Dossier: Ons koloniaal verleden

Het verhaal van de anderen

Een opperkoopman van de VOC, Aelbert Cuyp, ca. 1640 - 1660 © Rijksmuseum Amsterdam

Het koloniale optreden is een van de grote misdaden van het Nederlands verleden, daarover is vrijwel iedereen het eens. Toch bestaat dit beeld nog niet zo lang. Aan de hand van sleutelboeken over het kolonialisme wordt de geschiedenis anders verteld. Helaas is ook dit verhaal van opvattingen grotendeels van westerse makelij.

De koloniale geschiedenis van Nederland is ruim vier eeuwen oud. Het merendeel van die tijd werd door weinigen getwijfeld aan de juistheid en rechtvaardigheid van het Europese en dus ook Nederlandse optreden in den verre. Dat inzicht is in de afgelopen eeuw, ietsje langer, eerst langzaam, daarna sneller en in de afgelopen decennia radicaal omgeslagen. Op dit moment is er bijna niemand meer die het kolonialisme verdedigt, laat staan als ‘natuurlijk’ of rechtvaardig beschouwt. Integendeel, kolonialisme wordt met racisme en slavernij veelal in één adem genoemd én veroordeeld als een van de grote misdaden van het verleden.

Toch zijn er nog altijd heel wat historici (en anderen) die het moeilijk hebben met zo’n veroordeling, niet zozeer omdat ze het daarmee oneens zijn als wel omdat ze haar onhistorisch vinden. De veroordeling vindt immers plaats vanuit het altijd gemakkelijke ‘bij nader inzien’. Tegelijkertijd kunnen diezelfde personen onmogelijk ontkennen dat zo’n bij nader inzien de essentie is van geschiedschrijving. Een dilemma is het gevolg.

Het dilemma wordt vergroot doordat steeds duidelijker wordt dat kritiek op het kolonialisme en zijn begeleidingsverschijnselen, slavernij voorop, een lange geschiedenis kent. Te midden van de vele verheerlijkers van het koloniale optreden zijn er vanaf het allereerste moment enkelen geweest die anders dachten. Vanzelfsprekend is er ook altijd anders gedacht door degenen die ‘gekoloniseerd werden’; helaas zijn zij zelden in staat geweest het woord te nemen. Zij hebben dan ook nauwelijks geschreven sporen nagelaten. Het maakt de behoefte aan hun stem niet minder. Want na de dekolonisatie en door de internationale migratie is een samenleving ontstaan waarin de nazaten van de gekoloniseerden in het publieke debat hun stem opeisen. Geen verstandig mens ontkent nut, noodzaak en rechtvaardigheid daarvan. Tegelijkertijd is het niet eenvoudig die stem met historisch materiaal te schragen. Ook dat brengt weer een dilemma met zich mee.

Wat volgt is een dossier over de koloniale geschiedenis van Nederland aan de hand van boeken, auteurs en citaten. Daardoor ligt de klemtoon niet zozeer op feiten en gebeurtenissen als wel op interpretaties en beeldvorming. Koloniale geschiedenis als een verhaal van opvattingen dus, intellectuele geschiedenis. Helaas – en nogmaals – is een dergelijk verhaal grotendeels van westerse makelij. Daarmee is meteen de opdracht van de koloniale geschiedschrijving van de toekomst gegeven.

De lange versie van dit dossier begint bij het begin, in 1598. De kortere versie in De Groene van 8 oktober begint na Multatuli, op een moment dat door de voorstanders van het Nederlands kolonialisme als hoogtepunt werd gezien: de voltooiing van de verovering van Nederlands-Indië, met Lombok (1894), Oost-Indië, waaronder Celebes (circa 1905), Bali (1906) en met name Atjeh (1903). Vanzelfsprekend is ditzelfde moment in de ogen van de tegenstanders van het kolonialisme een dieptepunt. Bij nader inzien is de betekenis ervan eveneens duidelijk: ergens rond 1900 begint het denken over de verhoudingen tussen – wat met een dwaze term ooit heette – moederland en koloniën definitief te kantelen, in het voordeel van de laatste. Een keerpunt dus.

De koets van Mangkoe Nagoro IV, Pieter Alardus Haaxman, ca. 1870 © Rijksmuseum Amsterdam

Het begin van Nederlands koloniale verleden is niet los te zien van de oorlog die eind zestiende eeuw woedde tussen de Republiek in wording en Spanje – waarvan Portugal toen deel uitmaakte. Deze twee landen bezaten op dat moment al zoiets als een imperium, althans in wording. Er was de opstandige Nederlanders alles aan gelegen daarvan stukjes af te pikken.

De band tussen de Nederlanden en Spanje verklaart ook het levensverhaal van de man die bij dat landjepik een sleutelrol speelde: Jan Huygen, veelal chique Jan Huygen van Linschoten of kortweg Jan van Linschoten genoemd. Hij was een van de talloze Hollanders die destijds op jonge leeftijd naar het Iberisch schiereiland verhuisden om deel te nemen aan wat alom als ‘het grote avontuur’ van zijn tijd werd gezien: de ontdekking van de wereld. Daartoe verbleef Van Linschoten eerst een tijdje in Sevilla, vervolgens in Portugal en vertrok vandaar met een hoge geestelijke naar Indië (India). Daar leefde hij een jaar of vijf, in Goa, en keerde uiteindelijk, in 1592, met een schat aan kennis van de wereld, de specerijenhandel, Portugese en Spaanse handelsposten en vreemde culturen, terug naar zijn geboortestad, Enkhuizen. Daar publiceerde hij tussen 1595 en 1599 een aantal boeken die te zien zijn als het begin van Nederlands koloniale avontuur. Vandaar ook dat de sinds lang (1908) bestaande vereniging die historische reisverhalen uitgeeft, naar Van Linschoten vernoemd is.

Het mooiste en meest authentieke geschrift van Van Linschoten wordt veelal kortweg Itinerario (‘reis’) genoemd. Het is het het verhaal van ’s mans eigen reizen van Lissabon naar Goa en terug, met daarbij een schat aan informatie over mensen, streken, handelswaar en, niet te vergeten, de sterke en zwakke punten van de Spanjaarden en Portugezen. Het verhaal gaat niet alleen over India maar (op basis van horen zeggen) ook over wat ‘daarachter’ ligt: Sri Lanka, Singapore, Maleisië, Sumatra, Java, de Filipijnen, China, Japan.

Hoewel Van Linschoten nogal wat minachting toont voor de losse zeden in vreemde culturen ziet hij de bevolking daarvan niet als minderwaardig. Wat hem drijft is nieuwsgierigheid. Je ziet het duidelijk aan de platen bij zijn werk. Op een daarvan zien we het dagelijks leven van de Indiërs in Goa: hoe men zich wast, water haalt, spullen verkoopt, we zien huizenbouw, flora, veeteelt. Op een andere prent toont Van Linschoten Brahmaanse priesters. Afgodendienaars, zeker, maar ook mensen als wij. Fraai is de afbeelding van een bruiloft. Het gaat er anders aan toe dan bij ons, schijnt Van Linschoten te willen zeggen, maar verder: geen verschil. Idem dito de begrafenisgewoonten. Mensen zijn mensen, anders en toch gelijk. Een stevig gespierde, halfnaakte krijger kijkt geamuseerd hoe een ‘danseres’ hem probeert te verleiden. Mannen zijn mannen en met sommige vrouwen is het oppassen geblazen. De scheepjes in Goa zijn kleiner dan bij ons, vertelt Van Linschoten op weer een volgende prent, maar varen doet men er net als bij ons: met roeispanen of zeilen. Voor Van Linschoten is de ander vooral anders: een mens als hij.

Twee mannen uit Cananor en een stel uit Malabar, Joannes van Doetechum (I), naar Jan Huygen van Linschoten, 1596 © Rijksmuseum Amsterdam

Toch is dat beeld uitzonderlijk en zelfs in het geval van Jan van Linschoten slechts een gedeeltelijke waarheid. Het andere deel is minder fraai en geeft een ontluisterende kijk op de wereld waarin Nederlands koloniale geschiedenis begon: een jungle waarin het behalve in eigen kring een kwestie was van eten of gegeten worden. Dat was rond 1600 te meer het geval omdat het kleine Nederland in wording zich voortdurend en van alle kanten bedreigd voelde. Mildheid en mededogen waren even zovele uitnodigingen tot eigen ondergang. Vandaar ook dat de grondleggers van Nederlands koloniale rijk in verreweg de meeste gevallen rouwdouwen waren. Een goed, zij het wellicht ook extreem, voorbeeld van zo’n type is de man die als eerste Nederlander rond de wereld voer, Olivier van Noort, geboren in 1558 in Utrecht en volgens een tijd- en stadsgenoot (humanist Aernout van Buchel) niets minder dan een homo diu perditis moribus et fortuna, ex pyratarum faece oftewel een immoreel en verlopen wezen dat rechtstreeks onttrokken is aan piratenstront.

Van Noort had weinig van een (zee)held en minder nog van een geleerde met belangstelling voor andere volkeren en culturen. Hij was tot het moment dat zijn onderneming begon, 1598, herbergier in Rotterdam en gewoon iemand die het zotte plan opvatte om via de westelijke route naar Indië te varen. Cornelis de Houtman had het kort tevoren via de Kaap en de oostelijke route gedaan. Willem Barentsz had het tevergeefs via het noorden geprobeerd. Maar het was vanzelfsprekend ook mogelijk via de west te gaan. Portugezen en Engelsen (Magelhães, Drake en Cavendish) hadden het bewezen. Nu was de beurt aan de Hollanders.

Het tekent de toenmalige situatie dat een avonturier als Van Noort erin slaagde voor zo’n onderneming een vloot(je) bijeen te krijgen. Maar zoals critici al voorspeld hadden was het een boude onderneming, té. Het verhaal is te lang om te vertellen maar de teneur ervan kan in twee zinnen gegeven worden: alles wat fout kon lopen liep fout. Op één ding na: de wereld werd inderdaad omzeild en Olivier van Noort zelf was een van de weinigen die dat kon navertellen. Zijn verhaal verscheen kort na terugkeer onder de titel Beschrijvinghe vande voyagie om den geheelen werelt cloot.

Evenals de Itinerario van Jan van Linschoten schijnt het velen geïnspireerd te hebben, zij het zonder twijfel tot iets anders dan antropologische nieuwsgierigheid. Zo ontdekte Van Noort in Patagonië een vogelsoort die zich gemakkelijk liet vangen want ‘niet kunnende vliegen ende met maar twee kleine vleugels aan de zij hangend als leren lapjes’. Pinguïns dus. Ze sloegen er honderden dood en zoutten ze in. Nauwelijks anders behandelden ze de plaatselijke bevolking. Toen ze op een eiland tussen Patagonië en Vuurland op een groep inlanders stuitten, was het snel met ze gedaan. ‘We schoten de mannen dood, toen kwamen daarbij enige vrouwen en kinderen, en daar vielen velen dood en gekwetst, waarna wij vier knechtjes en twee meisjes meenamen.’

Overigens – en veelzeggend voor de toenmalige wereld – behandelden Van Noort en de zijnen niet alleen dieren en ‘wilden’ als beesten, hetzelfde deden zij met hun Europese vijanden. Zo kwam het eind 1600 bij Manilla tot een slag met een Spaans schip dat dankzij een voltreffer razendsnel zonk. Een paar honderd opvarenden probeerden zwemmend de baai te bereiken. Dat lieten de Hollanders niet gebeuren. ‘Allen die ons voor de boeg kwamen, werden met spiesen doodgestoken. En de rest die daar zwommen, beschoten wij met (kanons)geschut.’ Om een en ander aanschouwelijk te maken, liet de uitgever van Van Noorts Beschrijvinghe van alledrie genoemde wreedheden plaatjes maken. Zo konden ook de thuisblijvers zich verlekkeren.

