten, na hun middagpauze hadden ze nog een klein uur te gaan, het heftigste uur, het uur van de doden. Na het slotapplaus barstten de kids los in een spervuur van vragen. Ik dacht ondertussen aan de discussies over de «canon» van de vaderlandse geschiedenis. Hier krijgen kinderen, die nog aan hun middelbare school moeten beginnen, inzicht in een pijnlijk deel van die historie, de slavernij.

Moeder Afrika is rijk omdat alles zo eenvoudig is gehouden. Vormgever Dries Verhoeven heeft een constructie gebouwd van stalen rekken, trappen en kooien, in het tweede deel overtrokken met een voile van zwarte doeken, simpel belicht. Het ensemble van zeven acteurs speelt (in de regie van de jonge regisseur Marcus Azzini) energiek, strak, hard, met de eenvoudigste middelen die toneelspelers tot hun beschikking hebben: tonen, demonstreren, laten zien wat lijden is, hoe erg dat lijden was, hoe overleven eruitziet. Af en toe barsten de acteurs uit in een wanhopig of troostend lied (componist: Fons Merkies). Er is niets, werkelijk niets gedaan om de scherpe vertelling van Ad de Bont van franje of opsmuk te voorzien. Het verhaal vertelt zichzelf.

En dat verhaal gaat eigenlijk maar over één ding: hoe overleven mensen als ze onder grote druk komen te staan? Welke keuzes maak je onder die druk, is er liefde mogelijk onder de dreiging van een dodelijke zweep, en hoe lang kan de bediener van die zweep zweepslagen uitdelen tot de dood van een dierbare erop volgt? Kun je dan als zweper nog huilen? Mooiste vraag uit het kinderpubliek: hoe doe je dat als speler eigenlijk, huilen als je iemand doodranselt? Het viel me, daar in die Haarlemse gymzaal, op nieuw op: kinderen zíen zoveel, en ze stellen steeds die eerste vragen: «Is het moeilijk om dit steeds opnieuw te spelen?»

Moeder Afrika (uit 2004) verdient een tweede, nee, een derde leven. Dat is een domme recensentenopmerking. Ik was als kijker en toneelverslaggever ge woon te laat.

Moeder Afrika is op 20 maart nog te zien op het festival TweeTakt; informatie: www.tweetakt.net