Het verhaal van de liefde

Dimitri Verhulst
Mevrouw Verona daalt de heuvel af
Contact, 109 blz., € 14,90

Mevrouw Verona daalt de heuvel af is te lezen als een Vlaamse versie van Kroniek van een aangekondigde dood van Gabriel García Márquez. Met eenzelfde terloopse onvermijdelijkheid ontvouwt Dimitri Verhulst het beklemmende lot van mevrouw Verona, die na het overlijden van haar geliefde meneer Pottenbakker wacht op haar eigen dood.
Verhulst (1972) is een productief schrijver, en met succes. In 1999 debuteerde hij met de verhalenbundel De kamer hiernaast. In 2001 verscheen zijn eerste roman Niets, niemand en redelijk stil en het jaar daarop de dichtbundel Liefde, tenzij anders vermeld. Daarna publiceerde hij achtereenvolgens de romans De verveling van de keeper, Problemski Hotel en De helaasheid der dingen. Met de laatste roman staat hij op de zogeheten toplijst van de Ako Literatuurprijs.

Meer nog dan het onvermijdelijke is het de hermetisch afgesloten verhaalruimte die doet denken aan de kunstig gecomponeerde roman van Márquez waarin een man op bloedige wijze wordt afgeslacht ten overstaan van het hele dorp. Mevrouw Verona daalt de heuvel af speelt zich af in het dorpje Oucwègne, dat bestaat uit drie heuvels. Een wereld eromheen lijkt nauwelijks te bestaan. Oucwègne ís de wereld. Eentje waarin bovendien nagenoeg alleen maar zonen worden gebaard – een gegeven dat de beklemming van deze wereld-in-de-wereld versterkt.

De hoogtelijnen van de stafkaart van het dorp zullen de beginnende kaartlezer volgens de schrijver aan een trechter doen denken. Daarmee wordt de essentie van het dorp beschreven: wanneer meneer Pottenbakker en mevrouw Verona – vers verliefd en nieuw in het dorp – een dorpsgenoot zien bezwijken aan de tochten heuvelop- en afwaarts, realiseren ze zich dat ook zij ooit de gevangene van de heuvel konden worden. ‘En het had hen daar nog verbaasd hoezeer er laconiek gereageerd werd op hun angst.’

In dat ‘daar’ klinkt de alwetende verteller die het verhaal aan ons vertelt. Een ‘ons’ waar de verteller zichzelf óók onder schaart, hetgeen de roman het karakter van een traditionele sage geeft.

De liefde wordt ruw verstoord wanneer meneer Pottenbakker van de dierenarts van het dorp – tevens dokter voor de dorpelingen, want wie de gelijkenissen tussen mens en dier weigerde te aanvaarden ‘hoefde maar even op handen en voeten te gaan staan’ – hoort dat hij ongeneeslijk ziek is. Hij wijdt zich aan een laatste taak en kapt genoeg hout om zijn lief voor de rest van haar leven warmte te kunnen geven, en stapt dan, om zichzelf een lijdensweg te besparen, uit het leven door zich te verhangen aan een boom. Mevrouw Verona blijft alleen achter.

We ontmoeten mevrouw Verona op het eindpunt van haar leven. Ze is inmiddels 82. Net als in Kroniek van een aangekondigde dood staat ook in dit verhaal de weg naar de dood centraal. Uiteraard: iedereen gaat een keer. Maar weinigen gaan op zo’n schijnbaar uitgekiende wijze. Want pas wanneer ze heeft gespeeld op de cello die ze liet maken van het hout van de boom waaraan meneer Pottenbakker stierf – hout dat twintig jaar heeft moeten drogen – en het laatste door meneer Pottenbakker gekapte brandhout heeft opgestookt, besluit mevrouw Verona voor het laatst de heuvel af te dalen.

Maar in deze roman is het niet de dreiging van de naderende dood die het verhaal drijft, als wel de berusting over een leven dat eigenlijk door twee personen in plaats van één had moet worden geleefd. We weten dat mevrouw Verona gaat, maar we willen horen hoe het is geweest tussen haar en meneer Pottenbakker. Vreemd genoeg laat Verhulst hierover slechts flarden los. Er was ooit een leven buiten Oucwègne, er was muziek en mevrouw Verona was mooi met haar ‘alles ontgrendelende lach zuiver als wiskunde’. Ze blijft, net als voor de mannen van het dorp die met smart wachten tot ze haar rouw heeft afgeworpen, ook voor de lezer een mysterie. Alsof ze er al niet helemaal meer is. De mannen kunnen overigens blijven wachten: mevrouw Verona wil alleen zijn. ‘Want alleen alleen herinnert een mens de mens gepast aan twee.’

De taal waarin dit verhaal is gegoten dampt en danst, en is dan weer exact en kaal. Hoe de dierenarts uitvoerig uit de doeken doet hoe aangenaam de ‘vochtige, binnengaatse warmte’ van een koe voelt wanneer je er tot je oksels in zit, hoe jongens nog geen ‘nervatuur’ in hun gezicht hebben en meisjes ‘kokkerullen’ over de schoonheid van een man. Bijna mooier nog is de observatie van de manier waarop oude en jonge meisjes mooi en liefdevol hun benen om een cello spreiden, of het beeld van een glimlach bij een herinnering die als een haakje een mooie, lange zin afsluit. Daarin toont zich de kunde van Verhulst die de dingen achter de dingen ziet, en zo met dit kleine verhaal het verhaal van de liefde vertelt. Zonder dat het ergens zoet of plakkerig wordt.