De jaren dat Van Noort en Van Linschoten over de zeeën voeren zou je enigszins oneigenlijk die van ‘de wilde vaart’ kunnen noemen. In dit geval betekent dit dat iedereen maar zo’n beetje het zijne deed en dat er van geen regulering sprake was. Dat veranderde met de oprichting van de Vereenigde Oostindische Compagnie in 1602, de West-Indische Comagnie in 1621 en de vele pogingen van de betrokkenen om met plaatselijke heersers en eventueel zelfs rivalen afspraken te maken. De ‘wildheid’ van de begintijd werd verder getemperd doordat elk koloniaal optreden spoedig met een legaal sausje overgoten werd.

Daarin stonden de Nederlanders niet alleen. Anderen deden hetzelfde. Zo had paus Alexander VI, een Spanjaard, de niet-Europese wereld al in 1494 tussen de Portugezen en de Spanjaarden verdeeld, met grofweg het westen voor de laatst- en het oosten (inclusief het oostelijk deel van Zuid-Amerika, met name een groot stuk van het huidige Brazilië) voor de eerstgenoemden. Honderd jaar en een revolutionaire onttroning van het Vaticaan (lees: Reformatie) later beriepen de Spanjaarden en Portugezen zich nog altijd op dit ‘recht’ terwijl de gevolgen ervan, getuige de taal die in Brazilië wordt gesproken, tot op de dag van vandaag merkbaar zijn.

Dat konden de opstandige Nederlanders niet aanvaarden en dus kwamen zij met hun eigen legale sausjes. Het beroemdste daarvan stamt van een van de bright young men van het begin van de zeventiende eeuw, Hugo de Groot. Hoewel hij voor het gevoel doorgaat voor een humanist die boven de partijen staat, is dat beslist niet het geval. De Groot deed wat zo goed als iedereen destijds in de Republiek in wording deed: hij zette zijn intellectuele vermogens rücksichtslos in voor de strijd tegen de Spanjaarden.

In dit kader past de opdracht die de twintig jaar jonge maar wel al vermaarde Grotius in 1603 of 1604 van Oldenbarnevelt en de zojuist opgerichte VOC kreeg. Aanleiding was de kaping van een Portugees koopvaardijschip ten zuiden van Maleisië en de noodzaak die daad te rechtvaardigen. Hiertoe schreef De Groot een 250 pagina’s lang tractaat waarin hij met nieuwe denkbeelden kwam over ‘het recht op oorlog’, de positie van handelsmaatschappijen als de VOC en de rechtvaardigheid van buitmaking in geval van wangedrag. De iure praedae luidt de titel van het tractaat, Over het recht op buit. Het werd pas in de negentiende eeuw gepubliceerd maar maakte niettemin furore omdat het twaalfde hoofdstuk ervan als Mare liberum (Vrije zee) afzonderlijk gepubliceerd werd.

Het betreft hier een fameuze verdediging van ieders rechts de wereldzeeën te bevaren, handel te drijven én, belangrijker nog, elkeen te bestrijden die zich tegen dit recht verzet. Hiermee legde deze eerste proeve van Grotius niet alleen de grondslag voor veel van zijn latere werk maar ook voor het zogenaamde ‘recht’ van de Nederlandse Republiek te handelen zoals zij handelde, niet alleen ten opzichte van Spanjaarden, Portugezen en Engelsen maar ook ten opzichte van de rest van de wereldbevolking. Aldus het begin van Nederlands grote koloniale maskerade oftewel presentatie als recht van wat krom en als zacht van wat hard is.

Drie verschillende voorbeelden van de lokale bevolking van de Straat Magallaan, het eiland Capul in de Filipijnen en Nieuw Spanje (Midden-Amerika), 1599-1600. Anoniem, 1646 © Rijksmuseum Amsterdam

Een mooi voorbeeld van zo’n maskerade, in dit geval eenzijdige nadruk is het verhaal van de man die tot voor enkele tientallen jaren zelden of nooit negatief besproken werd, zelfs niet in het land van zijn koloniale activiteit: Johan Maurits van Nassau, bijgenaamd ‘de Braziliaan’ (1604-1679). Zijn grootvader was een broer van Willem van Oranje, diens zoon, stadhouder Maurits, was zijn peetoom. Johan Maurits was dus nauwe familie van ons (latere) koningshuis en daarom ook intensief betrokken bij de strijd tegen de Spanjaarden. Om diezelfde reden werd hij in 1636 door de West-Indische Compagnie aangesteld als gouverneur-generaal van Nederlands-Brazilië, Nova Holanda. Het was een zoveelste poging het de aartsvijand moeilijk te maken. Dat lukte, althans in een hoekje van het enorme Zuid-Amerikaanse continent, in Pernambuco, in het bijzonder in de omgeving van de stad die door Johan Maurits zelf niet erg verrassend Mauritsstad werd gedoopt, tegenwoordig Recife. De Europese ‘vorst’ verbleef er te midden van een flink aantal Europeanen onder wie ook heel wat geleerden en kunstenaars. Het resultaat was ernaar. Schitterend zijn de schilderijen van Albert Eckhout, alom bekend als een van de eersten die mensen uit de nieuwe wereld portretteerde. Fraai zijn de schetsen van landschappen en dieren van Frans Post. Tot op de dag van vandaag geprezen is het werk van arts en botanicus Willem Piso. Zo ook dat van de van oorsprong Duitse cartograaf, zoöloog en botanicus Georg Margraf. Alle vier waren betrokken bij de uitgave van een onder gezag van Johan Maurits in 1648 verschenen, grondleggend werk over Brazilië, de Historia naturalis Brasiliae. Voeg hierbij het feit dat Johan Maurits zich ter plekke daadwerkelijk gedroeg als een verlicht vorst avant la lettre en het wordt begrijpelijk dat hij zowel bij ons als in de voormalige kolonie herinnerd wordt als een groot man. Zo prijkt zijn borstbeeld nog altijd voor het voormalige gouverneurshuis van Recife.

Herinnerd wordt? Nou nee, bovenstaande is slechts de helft van het verhaal – de betere helft. De andere helft verklaart waarom er in de afgelopen jaren nogal wat te doen is geweest over een buste die de man zelf had laten maken en die uiteindelijk terechtkwam in de grafkelder van het geslacht Nassau-Siegen, in Siegen (Duitsland). In de jaren tachtig van de vorige eeuw werd hiervan, ter gelegenheid van de heropening van het naar Johan Maurits genoemde Mauritshuis, een kopie gemaakt. Deze werd aanvankelijk geplaatst bij de bezoekersingang en voorzien van een Latijns bijschrift waarin de man, geheel volgens die fraaie eerste helft van het verhaal, niet alleen gouverneur van Brazilië en voornaam legeraanvoerder maar ook architect en kunstbeschermer wordt genoemd. In 2017 echter werd de buste in stilte uit de foyer verwijderd en in depot geplaatst – een ander, veel kleiner beeld bleef overigens staan. De verwijdering werd begin 2018 opgemerkt en leidde vervolgens tot een groot aantal publieke commentaren, debatten en uiteindelijk, in 2019, een tentoonstelling over de beeldvorming van Johan Maurits. Sinds kort is deze tentoonstelling uitgebreid tot een permanente opstelling over de naamgever van het Mauritshuis.

De verklaring voor zoveel gedoe is eenvoudig. Johan Maurits was niet alleen een verlicht vorst voor de zijnen, hij was tevens een gesel voor anderen. Hij is het immers geweest die namens de WIC fort Elmina aan de Afrikaanse Goudkust veroverde en daarmee de aanzet gaf tot de grootscheepse Nederlandse slavenhandel. Want Johan Maurits wist wat op dat moment iedereen wist, in de woorden van een Portugese tijdgenoot: ‘Zonder zwarten geen suiker.’ En zonder suiker, zo zou je hieraan moeten toevoegen, geen kunst, wetenschap, architectuur, laat staan rijkdom en prestige. Kortom, zoals zovelen en de besten van zijn tijdgenoten had Johan Maurits een januskop. Aan de ene kant was hij een verlicht heerser en bevorderaar van kunst en wetenschap, aan de andere kant een despoot en slavendrijver. Gedurende lange tijd is gedacht dat voor de slechte helft van deze ‘kop’ verzachtende omstandigheden aan te voeren waren oftewel dat Maurits bij de slavenhandel persoonlijk niet betrokken was. Nieuw onderzoek, verricht in opdracht van het Mauritshuis, toont echter aan dat deze visie onhoudbaar is: Maurits ‘deed mee’ zoals zo goed als al zijn tijdgenoten meededen. Zie ook het zojuist verschenen boek over de rol die slavernij speelde voor de ontwikkeling van de hoofdstad (zie ook 1855): De slavernij in Oost en West: Het Amsterdam-onderzoek.

Hoewel er in Nederlands ‘Gouden Eeuw’ tal van verhalen, vooral reisverhalen verschenen over overzeese avonturen duurde het tot het eerste kwart van de achttiende eeuw dat voor het eerst een poging tot inventarisatie werd gedaan. Die poging is niet mis, althans kwantitatief niet: 5144 bladzijden, vijf delen in acht banden, 162 prenten, 79 kaarten, kortom een kolos om U tegen te zeggen. De auteur ervan is dominee François Valentijn, de titel Oud en Nieuw Oost-Indiën, de jaren van uitgave 1724-1726.

François Valentijn uit Dordrecht werd na zijn studie in dienst genomen door de VOC en al op negentienjarige leeftijd als dominee naar de Oost gezonden. Daar reisde hij niet alleen rond maar leerde ook Maleis en legde zoals zo velen van zijn tijdgenoten een verzameling van exotica én wetenswaardigheden aan. Eenmaal terug in Nederland en met rücksichtslose gebruikmaking van het werk van anderen maakte hij hiervan een welhaast oeverloos verhaal dat bij nader inzien toch van grote betekenis bleek te zijn. Het is chaotisch, dat verhaal. Het kent nauwelijks visie. Het is van alle kanten geplagieerd. Maar het staat niettemin zo vol interessante details dat het tot op de dag van vandaag gebruikt wordt. Zoals de beroemde anekdote over de Hottentottinnen die zulke lange borsten hebben dat ze een op de rug gezeten baby gemakkelijk kunnen voeden.

Elders vertelt Valentijn over penispiercings die homoseksualiteit onmogelijk maken. Spannend is zijn verhaal over ‘een schildwacht op den berg van Japara [die] ’s nachts door een tijger van zijn post [was] gehaald, die met hem door een schietgat van boven den berg naar beneden (eene vervaarlijke hoogte) gesprongen was… Men vond het lijk beneden, doch hoofdeloos, en wat verder ’t hoofd, geheel uitgezogen.’

Zo mogelijk nog ‘spannender’ is zijn verhaal over een ontmoeting met de koning van het dorpje Titaway, op de Molukken. De man vertelt dat hij in zijn jeugd niet alleen vele vijanden had gedood ‘maar ook menigen kop van hen op koolen gebraden’. Op Valentijns vraag of mensenvlees ook lekker is ‘zyde [hy] dat men geen vleesch van eenig beest daar by vergelyken kon’. Vervolgens wilde de vrager ook nog weten welke stukjes mens het lekkerste zijn. ‘Hy zyde, dat er niets zo lekker was, dan de wangen, en de handen.’

Opmerkelijk is overigens dat Valentijn dit alles opschrijft zonder morele veroordeling. Dat is niet altijd het geval. ‘Door de bank’ ziet hij Aziaten als ‘luy, vadzig, traag in ’t leeren’ en verder ‘trouwloos, schelmagtig, of verradersch’, ‘bygelovig, troggelachtig’, wreed en dom.

