Unieke collectie: Van Nijl tot Amstel

Het verhaal van een Aziatische steppenruiter en een Griekse jongeman

Met de collectiepresentatie Van Nijl tot Amstel geeft het Allard Pierson, een samensmelting van het Allard Pierson Museum en de Bijzondere Collecties, tienduizend jaar cultuurgeschiedenis.

‘En hier ligt het originele manuscript van de Max Havelaar.’ Wim Hupperetz, directeur van het Allard Pierson, schijnt met het lampje van zijn mobiele telefoon in een diepe vitrine. Het museum is gesloten en de lichten in deze zaal met bijzondere boeken en handschriften, verstoken van daglicht, zijn uit – maar daar ligt het manuscript uit 1859, naast een eerste druk waarin het een jaar later verscheen, opengeslagen op de eerste bladzijde. Het is een nette versie van het klad dat Eduard Douwes Dekker in een paar weken tijd had geschreven en ondanks dat de inkt wat is verbleekt en het papier wat verkleurd, zijn de woorden goed te lezen; een keurig schuin schrift dat haast plat ligt op de lijnen. Jacob van Lennep, die voor de schrijver een uitgever zocht, kuiste de tekst om de aanklacht wat anoniemer te maken, minder herleidbaar tot specifieke plekken en personen. Hij gebruikte rode inkt voor zijn censuur en ook die is bewaard gebleven, al in de eerste zin. ‘Ik ben makelaar in koffie, en woon op de Lauriergracht No 37.’ Het adres is met een vinnig lijntje onderstreept.

De Max Havelaar is opgenomen in de (semi- permanente) collectiepresentatie van het nieuwe Allard Pierson, in een zaal met allerlei stukken uit de canon van Amsterdam en die van Nederland: een atlas van de firma Blaeu, de openingsrede van 8 januari 1632 door Gerardus Vossius van de Athenaeum Illustre, voorloper van de Amsterdamse universiteit, een origineel handschrift van P.C. Hooft, Nederlandsche historien. Joost van den Vondel is present, een boekband gemaakt door Albertus Magnus en de anatomische atlas van Govard Bidloo, bijzonder door de illustraties van de hand van schilder en etser Gérard de Lairesse. Er ligt een liber amicorum, een boek met vlinders in de zeventiende eeuw van de apotheker Albertus Seba en een herbarium met planten uit de hortus medicus, de apothekerstuin op de binnenplaats van het Allard Pierson-complex toen het nog een klooster was, en waarvoor plannen bestaan om die, met het vertrek van de kindercrèche, nieuw leven in te blazen.

Elf conservatoren waren betrokken bij de inrichting van deze zalen op de begane grond, ieder specialist op een eigen terrein, kenners van joodse boeken, kookboeken, cartografie, natuurhistorie, literatuur, boekhistorie enzovoort. Het bleek dat ze elkaars boeken vaak nog nooit hadden gezien. En in het midden van een van de zalen staat een planetarium uit de achttiende eeuw dat eens schitterde in Felix Meritis, het Amsterdamse wetenschappelijk en cultureel genootschap. Rondom de centrale sfeer, die de planeten omringt, loopt een brede ring met vierkante gaatjes: 365 vensters waardoor je per dag de stand van de planeten kunt aflezen. Jarenlang was het stuk in bruikleen bij het Scheepvaartmuseum, Hupperetz vertelt me dat ze niet eens meer wisten dat ze het hadden.

Wat er moet gebeuren om de conditie van de Max Havelaar te waarborgen, hoe vaak een pagina moet worden omgeslagen, zal de komende tijd blijken. Hupperetz, historicus en archeoloog, werd tien jaar geleden directeur van het Allard Pierson Museum dat begin dit jaar officieel is samengegaan met de Bijzondere Collecties, onder één naam: het Allard Pierson – de collecties van de Universiteit van Amsterdam. Dat betekent in de eerste plaats een samenvoeging van een archeologische collectie en een collectie met de kostbare en kwetsbare werken van de Universiteitsbibliotheek, waartoe ook de verzamelingen van het Universiteitsmuseum en het voormalige Theater Instituut en Muziek Centrum Nederland behoren. Maar het is ook een samenvoeging van twee organisaties, van beleid op het gebied van presenteren en tentoonstellen, en van gebouw. Het langgerekte pand aan de Oude Turfmarkt, in 1869 met een nieuwe, classicistische voorgevel geopend voor De Nederlandsche Bank, kwam in 1976 in gebruik van het Allard Pierson Museum en is sinds 2007 ook het huis van de Bijzondere Collecties. Maar hoewel beide takken van erfgoed behoren aan de Universiteit van Amsterdam, bestond er achter de gevel eerst nog geen verbinding, geen gedeelde trap of zelfs maar een deur.