Johan Maurits, Graaf van Nassau-Siegen (1604-1679); bijgenaamd “de Braziliaan”, Pieter Nason, 1675 © Rijksmuseum Amsterdam

Negatieve kwalificaties van de bevolking in den vreemde zijn gebruikelijk. Dom, lui, opstandig, de reeks is eindeloos. ‘Wanneer dit geslacht [dus diezelfde bevolking] eens eene geschiedenis zal beginnen te schrijven [zullen] de zo menigmaal voorkomende namen van oproermakers, muiters, brandstichters en over het algemeen, slecht volk eene herziening ondergaan en de roem, welke tot nog toe met den lauriertak in de hand, onze standaards en groote mannen omzweefde, zal overgedragen worden op de hoofden van hen, die voor de zaak van hun volk gebloed hebben.’

Aldus militair ambtenaar, journalist en schrijver Frans Carel Wilsen in zijn inleiding bij de in 1871 verschenen roman Naar Europa: Tafereelen uit het leven van Nederlandsch-Indisch-Gasten buiten Indië. Zo is het natuurlijk ook. Helaas is het voor de huidige generaties historici niet eenvoudig materiaal te vinden dat niet van de voormalige bezetter afkomstig is. Anders gezegd, zo goed als bijna alles van dat ‘slecht volk’ is vergeten, verdwenen, vernietigd, weggestopt, bizar genoeg soms ook door dat volk zelf.

Een van de bekendste Nederlandse voorbeelden van dit laatste is het in het Latijn geschreven boek van Jacobus Elisa Capitein uit 1740. Capitein was het zoontje van een slavin, afkomstig van de Ivoorkust. Hij werd op achtjarige leeftijd gekocht door een Nederlandse zeevaarder die het kind aan een koopman van de West-Indische Compagnie schonk. Deze nam hem mee naar Nederland, gaf hem de (beroeps)naam van zijn schenker, liet hem dopen en stuurde hem naar school. Daar bleek de jongen zo leergierig en talentvol dat hij in Leiden theologie kon studeren en vermoedelijk de eerste zwarte predikant ooit werd.

Capitein kwam zelfs zo ver dat hij promoveerde, op geen minder onderwerp dan slavernij. Maar anders dan je zou verwachten verdedigde hij het fenomeen en beweerde op bijbelse gronden dat zelfs een bekeerling slaaf kon zijn. Vanzelfsprekend klonk deze mening uit onverwachte hoek de heren van de WIC als muziek in de oren, met als gevolg dat zij Capitein op zijn geboortegrond een aanstelling als dominee bezorgden. Het werd geen succes, hij overleed jong maar daar gaat het niet om. Wel om het feit dat de eerste zwarte stem over een van Nederlands zwartste bladzijden gesmoord was: in wit.

Spreken over Nederlands kolonialisme is in negen van de tien gevallen spreken over Nederlands-Indië. Dat is begrijpelijk. Wie een kaartje bekijkt van de plekken waar Nederland in de loop van de tijd koloniën heeft bezeten, ziet in één oogopslag dat het begrip ‘bezit’ in de meeste gevallen overdreven is: het waren geen koloniën maar handelsposten en als er al sprake was van gebiedsbeheersing, dan toch hoogstens van een strookje land aan de kust, zelden meer dan een fort. Bovendien duurde het bezit van zo’n strookje of fort meestal kort. De belangrijkste uitzondering hierop is Nederlands-Indië. Na de Franse tijd, dus sinds het begin van de negentiende eeuw, was dit ook een van de weinige koloniën die overbleef. De andere waren de Nederlandse Antillen, Suriname en, tot 1872, wat stukjes Goudkust, met name het al genoemde Fort Elmina.

Terwijl het verhaal van het Nederlands kolonialisme grotendeels het verhaal is van de toenemende beheersing van Nederlands-Indië bleef de macht in Suriname beperkt tot een flinke lap grond aan de kust. Waren grote delen van Nederlands-Indië al behoorlijk ondoordringbaar, de binnenlanden van Suriname waren welhaast onbereikbaar. Dit is het best af te lezen aan het prachtige boek van de Schotse Nederlander John Gabriel Stedman: Narrative, of a five years’ expedition, against the revolted Negroes of Surinam enz.

Hoewel Stedman tot taak had gevluchte slaven te bestrijden, was hij vol mededogen en onderhield zelfs een even romantische als dramatische relatie met een slavin. Hij verwekte bij haar ook een kind. Zijn boek opent met dat mededogen en wel op een fraaie prent die de auteur zelf uitbeeldt, wijzend op een slaaf die hij zojuist naar de andere wereld heeft geholpen. Hierbij kijkt Stedman geenszins triomfantelijk. Integendeel. Hij oogt verdrietig. Het wordt verklaard in de dichtregels onder het plaatje.

From different Parents, different Climates we came
At different Periods; Fate still rules the same.
Unhappy Youth while bleeding on the ground,
’t Was Yours to fall – but Mine to feel the wound.

Het is zeer wel denkbaar dat Stedmans mededogen mede ingegeven werd door de uitzonderlijk slechte wijze waarop Surinaamse slaven behandeld werden. Dat althans is het verhaal dat tot op de dag vandaag de ronde doet. Het is moeilijk te zeggen of het klopt (zie 1991). Wel te achterhalen daarentegen zijn de bronnen van dit verhaal. De ene is Voltaire’s Candide. Hierin doet de hoofdpersoon, op reis door de wereld, ook Suriname aan. Maar het eerste wat hij bij aankomst ziet is ‘een neger’ die zowel een arm als een been mist. ‘Wat is er met je?’ vraagt Candide. Volgt het verhaal van het brute optreden van ’s mans Nederlandse meester die gedaan had wat alle Nederlanders in Suriname met hun slaven zouden doen: geselen, lichaamsdelen afhakken, ondervoed houden, zich dood laten werken. Candide kan het haast niet geloven maar heeft het bewijs voor ogen en schiet vol, ‘Et en pleurant il entra dans Surinam’, huilend gaat hij Suriname binnen.

De andere bron zijn de even ‘mooie’ als weerzinwekkende prenten die William Blake bij het boek van Stedman maakte, met name die van een slaaf die aan een vleeshaak aan de galg hangt. De prent wordt sinds lang steeds weer afgedrukt.

“Flagellation of a Female Samboe Slave", gravure van William Blake naar tekening van John Gabriël Stedman in zijn boek Narrative of a five years’ expedition against the revolted Negroes of Surinam, uitgegeven in London in 1796 © The William Blake Archive

Vanaf de Verlichting, de Franse Revolutie en, belangrijker, de vrijheidsoorlogen in Noord-, Zuid- en Midden-Amerika neemt de kritiek op het kolonialisme en zijn nevenverschijnselen, slavernij voorop, toe. In zoverre past het verhaal van Stedman perfect in het plaatje. Hij was dan ook niet de enige die rond het jaar 1800 door mededogen bewogen werd. In nog veel sterkere mate is dat het geval bij een man die in de jaren zestig van de achttiende eeuw als kind met zijn ouders uit Duitsland kwam omdat zijn vader een baan als chirurgijn bij de VOC kreeg: Jacob Haafner (1754-1809).

Al op zijn twaalfde voer Jacob ook zelf mee, verloor onderweg zijn vader en arriveerde alleen in Batavia. Daarna volgden de avonturen elkaar op maar dat is niet waarom Haafner nagedachtenis verdient. Dat is omdat hij niet alleen de eerste of een van de eersten is geweest die algemene kritiek op het (Nederlandse) kolonialisme te berde bracht, dat is ook omdat hij van alle Nederlandse critici een van de felste was. De belangrijkste verklaring hiervoor is dat hij een radicaal verlicht standpunt innam en ‘alle mensen, van wat verwe, natie en godsdienst zij ook mogen zijn’, als ‘medemensen en broeders’ beschouwde. Ook zag Haafner in dat de superioriteit van westerlingen niets met innerlijkheid (‘beschaving’) te maken had, integendeel wellicht. Om het te zeggen met een uitdrukking van latere datum: ‘Het verschil tussen Nederlanders en inlanders is het repeteergeweer.’

Uitgaande van deze principes publiceerde Haafner een handvol reisverhalen en, als inzending van een prijsvraag, een Onderzoek naar het nut der zendelingen en zendelings-genootschappen. Vooral dit laatste geschrift baarde nogal wat opzien. Ewald Vanvugt noemt het in Roofstaat (zie 2016) het ‘felste anti-koloniale boek van Nederland’. ‘Ik schroom niet te zeggen’, schrijft Haafner vrij aan het eind ervan, ‘dat (eenige weinige brave lieden uitgezonderd) de Europeërs in de Indiën uit niet anders dan uit een hoop geweldenaars en roovers bestaan… Niets is hun heilig, voor niets staan zij, alles zullen zij ondernemen, om maar hunne zakken te kunnen vullen.’ Zo gaat hij nog even door en stelt vervolgens wat het ergste van al is: dat dit gespuis ondertussen ook nog vrome praatjes verkoopt. ‘Zag men ooit zulk eene tegenstrijdigheid? Zulk eene huichelarij? Zulk eene openbare bespotting van God en Godsdienst?’

Dat rond 1800 de kritiek op kolonialisme en slavernij toenam, is weer slechts de helft van het verhaal: de vanuit huidig perspectief gezien goede helft. De andere helft vertelt precies het tegenovergestelde: dat het kolonialisme vanaf het begin van de negentiende eeuw in een nieuwe, voor de autochtone bevolking beslist niet betere fase geraakte. De belangrijkste verklaring hiervoor is dat de organisatie van het koloniaal bestuur efficiënter werd. Vandaar ook dat de communicatie tussen de koloniën en het moederland evenals die binnen de koloniën zelf (de door Daendels aangelegde Grote Postweg op Java bijvoorbeeld) sterk verbeterde.

Mede door de industriële revolutie nam het Westen een enorme technologische voorsprong. Tegelijkertijd groeide de behoefte aan grondstoffen en producten terwijl de koloniën ook nog eens dienden als afzetmarkt. Gevolg was dat niet alleen de mogelijkheden maar ook de behoefte aan beheersing enorm toenamen. Maar dit alles begon vanzelfsprekend met inzicht, overzicht, planning. Vandaar de betekenis van het geschrift dat Johannes van den Bosch, eerst gouverneur-generaal van Nederlands-Indië tussen 1830 en 1833 en daarna minister van Koloniën, in 1818 het licht deed zien. Het is vermoedelijk de meest volledige inventarisatie van Nederlands koloniaal bezit tot dan toe, met niet alleen uitvoerige beschrijvingen maar ook met cijfers, berekeningen en planningen.

Met betrekking tot Nederlands-Indië, Java zoals altijd voorop, leidde dit tot wat bekend staat als Van den Bosch’ belangrijkste nalatenschap: het Cultuurstelsel. Multatuli had daarvoor een heldere omschrijving: ‘Niets is dus gewoner dan dat honderden huisgezinnen van verren afstand worden opgeroepen om zonder betaling velden te bewerken, die den Regent toebehoren. Niets is gewoner dan het onbetaald verstrekken van levensmiddelen ten behoeve der hofhouding van den Regent. En wanneer die Regent een gevallig oog mocht slaan op het paard, den buffel, de dochter, de vrouw, van den geringen man, zou men het ongehoord vinden, als deze den onvoorwaardelyken afstand van het begeerd voorwerp weigerde.’

De rechtvaardiging voor Nederlands bezittingen in oost, west en het midden van de wereld rust voor Van den Bosch op twee heldere, onbetwijfelbare principes. Het eerste is de inferioriteit van de niet-Europese mens (zie ook 1724-26 en 1742): ‘snel is bij den onbeschaafden mensch doorgaans de overgang van volstrekte begeerteloosheid tot eene hevige neiging, tot den geweldigsten hartstogt, en deze doet hem alras toevlugt nemen tot daden van geweld, of ook tot list, waar de physieke krachten tot het eerste te kort schieten’. Het tweede principe is de beschavende werking van de Europeaan (zie 1901). ‘Alom, waar dit [Europees] gezag toereikend is geweest, om de hoofden der eilanders naar billijker en regtvaardiger beginselen te doen handelen, heeft hetzelve eene kennelijke toenadering tot beginselen van rede, menschelijkheid en maatschappelijke orde, doen geboren worden.’

Op het moment dat het slavernijdebat internationaal een hoogtepunt bereikte – De hut van Oom Tom is van 1852 en in 1860 brak in de VS mede vanwege de slavernij een burgeroorlog uit – publiceerde de liberale politicus, dominee en Indië-kenner Wolter Robert van Hoëvell een boek dat doorgaat voor de uitvoerigste beschrijving van de ellendige toestand waarin de slaven van Suriname zich bevonden. Overigens – én belangrijk want vaak vergeten: twee jaar eerder had Van Hoevell een novelle gepubliceerd over de slavernij in Nederlands-Indië: Eene slaven-vendutie. Daar was de situatie in zijn ogen niet of nauwelijks beter.

Maar dit nieuwe boek gaat dus over Suriname en staat werkelijk boordevol vreselijke verhalen en opmerkingen die aan het denken zetten. Zoals de opening van het boek: ‘Nederland is een rijk land. Wandel langs de Heeren- en Keizersgracht van Amsterdam, en bewonder de prachtige gebouwen, die hunne tinnen fier verheffen. Elke woning is een paleis – maar de schatten, waardoor die paleizen werden opgetrokken, zijn voor een deel de uitgeperste levenssappen, het zweet en bloed van onder knellende geesselslagen zich krommende slaven.’ En even verder: ‘Suriname is door de natuur gevormd tot een der schoonste, rijkste en gelukkigste plekjes tusschen de keerkringen – maar het wordt door de menschen herschapen in een land van jammer en lijden, in een hel op aarde!’

‘Dat boek was niet geschreven om “mooi” te worden gevonden. het was ’n protest, een oproeping om my in m’n pogingen te steunen. Die mooivindery was ’n helsche valsheid van ’t christelyk Publiek. Het is nu twaalf jaar geleden dat ik myn protest tegen schurkery by de natie indiende, en wat is er gedaan ter verbetering? Niets, niets, niets! Integendeel!’ Aldus Multatuli in Idee 945.

Toch vond men Max Havelaar ‘mooi’. Terecht natuurlijk. Het is op alle mogelijke manieren – structuur, taal, speelsheid, raamvertellingen – een schitterend boek. En toch ligt de belangrijkste kracht ervan vermoedelijk in de noodzaak. Deze klinkt door op elke pagina en verklaart ook dat er in de Nederlandse literatuur nauwelijks of geen ander (goed) boek te bedenken is dat zo snel geschreven werd: in minder dan een maand en verder in nog een paar weken voor het overschrijven in schoonschrift, net zo lang tot de ogen van de auteur ontstoken waren.

Ook de periode waarop Max Havelaar betrekking heeft, is kort: niet meer dan een paar maanden (januari-april 1856). Slechts zo kort was Eduard Douwes Dekker in Lebak (Bantam, Zuid-Oost-Java) als assistent-resident werkzaam. In deze positie had hij onder meer tot taak de bevolking tegen uitbuiting te beschermen. Zo probeerde hij, tevergeefs.

Interessant vanuit de huidige opvatting over kolonialisme is dat Multatuli’s klacht in eerste instantie niet zijn landgenoten maar de plaatselijke hoofden gold. Zij waren het die de bevolking tot op het bot uitzogen. Maar aan dat uitzuigen lag wel een Nederlandse politiek ten grondslag: het Cultuurstelsel (zie 1818). Met dit stelsel schoven de Nederlanders het werk en de verantwoordelijkheid af op anderen. Zij, die hoofden, moesten dus niet alleen de kolen uit het vuur halen maar leken ook verantwoordelijk.

Precies dit verklaart dat het wel eens gebeurde dat Indonesische vrijheidsstrijders het Nederlands gezag steunden. Zij meenden dat het hen beschermde tegen uitbuiting door de eigen bevolking. Een bekend voorbeeld hiervan is de man die ‘groot’ werd gemaakt door de Buru-tetralogie van Pramoedya Ananta Toer en tegenwoordig bekend staat als ‘de eerste Indonesische journalist’, Tirto Adhi Soerjo (1880-1918). Hoewel Tirto tot de Javaanse adel behoorde, gold zijn voornaamste verzet diezelfde adel en steunde hij, vreemd maar waar, zelfs een van Nederlands grootste bloedjassen in de Oost, Jo van Heutsz (zie 1893).

Zo ver was het in het jaar dat Max Havelaar verscheen nog niet. Wél is het zo dat dit boek op beslissende wijze bijdroeg aan een sfeer die kritiek op het systeem bon ton maakte. Zo bezien bereikte Multatuli niet alleen zijn doel maar kreeg ook gelijk. Vele passages uit Max Havelaar getuigen daarvan. Daaronder de volgende, uit het laatste hoofdstuk.

Ik wil gelezen worden. Ja, ik wil gelezen worden! Ik wil gelezen worden door staatslieden, die verplicht zyn te letten op de teekenen des tyds… door letterkundigen, die toch ook eens ’t boek moeten inzien waarvan men zooveel kwaads spreekt… door handelaren… kameniers… Gouverneurs-generaal in-ruste…, Ministers in bezigheid, door lakeien van die Excellentien… door bidpredikers… Ja, ik zal gelezen worden!

Als dit doel bereikt wordt, zal ik tevreden zyn. Want het was me niet te doen om goed te schryven… ik wilde zóó schryven dat het gehoord werd. En, even als iemand [die] roept… Het boek is bont… er is geen geleidelykheid in… jacht op effekt… de styl is slecht… de schryver is onbedreven… geen talent… geen methode…
Goed, goed, alles goed! Maar… DE JAVAAN WORDT MISHANDELD!
Want: wederlegging der HOOFDSTREKKING van myn werk is onmogelyk!

Eind 1892, begin 1893 schreef Joannes Benedictus van Heutsz, op dat moment in de rang van majoor garnizoenscommandant in Batavia, in het Indisch Militair Tijdschrift een driedelig artikel dat spoedig ook als boekje verscheen. Hierin vroeg hij zich af wat er moest gebeuren om Atjeh, het noordelijk deel van Sumatra, te onderwerpen. ‘Het zal nu weldra 20 jaren zijn, dat Nederland den oorlog met Atjeh begon’, aldus de opening, ‘en nog altijd kan men aan het telkens veranderen van stelsel duidelijk zien, dat de Regeering den juisten weg nog niet weet aan te geven, die tot de volkomen onderwerping van dat rijk leiden moet. Dat is treurig! Waaraan moet dit geweten worden?’

Wat volgt is een geschiedenis van Atjeh, een analyse van het bestuur en enkele militaire beschouwingen. De bedoeling is duidelijk en staat zelfs al op het omslag: ‘De Atjeh-oorlog knaagt aan ons koloniaal bezit, hij moet eindigen. Laten wij eindelijk aan de beschaafde wereld toonen, dat wij daartoe in staat zijn.’ Na veel omhaal eindigde het boekje met de stelling wat daarvoor nodig was: ‘Een man van karakter en groote individualiteit, tevens begaafd met een helder verstand, een juisten blik en snelheid van beraad, beleidvol troepen-aanvoerder zoowel als krachtig bestuurder, een man, die onverzettelijk naar vaste door de Regeering voor te schrijven beginselen onwrikbaar op het doel afgaat en die er ten diepste van overtuigd is, dat de Atjehers zich nooit anders dan gedwongen zullen onderwerpen en dat slechts hij, die toont de macht te bezitten om zijn wil te doen eerbiedigen, de meester zal zijn, aan wiens bevelen zij zullen gehoorzamen.’

Een open sollicitatie zouden wij zoiets tegenwoordig noemen en een benoeming volgde dan ook, zij het dat nog wel vijf jaar verstreken. Het succes kwam vervolgens eveneens. Dat daarbij duizenden Atjehers sneuvelden, werd gezien als niet meer dan collateral damage.

Opmerkelijk aan zowel de visie als het daadwerkelijk optreden van Van Heutsz is de steun die hij daarbij genoot van Christiaan Snouck Hurgronje (zie 1923). Meer nog, zonder Snouck zou Van Heutsz het nooit zo ver geschopt hebben. Snouck werd alom gezien als de man die het best wist hoe met de Indonesische bevolking om te gaan. Hard, keihard meende ook hij in het geval van Atjeh. ‘Het zeer gevoelig slaan, zoodat vrees de Atjehers weerhoudt van de gevaarlijke aansluiting aan de bendehoofden, is een conditio sine qua non voor het herstel der rust’, schreef hij in het onderzoek dat ten grondslag lag aan de nieuwe Atjeh-politiek. Zo gebeurde, dat slaan, door Van Heutsz. Overigens, dat Snouck dacht zoals hij dacht, mag de 21ste-eeuwer, gepokt en gemazeld door de anti-islampropaganda, niet verbazen. Hij was ervan overtuigd dat arrogantie en fanatisme in de islam hand in hand gingen. ‘Redeneering, opvoeding en wat dies meer zij [krijgen] eerst dan vat op Mohammedaansche laatdunkendheid, wanneer ze zich geplaatst ziet tegen onwrikbare overmacht.’

generaal Van Heutsz tijdens een gevecht in Nederlands-Indië, 1901 © Collectie KITLV, Leiden

Het gewelddadige dieptepunt van het Nederlandse optreden in Nederlands-Indië was tegelijkertijd het keerpunt. Multatuli en zijn medestanders gaven halverwege de negentiende eeuw het startschot, hun spoor werd in de decennia daarna door steeds meer mensen gevolgd. Het gelijk van de critici werd des te duidelijker doordat op datzelfde moment van alle kanten berichten doordrongen over ontoelaatbare toestanden: in Atjeh onder Van Heutsz en Colijn dus en, getuige het boek De miljoenen van Deli van de Nederlandse advocaat J. van den Brand en het daarop gebaseerde Rhemrev-rapport uit 1904 (zie 1987), in heel Nederlands-Indië onder koelies. Onder zoveel beroering gingen steeds meer stemmen op voor een andere vorm van optreden – nog maar zelden voor onafhankelijkheid overigens. Veelal worden die stemmen samengevat als ‘ethische politiek’. In de Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië uit 1918 wordt deze omschreven als ‘eerlijk, onbaatzuchtig bestuursbeleid door het moederland in het belang van land en volk der kolonie gevoerd’.

Een van de eerste geschriften waarin een ethische politiek wordt bepleit is een artikel in De Gids van 1899 van Indiëganger en liberaal politicus C.Th. (‘Coen’) van Deventer: ‘Een ereschuld’. Van Deventer pleit ervoor de in Indië gemaakte winsten te gebruiken voor de ontwikkeling van het land zelf. De ook in Nederlands-Indië actieve jurist, schrijver en journalist Pieter Brooshooft verwijst er in zijn grondleggende boek over De ethische koers in de koloniale politiek steeds weer naar. Onder meer op basis van het werk van Van Deventer komt hij aan het eind van zijn tekst met een lange lijst eisen. Daarin gebruikt ook hij het begrip ereschuld. Nederland heeft in Nederlands-Indië iets in te lossen. En dat iets laat zich slechts betalen in klinkende munt. ‘Dat dus, om Indië te genezen van zijn ver gevorderd verval van krachten, door Nederland een daad van onrechtsherstel, d.i. teruggave van een deel der aan Indië ontnomen miljoenen, moet worden volbracht, is onbetwistbaar. Geen onpartijdig man, die Indië kent, twijfelt daaraan.’