Hupperetz omschrijft het Allard Pierson als een januskop: het is een museum en een academisch kennisinstituut in één, een huis met stukken die eigendom zijn van de UvA en die je wilt tonen aan een publiek, maar tegelijkertijd beschikbaar moet houden voor de wetenschap. Ze vinden hun toegevoegde waarde in de digitaliserende wereld, vindt Hupperetz, want wat digitaal is, daar kan iedereen bij. Maar met deze fysieke collecties, met stukken uniek in hun verschijningsvorm, kun je terug naar de bron. In het nieuwe Allard Pierson zijn daarom ook collegezalen gemaakt en ruimtes ingericht waar gewerkt kan worden met de collectie. Concreet betekent de januskop dat wanneer een onderzoeker een object op zaal wil raadplegen, het uit de vitrine zal worden gehaald.

Kop van een Egyptische priester, 40-30 voor Christus

Hupperetz loodst me door het nieuwe gebouw en langs de verbouwing, die nog altijd gaande is, door zalen die al ingericht en open voor publiek zijn naar ruimtes met afgeplakte vloeren. De langgerekte ruimte aan de voorzijde van het gebouw, met uitzicht op het Rokin, is sinds vandaag klaar voor inrichting. Naast een koffieruimte en een winkel komen hier een ‘Archeo-Hotspot’, waar bezoekers archeologische scherven door hun handen kunnen laten gaan, (Hupperetz: ‘daar kan niks meer aan kapot’), en een ‘Geo-Zone’, waar cartografie moet prikkelen tot een gesprek. Er is plek voor de muziek- en theatercollecties en een deel van de ruimte is gewijd aan lopend wetenschappelijk UvA-onderzoek. In deze hele ‘Allard Pierson Live’-ruimte, voor iedereen gratis toegankelijk, zullen vrijwilligers én wetenschappers aanwezig zijn om een ontmoeting met het publiek tot stand te brengen, om te laten zien hoe er met de collectie wordt omgegaan.

In de zalen op de eerste verdieping, waar de collectie oudheden is gevestigd, zijn de verouderde, maar toch ook wel charmante vitrines van het Allard Pierson Museum vervangen door witte kasten met heldere spotlights. Voor het eerst in jaren komt daglicht naar binnen nu de luxaflex voor de ramen zijn verwijderd. De zalen op de begane grond daarentegen, die het Amsterdamse verhaal vertellen van ‘De creatieve stad’, zijn donkerder, met diepe kleuren op de wanden en een imposant vloertapijt bedrukt met handschriften.

Het is een boeiende en functionele omkering: de klassieken, de Grieken, Etrusken en Romeinen, die stralen in een moderne, minimalistische omgeving en de ‘nieuwere’ stukken, de boeken en atlassen die beginnen bij de late Middeleeuwen en doorlopen tot in de moderne tijd, die schemeren in een stemmiger decor. Ze vertellen samen één verhaal, een complex verhaal, over tienduizend jaar cultuurgeschiedenis: ‘Van Nijl tot Amstel’.

Elf conservatoren waren betrokken bij de inrichting van de zalen op de begane grond