Volgens sommigen, met name politici en intellectuelen uit Nederlands-Indië zelf, gingen ethische politiek en rechtsherstel lang niet ver genoeg. Een van de meest spraakmakende van hen was de Indisch-Nederlandse journalist en neef van Multatuli (kleinzoon van zijn broer Jan) Ernest Douwes Dekker, veelal D.D. of Nes, later Danoedirdja Setiaboeddhi genoemd. Als aanzet tot zijn politieke denkbeelden publiceerde hij in 1910 in De Beweging een artikel over het Indiaas nationalisme. Dit had D.D. leren kennen tijdens een ontmoeting in Parijs met een van de grote mannen van de Indiase revolutionaire beweging, Shyamji Krishna Varma. Diens denkbeelden vatte hij in het artikel als volgt samen: ‘dat de geheele eigendom van het overheerschte land, moreel en materieel, van de hoogte der zon tot de diepte der aardingewanden, van rechtswege toekomt aan het overheerschte volk; dat dit, en niemand anders dan dit, is de eigenaar van den grond en de wettenmaker van het land; dat alle wetten van nul en geener waarde zijn, die niet door het volk zijn gemaakt; dat alle grondsafstand onwettig is, tenzij gedaan en goedgekeurd door dit volk; en dat dit volle recht van eigendom kan en moet worden verzekerd, en mag worden afgedwongen met alle middelen, die de goddelijke macht gesteld heeft in de macht der menschen’.

Over Nederland en zijn koloniën heeft Douwes Dekker het in dit artikel niet, op één opmerking na: ‘Voor Holland met het oog op de koloniale belangen in Achter Azië, nemen de dingen in het naburige britsche bezit een niet bepaald gunstig te noemen keer. In dit speciale opzicht is er voor hen, die in de koloniale zaak belangstellen, alle aanleiding de staatkundige ontwikkeling ginds aandachtig te volgen.’

De twee passages tezamen vormen het programma waaraan Multatuli’s neef zijn leven en werk zou besteden. Zo had hij kort vóór dit artikel een roman gepubliceerd waarmee hij in zekere zin met Max Havelaar probeerde te rivaliseren: Het boek van Siman den Javaan: Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid. Hierin worden allerlei misstanden op de landerijen in West-Java beschreven. Maar fictie was niet Douwes Dekkers grootste kracht. Hij was beter in pamfletten en schreef er dan ook vele, in kranten, tijdschriften en zelfstandig.

Vanwege deze opruiende literatuur werd hij talloze keren gevangen gezet, verbannen en vervolgd. Met dit alles gaf hij een krachtige impuls aan het Indonesisch nationalisme. Tegelijkertijd bleef hij binnen dit nationalisme als Indo-Europeaan toch een vreemde en nooit volledig aanvaarde figuur. Aan het eind van zijn leven en tijdens de Tweede Politionele Actie werd D.D. voor het laatst gearresteerd. Lang duurde zijn detentie deze keer niet. Hij was te oud en te ziek. Wel maakte hij nog net de Indonesische onafhankelijkheid mee. Kort daarna stierf hij.

In 1923 publiceerde Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936), alom gezien als een van Nederlands grootste arabisten en islamologen, een opmerkelijk stuk in De Gids. Daarin haalt hij herinneringen op aan zijn oude vriend Moehamad Arsjad, schriftgeleerde, bedevaartganger en panghoeloe, dat wil zeggen: hoofd van een moskee. In die functie trad Arsjad ook op als rechter en adviseur van de Landraad. Hurgronje had hem in 1884 in Mekka leren kennen en zag hem in 1889 in Batavia terug. Maar toen zat Arsjad in de gevangenis, verdacht van betrokkenheid bij de destijds in de media uitentreuren besproken ‘Tjilegonsche gruwelen’, dat wil zeggen een opstand in 1888 in de residentie Bantam, in het uiterste westen van Java, waarbij assistent-resident Johan Gubbels, zijn gezin en enkele anderen werden vermoord. De Nederlanders grepen hard in, doodden tal van betrokkenen, hingen elf aanvoerders op en verbanden allen die op de achtergrond een rol gespeeld zouden hebben. Een van hen was Arsjad. Snouck geloofde er niets van dat zijn aardige en rustige vriend bij dergelijke gruwelen betrokken was. Maar hij was evenmin in staat hem te helpen.

Oost-Indiëvaarder, Jan Brandes, 1785 © Rijksmuseum Amsterdam

Ondertussen werd alom gediscussieerd over de juiste politieke lijn, om te beginnen in Atjeh (zie 1893). Wat betreft deze provincie stond ook Snouck een harde lijn voor en hij was dan ook degene die ervoor zorgde dat Van Heutsz ter plekke aangesteld werd (zie 1893). Maar de samenwerking tussen de twee mannen steunde op twee onverenigbare pijlers. Volgens Snouck was hardheid een opmaat tot verlicht bestuur. Volgens Van Heutsz was zo’n bestuur uiteindelijk onhaalbaar. Een breuk kon niet uitblijven.

In 1906 keerde Snouck teleurgesteld naar Nederland terug en raakte van afstand almaar sterker overtuigd van het feit dat ‘wij’ het in Nederlands-Indië niet goed hadden gedaan – én deden. Het artikel Vergeten Jubilées over zijn oude vriend was een van de vele uitingen daarvan. ‘Het scheen wel, alsof alle feilen, waaraan ons koloniaal beleid der 19de eeuw leed, in Banten [Bantam] samengewerkt hadden om het Nederlandsche gezag voor dat gewest, in plaats van tot een zegen, tot een vloek te maken.’ En: ‘De tijd is meer dan rijp voor eene krachtige hervorming der staatsinrichting van Nederlandsch-Indië, waarbij in den kortst mogelijken tijd aan de inheemsche bevolking de grootst mogelijke mate van autonomie verleend wordt.’ Uit Snoucks pen was zo’n oordeel niets minder dan dynamiet.

Overzichtswerken van het Nederlandse koloniale verleden zijn er nauwelijks. Dat heeft z’n logica. Het onderwerp is groot, divers en complex. Geschiedschrijving in onze betekenis van het begrip bestond voor de negentiende eeuw niet en na de Tweede Wereldoorlog waren er nog maar weinig historici die zich aan zo’n avontuur waagden. De belangrijkste uitzondering in dit laatste geval is Jur van Goor, de latere (2015) biograaf van Jan Pieterszoon Coen. Hij publiceerde in 1994, op dat moment hoogleraar in Utrecht, een belangrijk overzichtswerk van Nederlands koloniaal verleden: De Nederlandse koloniën: Geschiedenis van de Nederlandse expansie 1600-1975. Het is vermoedelijk de laatste keer dat zo’n boek door één persoon geschreven werd. Modernere werken zijn nog maar zelden compilaties. Ze gaan veelal uit van een visie of hebben een duidelijk perspectief. Dat geldt voor dit boek nauwelijks. Het probeert zich zo veel mogelijk te beperken tot ‘de feiten’.

Dit geldt in nog veel sterkere mate voor het tot publicatie verwerkte collegedictaat van de vader van het Nederlands geschiedkundig archiefonderzoek, Herman Theodoor Colenbrander: de in 1925-1926 in drie delen gepubliceerde Koloniale geschiedenis. Deel 1 is een inleiding en gaat over het kolonialisme elders ter wereld, deel 2 en 3 gaan over de Nederlandse koloniën. Interessant aan dit werk is vooral de archivale, negentiende-eeuwse zekerheid waarmee het geschreven is. Ook is het op z’n minst verrassend te constateren dat het fenomeen ‘slavernij’ nauwelijks voorkomt en indien wel, terloops. Het woord slaven wordt vaker gebruikt maar in verreweg de meeste gevallen slechts gekoppeld aan aantallen. Tot slot wordt er meer aandacht besteed aan de vrijmaking dan aan de slavernij zelf. Het werk van Colenbrander kennende zou je kunnen stellen dat dit een weerspiegeling is van de bronnen.

Hetzelfde geldt voor andere onderwerpen in dit werk. Jan Pieterszoon Coen bijvoorbeeld – aan wie Colenbrander zijn laatste bronnenpublicatie wijdde (Jan Pietersz. Coen: Bescheiden omtrent zijn bedrijf in Indië, 1919-1934). Aan hem wijdt hij ook een van de eerste hoofdstukken van het deel van Koloniale geschiedenis dat over de Oost gaat en vertelt een typisch, negentiende-eeuws ‘en toen en toen’-verhaal. Dit verhaal bevat beslist niet alleen een lofzang. Het zet goed op een rij hoe er destijds, in Coens eigen tijd dus, tegen de man werd aangekeken. Dat was niet louter positief.

Verreweg de bekendste Nederlandse criticus van Nederlands koloniaal optreden is, vanzelfsprekend, Multatuli, maar er waren er velen meer. Ewald Vanvugt (zie 2016) schreef een kwart eeuw geleden over deze critici het boek Nestbevuilers en kwam daarin tot een totaal van ‘drie zeelieden, vier dominees, twee priesters, meer dan tien ambtenaren, drie militairen, zeker acht journalisten, meer dan tien schrijvers, tenminste zes geleerden, zes dichters en drie Tweede-Kamerleden… Er zijn maar twee vrouwen bij.’ 42 van de 54 ‘nestbevuilers’ hebben het over Nederlands-Indië, zes over Suriname, twee over het Nederlands kolonialisme in zijn algemeenheid en de paar resterende over iets anders. Van al deze verdient er minstens één nog extra aandacht en wel vanwege het bijzondere karakter van zijn documentatie.

Hendrik Freek Tillema (1870-1952), apotheker van beroep, was in Nederlands-Indië rijk geworden door de verkoop van flesjes mineraalwater. Dat kapitaal gebruikte hij om te pleiten voor een rechtvaardiger behandeling van Indonesiërs. Daartoe gaf hij boeken en rapporten uit, van hemzelf en anderen, én hij fotografeerde, duizenden en nog eens duizenden foto’s van allerlei aspecten van het leven en de mensen in de Nederlandse kolonie. Aanvankelijk had Tillema bijzondere aandacht voor het verschijnsel hygiëne – zijn kapitaal had hij tenslotte daaraan (gezond drinkwater) te danken en zijn eerste boekje, uit 1910, was dan ook getiteld Riooliana. Later verdiepte hij zich in tal van andere onderwerpen.

Een van zijn eerste grote projecten was Kromoblanda (letterlijk: gekleurd wit), zes boeken met veel informatie en talloze foto’s over Nederlands-Indië. Hij drukte ze in eigen beheer en zond ze naar spraakmakers. Na de uitgave – Tillema woonde op dat moment weer in Nederland – keerde hij naar Nederlands-Indië terug en maakte nog een handvol fraai geïllustreerde, goed geïnformeerde boeken en zelfs een film (Naar Apo Kajan – Apo Kayans zijn een van de Dajaks-volkeren) over het land. In deze trant is er veel, heel veel van hem maar het meest opmerkelijke zijn toch de foto’s. Daaruit spreekt duidelijk wat Tillema steeds weer verkondigde. Om het met de titel van een van zijn vroegere boeken te zeggen: Zonder tropengeen Europa (1926). Bedoeld is: als Europeanen er niet voor zorgen dat de rijkdom eerlijker verdeeld wordt en de mensen in de kolo-niën een beter leven hebben, zijn ze niet alleen onrechtvaardig maar ook dom.

Tillema was geen politiek dier, geen radicaal, geen barricadentype en zijn boodschap is dan ook heel wat rustiger en stiller dan die van, bijvoorbeeld, Multatuli, maar op de keper beschouwd ligt het verschil eerder in de vorm dan in de inhoud. Allen waren doordrongen van dezelfde gedachte: dat er geen wezenlijk verschil bestond tussen wij en zij; één wereld, duizend volkeren, naast elkaar (zie ook 2017). Elke vorm van kolonialisme was om die reden uit den boze.

Het heeft lang geduurd tot de Surinaamse schrijver en verzetsstrijder Anton de Kom een plekje veroverde in de publieke ruimte. In Suriname was hij al langer bekend, met als nadeel dat eenieder (voor- en tegenstanders van Bouterse bijvoorbeeld) hem voor zijn karretje probeerde te spannen. Maar in Nederland klinkt de naam toch pas een jaar of vijftien. Een eerste stap werd gezet met de onthulling van een standbeeld in de Bijlmer in 2006. Vervolgens werd De Kom steeds vaker genoemd, verscheen een grote biografie en voorzag het Amsterdamse Verzetsmuseum een lezingenreeks van zijn naam. De kroon op de ontwikkeling is recent: in juni 2020 werd De Kom toegevoegd aan de canon van Nederland. Zijn naam staat er te midden van zes andere wetenswaardigheden uit het koloniaal verleden: voc en wic, Michiel de Ruyter, slavernij, Max Havelaar, Indonesië en Caribisch gebied. Het is een vreemd allegaartje maar tegelijkertijd een veelzeggende erkenning: het Nederland van het trotse koloniale ooit is niet meer.

De Kom dankt zijn bekendheid vooral aan het boek dat hij, na een lange incubatietijd, in 1934 publiceerde: Wij slaven van Suriname. Waar je het ook opslaat, steeds spat dezelfde boodschap je tegemoet. ‘Wij hadden dit boek nog veel langer en nog veel grooter kunnen maken’, schrijft De Kom bijvoorbeeld aan het eind van het een-na-laatste hoofdstuk. ‘Wij doen het niet. Wij willen slechts één ding aantoonen: gekleurde landgenooten gij waart slaven, gij zult in armoede en ellende blijven leven, zoolang gij geen vertrouwen hebt in uwe eigen proletarische eenheid. Niet met hier en daar een grondje, een schop of ploeg op crediet zijn wij te helpen. Een groot plan van nationale reconstructie is noodig.’

De handelsloge van de VOC in Hougly in Bengalen, Hendrik van Schuylenburgh, 1665 © Rijksmuseum Amsterdam

In november 1941 verscheen onder redactie van Willem Henri van Helsdingen, koloniaal ambtenaar, voormalig burgemeester van Soerabaja en voorzitter van de zogenoemde Volksraad (een semi-parlementair adviesorgaan in Nederlands-Indië), een dik boek met een titel die tot op de dag van vandaag voor velen is als de rode lap voor de stier. Interessant aan die titel zijn twee dingen. Om te beginnen de oorsprong ervan. Het zijn de laatste woorden van een oproep uit september 1618 van Jan Pieterszoon Coen aan de Heeren XVII van de voc: ‘dispereert niet… want daer can in Indien wat groots verricht worden’. Van Helsdingen en zijn vele mede-auteurs bevestigden dat dus met de titel van dit boek en zij deden dat nog eens extra door de plaatsing van een accent op het woordje ‘werd’ en puntjes aan het eind van de titel: de voorspelling van Coen was uitgekomen!

In de prospectus van het boek werd ditzelfde anders geformuleerd: ‘Wij hebben Indië ontgonnen als geen tweede land ter wereld; wij hebben er vrede en welvaart gebracht, de bevolking is onder onze leiding op Java vertienvoudigd, Indië is geworden een der eerste productielanden der Aarde. Met fierheid kunnen wij wijzen op hetgeen wij in Indië hebben tot stand gebracht.’

Je zou denken – 1941, Nederland in Duitse handen, Nederlands-Indië nog vrij – dat dit boek van Van Helsdingen een fraai staaltje nationaal-socialistische retoriek bevat. Zo is het niet. Er werkten auteurs van allerlei richting aan mee – de conservatief Gerretson, de sociaal-democraat Tinbergen, de katholiek Brom, de neutrale, links georiënteerde historicus Kernkamp – en het geheel is dan ook vooral een goede momentopname van de visie van spraakmakend Nederland aan de vooravond van de dekolonisatie. Dat deze visie bij het publiek in goede aarde viel, blijkt uit het feit dat dit boek langdurig op de bestsellerslijstjes stond en tijdelijk, in het voorjaar van 1942, zelfs het meest verkochte boek uit de oorlogsjaren, Hollands Glorie van Jan den Hartog, van de eerste plaats verdrong.

Daar wèrd wat groots verricht… gaat over zo’n beetje alle aspecten van de Nederlands-Indische samenleving: land, bevolking, cultuur, geschiedenis, pers, bestuur – geen onderwerp blijft onbesproken en telkens werden de besten aangezocht om dat te doen. Maar hoe veelzijdig ook, over de teneur van het geheel is geen twijfel. Weliswaar erkent Van Helsdingen in zijn slotwoord ‘dat fouten werden gemaakt en onze politiek meermalen een tasten, ook een mistasten was’, Coens woorden hadden voorspellende waarde gehad.

Weinig wetenschappers personifiëren zo sterk de breuk in Nederlands omgang met het koloniaal verleden als Willem Frederik Wertheim, geboren in 1907 in Sint-Petersburg, gestorven in 1998 in Wageningen en in zijn tijd, de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw, een spraakmakend vertegenwoordiger van de linkse, Amsterdamse intelligentsia. In deze positie zette hij tallozen op het spoor dat op dit moment binnen en buiten de academische wereld dominant is: van principieel en radicaal antikolonialisme.

Wertheim is vooral zo’n interessante figuur omdat hij, net als Multatuli en het merendeel van zijn kritische voorgangers, zijn loopbaan begon als koloniaal. Als jong jurist uit Leiden belandde hij in de jaren dertig in Nederlands-Indië, werkte eerst in de praktijk, vervolgens op het departement van Justitie in Batavia en uiteindelijk, vanaf 1936, nog pas 28 jaar oud, als hoogleraar aan de plaatselijke Rechtshogeschool. Hier ontmoette hij jonge Indonesische en Chinese intellectuelen, verdiepte zich in de rechtsongelijkheid in het land en kreeg zicht op de armoede van de inheemse bevolking. Daarmee maakte de vanzelfsprekendheid waarin hij was opgegroeid plaats voor twijfel en die twijfel voor ergernis, woede, overtuiging en radicaal verzet. Gevolg hiervan – en van de ervaringen in Japanse gevangenschap – was dat Wertheim zich meteen na de bevrijding en terugkeer naar Nederland sterk maakte voor Indonesische onafhankelijkheid.

Dat werd hem niet in dank afgenomen en het betekende dat een eventuele benoeming aan de Universiteit van Leiden, sinds lang een bolwerk van het klassieke koloniale denken, aan zijn neus voorbij ging. Maar Amsterdam en dan met name de spoedig fameuze ‘Zevende’ (Politiek-Sociale) Faculteit bood uitkomst. Op voorspraak van historicus Jan Romein kreeg Wertheim hier in 1947 een aanstelling in de geschiedenis en sociologie van Indonesië. Het was het begin van een intellectuele revolte. De kern ervan was afstand van de klassieke oriëntalistiek en toenadering tot een onderzoeksgebied dat tot dan toe, zeker in Nederland, ongekend was: sociologisch en gericht op onderste lagen van de samenleving; kritisch ten opzichte van de bronnen en gelouterde verhalen; én met een activistische ondertoon, dat wil zeggen bewust van het feit dat wetenschap niet waardevrij is maar onderdeel van een systeem dat kan – én moet – veranderen. Voor Wertheim was dat systeem de koloniale werkelijkheid zoals die eeuwenlang in Indonesië en elders in de spoedig zogenoemde Derde Wereld had bestaan.

Na een bezoek aan Indonesië en China in de jaren vijftig radicaliseerde Wertheim nog verder, vooral omdat hij ervan overtuigd raakte dat zich in China een wonder voltrok. Hij schreef dat in 1958 ook letterlijk in De Nieuwe Stem. ‘In een Aziatische wereld waar de grote massa een animaal bestaan leidde aan de rand van de bestaansmogelijkheid, vindt hij [de Chinees] voor het eerst iets van menselijke waardigheid… Het nieuwe China zal niet langer “het Hemelse Rijk” mogen heten. Het wonder is teruggebracht naar de aarde.’

Gevolg van dit inzicht was een door Wertheim zelfgekozen verruiming van zijn studieopdracht en uitbreiding van het te onderzoeken gebied, eerst van Zuidoost-Azië naar Zuid- en Zuidoost-Azië en vervolgens naar zo’n beetje geheel de niet-westerse wereld. Niet-westerse sociologie werd zijn vakgebied spoedig genoemd. Hiertoe zetelde Wertheim in een vleugel van het imposante gebouw dat in 1926 in Amsterdam geopend was, het Koninklijk Instituut voor de Tropen, tegenwoordig vooral bekend als Tropenmuseum, met in de gangen de portretten van de groten uit het Nederlandse koloniaal verleden: Jan Pieterszoon Coen, Johannes van den Bosch en anderen. Heel het gebouw plus inrichting straalde trots uit: op Nederland, op het verleden, op ‘onze’ koloniën. Met een groeiend groepje medestanders en leerlingen was Wertheim een diametraal tegenovergestelde mening toegedaan. Niet trots maar schaamte, én verantwoordelijkheid, zou de geëigende houding zijn.

Het duurde tot de studentenrevoltes van het eind van de jaren zestig, de ontknoping van het Vietnamees debacle en het aantreden van Joop den Uyl dat de intellectuele balans in het voordeel van Wertheim begon door te slaan. Toen ook publiceerde hij het boek dat veelal als zijn magnum opus wordt gezien. Het verscheen onder verschillende titels en ook in het Engels: De lange mars der emancipatie, ook wel Evolutie en revolutie. Wertheim verkondigde dat een radicale verandering in de mondiale verhoudingen niet kon uitblijven. Tegelijkertijd beweerde hij dat het zeer de vraag was of zo’n verandering gebaat was bij geleidelijkheid – evolutie. In de twijfel school het antwoord. ‘Waar het pad naar evolutionaire ontwikkeling gestremd is, lijkt revolutie het enig bruikbare alternatief te worden’, staat in de inleiding bij het derde deel van de vierde editie (1977).

Bij nader inzien is het onmiskenbaar dat Wertheim zich zowel in zijn mening over de gang der mensheid als in zijn oordeel over het Chinese ‘experiment’ onherstelbaar vergiste. Vandaar ook dat hij eigenlijk zo goed als vergeten is. Tegelijkertijd lijdt het geen twijfel dat hij tallozen op het spoor zette dat sindsdien almaar breder is geworden en dat, afgezien van de marxistische en maoïstische connotaties, op dit moment zoiets als de hoofdweg van het denken over het westers koloniaal verleden vormt. Een van de illustraties hiervan is dat een spraakmakend onderzoeker van dat verleden uit de huidige generatie, Remco Raben, op zijn werklijst een biografie van Wertheim heeft staan.