Gebogen over de vitrine met de Max Havelaar richt Hupperetz zijn telefoon naar een hoek van de zaal. Daar lichten de portretten op van de ‘founding fathers’ van het Allard Pierson: Allard Pierson en Jan Six. Beiden hebben een eigen kast in het Verzamelaarskabinet, aan de kop van de Romeinse afdeling, gewijd aan de verzamelaars die aan de basis van de verzameling staan. Hoogleraar Jan Six (1857-1926) schonk zijn verzameling Griekse vazen als studiemateriaal aan de universiteit. Hij was de opvolger van Allard Pierson (1831-1896) die eerst theologie studeerde en als predikant werkte in Leuven en in Rotterdam, voordat hij uit de kerk stapte en in 1877 benoemd werd tot eerste hoogleraar kunstgeschiedenis van de Universiteit van Amsterdam, waartoe tevens de vakgebieden esthetica en moderne talen en letteren behoorden. Hij was een humanistisch geleerde en zijn boekwerk Geestelijke voorouders. Studiën over onze beschaving verraadt zijn voornaamste interessegebieden: deel één is gewijd aan Israël, deel twee aan Hellas, deel drie aan het hellenisme, verdeeld in een deel ‘Athene Alexandrië Antiochië’ en een deel ‘Pergamum Rome’, en deel vier gaat over Byzantium. Pierson verzamelde gipsafgietsels van klassieke beelden die je vandaag verspreid over de eerste verdieping van het Allard Pierson tegenkomt. Een gipsen afgietsel van Aphrodite, naar een origineel uit circa 410 voor Christus dat zich bevindt in het Louvre, staat in een hal naast Doryphoros, de speerdrager, een gipsen afgietsel van een marmeren kopie naar een bronzen origineel, dat al in de eerste eeuw voor Christus verloren zou zijn gegaan. De verzameling gipsen geeft in detail kennis van een origineel, maar laat ook zien hoe de sterkste beelden zich een weg banen door de geschiedenis en de tijd overleven, zelfs als ze al millennia niet meer bestaan.

Vijf jaar voor zijn dood liet Pierson zijn portret schilderen door Jan Veth. Op de voorstudie voor het portret, te vinden in het Verzamelaarskabinet, heeft Veth in potlood enkele eigenschappen onder de poserende Pierson geschreven: ‘wijsgeerig’, ‘rustig’, ‘breed’, ‘onverstoorbaar’, ‘rechtvaardig’. Op het uiteindelijke portret zien we een stevige man met een baard op zijn wangen, maar niet op zijn kin, die zijn blik in concentratie gericht houdt op het papier voor hem. Hij houdt een pen in zijn rechter- en een sigaar in zijn linkerhand.

Allard Pierson in 1861

Collecties die door de eeuwen heen door wetenschappers en notabelen waren opgericht, kregen vanaf het eind van de negentiende en in de loop van de twintigste eeuw gestalte in de vorm van al dan niet publiekelijk toegankelijke musea. De Bijzondere Collecties van de UvA heeft zijn oorsprong al veel eerder, in de Stadsbibliotheek van 1578, de ‘stedelijke boekerij’ met boeken afkomstig uit kloosters, die bij oprichting werd ingelijfd bij het Athenaeum Illustre. Voor het Allard Pierson Museum begon alles met de overname in 1934 van ruim vierduizend archeologische voorwerpen uit het privémuseum van Constant Willem Lunsingh Scheurleer, afkomstig uit een Haagse bankiersfamilie. In Leiden was Scheurleer hoogleraar in de Griekse archeologie en zijn museum met eigen collectie was nog geen tien jaar open, toen het familiebedrijf in de crisis kopje onder ging. Scheurleer & Zoonen, waarvan Scheurleer eerder nog directeur was geweest, ging failliet en de collectie dreigde op de markt te komen. De zonen van Allard Pierson, onder wie Jan Lodewijk Pierson sr., zelf werkzaam als bankier (de bank MeesPierson bestaat nog altijd, als zakenbank deel van de ABN Amro), kregen de kans om de collectie aan te kopen voor de Allard Pierson Stichting, een eerbetoon aan hun vader.

Overigens, toen Hupperetz in 2009 aantrad als directeur volgde hij Robert Lunsingh Scheurleer op, kleinzoon van de man met wie het Allard Pierson Museum dus óók begon.

De collectie van het Allard Pierson kent een geschiedenis van actief verwerven, schenkingen en onderdak bieden. De Bibliotheca Rosenthaliana bijvoorbeeld begon als de collectie joodse cultuurgeschiedenis met zesduizend banden toen die in 1880 door de erfgenamen van verzamelaar Leeser Rosenthal aan de stad werd geschonken. In de loop van de twintigste eeuw groeide de bibliotheek uit tot 120.000 werken en tachtig archieven en geldt als de grootste collectie in zijn soort op het Europese vasteland.

In 1963 kwam de circuscollectie in het bezit van de UvA en de omvangrijke muziekcollectie groeide door met de verkrijging van verschillende collecties, waaronder die van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst, het Nederlands Jazz Archief en het Nederlands Pop Instituut. Voor de muziek die er bewaard wordt betekent dat een tijdspanne die zich uitstrekt van de zeventiende eeuw, de bladmuziek, tot het heden, de digitale streams.