Gravure van William Blake naar een tekening van John Gabriël Stedman uit zijn boek Narrative of a five years’ expedition against the revolted negroes of Surinam, 1996 © The William Blake Archive

In dezelfde jaren dat Wertheim de fundamenten van het Nederlandse koloniale denken ondergroef, organiseerde het Nederlands Historisch Genootschap een congres over ‘de Nederlandse expansie in Indonesië in de tijd van het moderne imperialisme 1870-1914’. Die titel was slim, en bewust, gekozen want suggereert dat Nederland aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog wel hetzelfde gedaan had als andere Europese landen (‘expanderen’) maar wellicht toch anders was geweest: niet imperialistisch. Dat inzicht spoorde met oude opvattingen, in het bijzonder met de sinds lang bestaande gedachte dat Nederland in tegenstelling tot met name Spanje, Engeland en Frankrijk geen ‘imperiaal’ verleden heeft.

Een opmerkelijke illustratie van deze gedachte is dat het Nederlands eigenlijk ook geen woord kent voor wat in andere talen Reich, imperio of empire wordt genoemd. In de literatuur komen begrippen voor als overzeese gebiedsdelen, koloniën, gezag, mogendheid maar niet zoiets als wat feitelijk en gevoelsmatig bedoeld wordt met imperium. De Nederlandse equivalenten daarvan zijn verhullender – hypocrieter zouden wij tegenwoordig zeggen, net zoals ‘politionele actie’ en ‘excessen’ (Fasseurs Excessennota uit 1969) hypocriete varianten zijn van militair ingrijpen en structureel geweld. Beroemd in dit verband zijn de tirades van de grote voorman van de Antirevolutionairen, Abraham Kuyper. Tijdens zijn premierschap en de Tweede Boerenoorlog, in de eerste jaren van de twintigste eeuw dus, beweerde hij dat het ‘de ongerijmdheid zelve’ was te stellen dat het optreden van de Nederlanders in Atjeh te vergelijken zou zijn met dat van de Engelsen in Zuid-Afrika. Nederland was een kleine natie en deed dus niet aan machtspolitiek. Om dezelfde reden was Nederland een ethische natie. Ethiek en machtspolitiek konden volgens Kuyper niet samengaan. Kortom, van Nederlands imperialisme kon geen sprake zijn.

Daar dachten sommige sprekers op dat congres van het Historisch Genootschap uit 1970 toch enigszins anders over. Een van hen was B.W. (‘Bert’) Schaper, op dat moment hoogleraar algemene geschiedenis in Leiden en afkomstig uit een rood nest. Zijn vader, Jan, was een van de oprichters van de sdap. Conform deze traditie weigerde Schaper traditionele overtuigingen te eerbiedigen en sprak daarom wél van Nederlands imperialisme – reluctant, voegde hij eraan toe, weigerachtig. De voorzitter van het congres, collega Theo van Tijn uit Utrecht, was minder voorzichtig. Hij gebruikte het begrip voor alle fases van Nederlands koloniaal verleden, óók die van vóór 1870 dus. ‘Ik onderscheid drie stadia: dat van het informele imperialisme of “imperialism of free trade”, voorts dat van “reluctant imperialism”, en ten derde het stadium van het bewust gewilde imperialisme.’

Het is een indeling die overeenkomt met andere, ook die waarin het begrip imperialisme liever vermeden wordt. Want in de drieënhalve eeuw van Nederlands koloniale activiteit zouden, tal van kanttekeningen terzijde, steeds weer drie fases onderscheiden worden: die van het mercantilisme (tot ca. 1800), die van het (industrieel) kapitalisme (tot ca. 1870) en die van het imperialisme (tot de Tweede Wereldoorlog).

Toch duurde het na het congres uit 1970 nog vijftien jaar tot het begrip imperialisme als onderdeel van Nederlands koloniaal verleden verankerd werd. Dat gebeurde in de spraakmakende dissertatie van Maarten Kuitenbrouwer uit 1985, Nederland en de opkomst van het moderne imperialisme: Koloniën en koloniale politiek 1870-1902. Sindsdien kent ook Nederland een imperialisme-debat, met in de jaren steeds meer ‘voorstanders’ van de gedachte dat Nederland en de Nederlanders vooral bedreven zijn geweest in het verhullen van een rauwe ‘imperialistische’ werkelijkheid.

Portret van een Afro-Surinaams kindermeisje met twee Europese kinderen, Augusta Curiel, 1906 © Rijksmuseum Amsterdam

De publicaties van het Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van Loe de Jong waren stenen in de vaderlandse vijver. Maar zelden was de beroering zo sterk als toen de delen 11 verschenen, in 1984 (A), 1985 (B) en 1986 ©. Om slechts bij het eerste deel van het eerste deel (A1) te blijven: hierin geeft De Jong in ruim vijfhonderd pagina’s een schets van Nederlands koloniale samenleving in de Oost en het ontwaken van het Indonesisch nationalisme. De grondtoon hiervan is onmiskenbaar. Om het te zeggen in de woorden van een van de meelezers en na publicatie ook belangrijkste critici, de sociaal-economisch historicus Ieb (I.J.) Brugmans: ‘De lezer bespeurt weldra, dat de auteur nog gevangen zit in de opvatting van de oude sdap, volgens welke het “kolonialisme” een slechte zaak is geweest, een vlek op het reine blazoen van de westerse mogendheden.’

Helaas voor Loe de Jong ging zijn verhaal een jongere generatie weer niet ver genoeg en deed het, aldus een van hen (Herman Abels in Skript van maart 1985), ‘onvoldoende recht aan het historisch belang van het eigene van de Javaanse en Indonesische maatschappij’. Toch is deel 11 van het Koninkrijk een mijlpaal in het denken over Nederlands koloniaal verleden. Door de informele positie van De Jong als Geschiedschrijver des Rijks kreeg zijn kritische blik op dat verleden toch zoiets als een overheidsstempel.

Ondertussen was het debat onder specialisten – dat was Loe de Jong niet – al een paar stappen verder. Er trad een nieuwe fase in. Daarbij ging het niet meer zozeer om grootse theorieën of politieke oordelen à la Wertheim en De Jong maar om gedegen detailonderzoek dat, voorzover zoiets het geval kan zijn, ‘voor zich spreekt’. Een goed voorbeeld is een boek dat een van Wertheims leerlingen, Jan Breman, in 1987 publiceerde: Koelies, planters en koloniale politiek: Het arbeidsregime op de grootlandbouwondernemingen aan Sumatra’s oostkust in het begin van de twintigste eeuw. De teneur van het verhaal doet sterk denken aan die van Van Doorn en Hendrix uit 1970 (Ontsporing van geweld) en Remy Limpach uit 2016 (De brandende kampongs van Generaal Spoor) over het Nederlandse optreden tijdens de politionele acties. Zij toonden aan dat het klassieke beeld dat geweld incidenteel en dus uitzonderlijk geweest zou zijn onjuist is.

Hetzelfde deed Breman met betrekking tot de behandeling van koelies in de latere fase van het kolonialisme, met als bijkomend bewijs ook nog eens een in de la gestopt overheidsrapport uit 1904 dat hij te voorschijn haalde. Dat rapport, naar zijn opsteller Rhemrev genaamd, bevestigde Bremans conclusie: koelies waren niet alleen systematisch en op vreselijke wijze behandeld, dit was ook bekend en systematisch verdonkeremaand.

Wat Breman in 1987 met betrekking tot de koelies in Nederlands-Indië deed, deed Alex van Stipriaan kort daarop vanuit een ruimer perspectief met betrekking tot de slaven in Suriname: op basis van nauwkeurig en systematisch onderzoek aantonen dat de situatie van slaven in dat land niet anders dan zeer hard genoemd kon worden. Van Stipriaan tekende hier wel bij aan – maar dat maakte de zaak niet beter, eerder slechter – dat die hardheid niet uniek was voor Suriname maar kenmerkend voor heel het Caribisch gebied. Ook stelde hij dat de situatie per moment, locatie en gewas (koffie, suiker, katoen) aanzienlijk kon verschillen.

Het oordeel van Van Stipriaan is gebaseerd op zeer veel empirisch materiaal. Vervolgens is het genuanceerd in de zin dat het niet heel het fenomeen en alle tijden op één grote hoop gooit. En tot slot is het ook nog systematisch omdat het aantoont dat er voortdurend sprake is van twee botsende tendenzen. Aan de ene kant het verlangen ten koste van mens en milieu snel winst te maken (‘roofbouw’). Aan de andere het inzicht dat een dergelijk verlangen haaks staat op een goede bedrijfsvoering (‘overleven’). Interessant is overigens dat Surinaams contrast een zusterstudie is van de dissertatie die Gert Oostindie twee jaar eerder over twee Surinaamse plantages geschreven had. Beide boeken zijn kenmerkend voor een nieuwe generatie koloniale historici. Het is deze generatie die op dit moment door weer een volgende afgelost wordt.

Voor koloniaal historici uit de vroege babyboomgeneratie als Alex van Stipriaan en Gert Oostindie was de bijna twintig jaar oudere Leidse historicus Henk Wesseling (1937-2018) toch wel enigszins oldschool. Niettemin was deze school tot ruim in de 21ste eeuw dominant aanwezig. In dat verband mag Wesselings compilatorische maar spraakmakende boek over Europa’s ‘imperialistische’ negentiende eeuw niet ongenoemd blijven. Het begint al met de titel: zeker op dat moment en na de dissertatie van Maarten Kuitenbrouwer (zie 1985) meteen een statement. Niet dat Wesseling het begrip ‘imperialisme’ niet gebruikt. Dat doet hij wel, vaak zelfs. Maar voor de negentiende eeuw in zijn geheel gebruikt hij het niet. Bewust.

Eenzelfde relativering spreekt voortdurend uit zijn tekst. Zo stelt Wesseling zich in de conclusie van het boek onder meer de vraag of, en zo ja wat, het kolonialisme bijgedragen heeft aan de ontwikkeling van de gekoloniseerde landen. De vraag alleen al, op dit moment is hij min of meer taboe. Zo ook Wesselings tweede vraag: wat het kolonialisme de Europeanen opgeleverd heeft. Het antwoord zal niet verbazen: minder dan tegenwoordig voetstoots wordt aangenomen. Ten slotte vraag nummer drie, naar continuïteit en verandering. Ook hierover denkt Wesseling anders dan op dit moment gebruikelijk is. Het wordt geïllustreerd met een anekdote op een van de laatste pagina’s van het boek, over een Indiase boer die in 1947 te horen kreeg dat de Engelsen vertrokken waren. De reactie van de man: ‘Maar wanneer zijn ze dan gekomen?’ Suggestie: het kolonialisme zou weleens heel wat minder betekenis gehad kunnen hebben dan veelal wordt gedacht.

Wesselings Koloniale eeuw maakte nogal wat los, bij voor- en tegenstanders. Volgens Jan Breman (zie 1987) was het eerst en vooral de bevestiging van een nieuwe wind in de internationale geopolitiek, die van na 9/11: van een nieuwe dominantie van het Westen, deze keer niet zozeer gestuwd vanuit Europa als wel vanuit de Verenigde Staten.

De onderwerping van Diepo Negoro aan luitenant-generaal baron de Kock, Nicolaas Pieneman, ca. 1830 - ca. 1835 © Rijksmuseum Amsterdam

‘Er is [in Nederland] geen sprake van een brede traditie van reflectie op het koloniale verleden en de continuïteiten naar het heden’, schrijft Gert Oostindie tegen het eind van zijn boek Postkoloniaal Nederland, ‘nog minder vanuit een uitgesproken postkoloniaal paradigma’. Wat hij met dit laatste bedoelt, schrijft hij even daarvoor: ‘een benadering van het koloniale verleden en de hedendaagse nawerking daarvan die sterke nadruk legt op het “anders” kijken, vanuit de veronderstelling dat de meeste wetenschappelijke kennis geproduceerd wordt vanuit impliciete koloniale paradigmata’.

Gert Oostindie was een kompaan van Jan Breman en is sinds geruime tijd directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde in Leiden en hoogleraar Caribische studies in dezelfde stad. Je zou dus verwachten dat hij in zijn werk zijn uiterste best doet de grondslag te leggen van zo’n nieuwe, postkoloniale vorm van denken. Dat is ook zo, althans vanuit het perspectief van hemzelf en zijn medestanders. Vanuit het perspectief van nogal wat vertegenwoordigers van een jongere generatie is Oostindie de typische representant van een zoveelste generatie ‘witte mannen’. Hij zou het kolonialisme wel nuanceren maar niet, zoals zou moeten, radicaal veroordelen.

Zo schrijven Martijn Eickhoff en Barbara Henkes naar aanleiding van een lezing van Oostindie over het postkolonialisme dat zijn voortdurend verwijzen naar Multatuli veelzeggend is. ‘Deze stond immers een ander koloniaal systeem voor ogen, maar was geen antikoloniaal.’ Nog veel verder in zijn kritiek gaat de Surinaamse historicus Dew Baboeram oftewel (pseudoniem) Sandew Hira. Op verschillende plekken stelt hij dat Oostindie een kenmerkende vertegenwoordiger is van het wetenschappelijk kolonialisme. Hij doet op een nieuwe manier wat de oude generatie eveneens deed: denken met een koloniale geest. Maar ‘de productie van alternatieve kennis is gebaseerd op het concept van slavernij en kolonialisme als een misdaad tegen de menselijkheid’. Maar zo eenvoudig ligt het volgens Oostindie dus niet.

Het is precies deze gedachte – dat de geschiedenis van het Nederlands kolonialisme één lange misdaad tegen de menselijkheid is – die als rode draad door het dikke boek van Ewald Vanvugt loopt. Deze moraal staat in de nieuwste edities zelfs al in de ondertitel: Wat iedere Nederlander moet weten. Dat is? Dat onze voorouders in alle uithoeken van de wereld veel kwaad hebben gedaan en dat wij van dat kwaad nog lang niet voldoende afstand hebben genomen. Achthonderd pagina’s lang vertelt Vanvugt daarover, met duizenden anekdotes en ontelbare verwijzingen. Roofstaat is een goed boek, een integer boek en bovendien afkomstig van een man met een lange staat van dienst op het gebied van de koloniale geschiedschrijving. En toch…

Zelfs Vanvugt ontkomt niet aan de kritiek van een jongere generatie historici. Zo schreef Remco Raben, kenner van ons postkoloniaal verleden, bij de verschijning van de eerste druk (er zijn er ondertussen zeven) dat ‘het gelijk van Vanvugts boek het witte antikoloniale gelijk is. Daar is niets mis mee’, vervolgt hij, ‘maar het heeft in het licht van de huidige maatschappelijke discussies iets ouderwets. Veel Indonesiërs, Surinamers, Antillianen of Afrikanen komen niet aan het woord. Daarmee bevestigt het boek ook een beetje wat het aanklaagt: het activisme van de witte overheerser. De gekoloniseerde is een willoos slachtoffer. Het is, met alle respect, witte geschiedenis.’

In hetzelfde jaar dat Raben bij Roofstaat deze kanttekening formuleerde, kreeg hij een aanstelling als bijzonder hoogleraar in de koloniale en postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis aan de UvA. Die baan nam hij op zich met een pleidooi voor nog een ander en zijns inziens beter perspectief. Transkoloniaal noemt hij het. ‘Een transkoloniale manier van kijken volgt niet per se de vooringenomen politieke, culturele of raciale scheidslijnen die kolonialisme en dekolonisatie hebben helpen creëren, maar onderzoekt die lijnen in het licht van de gedeelde ervaring die het samenzijn in tijd en ruimte met zich meebrengt.’ Niet koloniaal dus, evenmin post- maar transkoloniaal.

Bedoeld is een mondiaal perspectief waarin de thematiek van het kolonialisme nadrukkelijk en bewust vanuit de andere kant wordt bekeken en erkend wordt dat de scheidslijnen tussen kolonisatoren en gekoloniseerden evenals die tussen, bijvoorbeeld, autochtonen en migranten of armen en rijken historisch, tijdelijk en dus relatief en aanvechtbaar zijn (zie ook 1926). In het begrip transkoloniaal klinkt ‘verwantschap door met wat de Indiase historicus Sanjay Subrahmanyam het “verbonden”, connected karakter van de geschiedenis noemt’, stelt Raben. ‘Een dergelijke benadering doet ook veel meer recht aan de duizelingwekkend gecompliceerde toestand van etnische vermenging en politieke meerkantigheid, en biedt meer ruimte aan de agency van de gekoloniseerde.’

Iets dergelijks, zij het bevlogener, beweert Gloria Wekker in haar spraakmakende boek Witte onschuld. Wekker, van Surinaamse komaf maar opgegroeid in Nederland, zette zich vanaf het allereerste moment in voor de emancipatie van gekleurde vrouwen. Daarover schreef ze, in de VS, haar later ook in het Nederlands vertaalde en van een programmatische titel voorziene dissertatie: Ik ben een gouden munt, ik ga door vele handen, maar verlies mijn waarde niet: Subjectiviteit en seksualiteit van Creoolse volksklasse vrouwen in Paramaribo. In 2001 werd Wekker in Utrecht aangesteld als hoogleraar. Bij deze aanstelling werd en wordt, op de keper beschouwd gênant, telkens vermeld dat zij de eerste gekleurde vrouwelijke hoogleraar aan de Universiteit van Utrecht was.

De vermelding bevestigt de centrale stelling van Witte onschuld: ‘de passie, kracht en zelfs agressie die ras, in zijn intersecties met gender, seksualiteit en klasse, onder de witte bevolking oproept, terwijl tegelijkertijd de reacties van ontkenning, loochening en ontwijking hoogtij vieren’. Wekker bedoelt, eenvoudiger gezegd, dat ‘wij, witte Nederlanders’ ons weliswaar heel open en multicultureel voordoen maar dat eigenlijk niet zijn. Steeds weer spreiden we ons ongemak met het eigen ‘cultureel archief’ tentoon.

Diep in ons systeem zitten allerlei normen en waarden die zelfs in de ontkenning bevestigd worden. ‘Mijn voornaamste stelling is dat een niet-onderkend reservoir van kennis en gevoelens, gebaseerd op vierhonderd jaar Nederlandse imperiale heerschappij, een cruciale maar niet onderkende rol speelt in toonaangevende betekenisgevende processen, zoals de vormgeving van het zelf, die plaatsvinden in de Nederlandse samenleving.’ Dus zelfs in hun antikolonialisme blijven witte Nederlanders kolonialen. Het is precies hetzelfde als wat Raben over het werk van Vanvugt stelt.

Zo bezien kan het niet verbazen dat iemand die weigert principieel anti-, laat staan transkoloniaal te denken, Piet Emmer, emeritus hoogleraar geschiedenis aan de Leidse universiteit en kenner van het slavernijverleden, voor racist wordt uitgemaakt. Het verwijt is weliswaar absurd maar tegelijkertijd veelzeggend voor de scherpte waarmee het huidige debat over het Nederlands kolonialisme en zijn nevenverschijnselen wordt gevoerd. Want Emmer is geen racist. Wél is hij een uitgesproken vertegenwoordiger van de ‘school’ of eigenlijk onsamenhangende groepering die beweert dat publieke opinie en journalistiek doorslaan in hun mening en zinloos veroordelen wat genuanceerd bekeken behoort te worden.

Vandaar ook de ‘grijze’ ondertitel van zijn een-na-laatste boek (het laatste gaat over de Nederlandse slavenhandel): Een bijdrage aan de discussie over kolonialisme, slavernij en migratie. Hierin beweert Emmer niet alleen dat historisch relativisme wat betreft kolonialisme, slavernij en migratie noodzakelijk is en dat het dus onzinnig is het verleden te beoordelen met de maatstaven van het heden, maar ook dat kolonialisme en zelfs slavernij, naast veel slechts, ook goeds brachten. Zeker dit laatste wordt hem ronduit verweten, met loodzware kwalificaties als racist tot gevolg.

2020: Epiloog

Wat mag en niet mag zal Emmer vermoedelijk een zorg zijn. Hij stelt alleen geïnteresseerd te zijn in wat waar en niet waar is. Terecht, ben je (‘ik’) geneigd te zeggen. Tegelijkertijd is zo’n uitspraak pretentieus want suggereert dat iemand de waarheid in pacht heeft en zo is het vanzelfsprekend niet. Kolonialisme is een langdurig, divers en complex fenomeen. Een simpele, eenduidige en overall-kwalificatie is eigenlijk niet mogelijk, bovendien afhankelijk van zowel uitgangspunten als doelstelling van het onderzoek dat aan zo’n eventuele kwalificatie ten grondslag ligt. Het is niet moeilijk te begrijpen dat een en ander in het geval van een uit Suriname afkomstige, in de VS opgeleide en zwarte vrouw als Gloria Wekker volstrekt anders uitpakt dan bij een in Leiden geschoolde witte man als Piet Emmer.

Niettemin maakt de lange geschiedenis van het denken over het Nederlands kolonialisme duidelijk dat altijd bekend is geweest hoe grof, rauw en gewelddadig door Europeanen, onder wie Nederlanders, in de voormalige koloniën werd opgetreden. Dat dit niet veel vaker naar voren is gebracht, komt doordat het ontbrak aan referentiekaders en belang: verreweg de meeste Europeanen hadden geen oog voor de andere kant van het verhaal, belang daarbij hadden ze nog minder.

Dit is sinds kort veranderd – radicaal. Wat eeuwenlang sluimerde, is op dit moment dominant: de onderstroom werd bovenstroom, de buitenstaander insider. Concreter: zoals het kolonialisme binnen de dominante openbaarheid eeuwenlang een vanzelfsprekendheid was, zo geldt dat tegenwoordig voor het antikolonialisme. In de huidige openbaarheid worden racisme, slavernij en kolonialisme bij uitstek veroordeeld als de grote misdaden van het verleden.

Een doorslaggevend element van deze veroordeling is het besef dat geweld binnen koloniale verhoudingen niet incidenteel maar structureel is. Sterker nog, kolonialisme is geweld, ook als het zich voordoet als de goedheid zelve, ja zelfs als het daadwerkelijk goed probeert te doen. Dit besef is het onvermijdelijke resultaat van een verandering van perspectief, van de witte kolonisator naar de gekleurde gekoloniseerde en beider nageslacht, het onvermijdelijke resultaat dus van het ontstaan van een internationale, multiculturele wereld van gelijkwaardige mensen. Binnen een koloniale wereld daarentegen is één cultuur dominant en ongelijkwaardigheid regel. Dat alleen al is een vorm van geweld.

Een multiculturele wereld van gelijkwaardige mensen brengt op alle gebied, ook dat van het kolonialisme, een andere moraal, andere uitgangspunten en een andere inhoud met zich mee. Moraal, uitgangspunten en inhoud vormen vanuit het westerse perspectief ‘het verhaal van de ander(en)’. Dat is waaraan op dit moment behoefte bestaat: niet langer het verhaal van degenen die koloniseerden maar dat van degenen die gekoloniseerd werden, niet het eenzijdig-witte maar het veelzijdig-gekleurde verhaal. Helaas is dit verhaal moeilijk te vinden. Daarmee is de opdracht van de (anti)koloniale geschiedschrijving van de toekomst gegeven.