De grafische collectie gaat terug tot het jaar 1830 en loopt eveneens door tot de dag van vandaag. Met de collectie werd een begin gemaakt in 1958 met de verwerving van de Bibliotheek van het Boekenvak en later de Typografische Bibliotheek van Lettergieterij Amsterdam. In 2013 werd de collectie van Theater Instituut Nederland aan de universiteitsbibliotheek overgedragen, en daarmee meer dan een half miljoen objecten uit de theater- en dansgeschiedenis vanaf de zeventiende eeuw. Niet alleen foto’s, affiches en papieren archiefstukken, maar ook maskers, poppen, kostuums en miniatuurtheaters kregen een plek. Op zaal geeft een diorama van de hand van Pieter Barbiers een kijkje in de Stadsschouwburg in het jaar 1774.

Dat alles treedt nu voor het eerst samen naar buiten in Van Nijl tot Amstel, de collectiepresentatie van het Allard Pierson. Het verhaal van de collectie ontvouwt zich er in ‘hoofdstukken’ die sinds afgelopen zomer deel voor deel openen. In juni 2020, zal de tijdslijn compleet zijn, beginnend bij ‘Jager wordt Boer’, tienduizend jaar voor Christus, en eindigend met ‘Twintigste- en eenentwintigste-eeuwse collecties’, met onder meer Peter van Straaten en Irma Boom. In de Middeleeuwen raken de twee collecties, de een mediterraans en de ander Amsterdams, elkaar. Via de koptische collecties loopt de oudheidkundige collectie door tot in de Middeleeuwen en daar, bij de intrede van de boekdrukkunst, ligt de oorsprong van de Bijzondere Collecties.

‘Wij vertellen het verhaal van Amsterdam dat nergens anders wordt verteld’

Die tienduizend jaar cultuurgeschiedenis pretendeert geen compleet verhaal te zijn, benadrukt Hupperetz in zijn kamer op de begane grond, waar hij werkt aan het bureau van Jan Six, dat sinds de oprichting van het museum de werkplek is voor de directeur. In de vensterbank staat een antiek houten bordje met het opschrift ‘Hoogleraar directeur. Geen toegang’: in februari 2016 werd hij zelf benoemd tot bijzonder hoogleraar Nederlandse Cultuurgeschiedenis.

Onvermijdelijk overlapt de collectie van het Allard Pierson met die van het Stadsarchief, van het Amsterdam Museum en ook van het Rijksmuseum, maar het vertelt een eigen verhaal, en dat is een optelsom van de collectie. Hupperetz: ‘Bij de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw denken wij, als het over musea gaat, aan de Hollandse meesters. Die vertellen nu het verhaal van Amsterdam, maar als je gaat kijken naar wat de meeste invloed op het gebied van de intellectuele, politieke of sociale ontwikkeling in die tijd had, dan was het de boekproductie. Boeken kwamen bij iedereen: er was een vrij hoge geletterdheid en de boeken werden in hoge oplagen gemaakt, terwijl die schilderijen voor een belangrijk deel bij mensen in huis hingen. Er zit een rare omkering in wat toen de meeste invloed had en hoe we dat nu tonen.’

Hupperetz vertelt over de creatieve industrie van Amsterdam, een netwerk van drukkers, papiermakers, graveurs, mensen die inkleurden, vertalers, wetenschappers, boekbinders en cartografen. ‘Er was een markt, kennis en een gezonde competitie waardoor in het begin van de achttiende eeuw dertig procent van de boekproductie wereldwijd afkomstig was uit Holland. Er was iets aan de hand hier, en wij vertellen dat verhaal van Amsterdam. Een verhaal dat nergens anders wordt verteld en dat wij niet anders kunnen vertellen, omdat de collectie het ons dicteert.’

Toch is er een wezenlijke verandering opgetreden in dat verhaal. Stukken uit de Bijzondere Collecties waren nog nooit (semi)permanent getoond, alleen in wisselende presentaties. En was de archeologische collectie voorheen geordend op regio, zoals dat de praktijk is in oudheidkundige musea wereldwijd, nu is er gekozen voor een thematische en min of meer chronologische schikking die stukken uit verschillende gebieden met elkaar samenbrengt. Zo staan in één vitrine een beeldje uit Egypte van een Aziatische steppenruiter, een Griekse vaas voor de Etruskische markt en een Griekse jongeman, een kleine kouros, ontleend aan Egyptisch model. Drie culturen naast elkaar die iets zeggen over handel. In een naastgelegen vitrine vertellen Egyptische sjawabti’s, grafbeeldjes, iets over goddelijke hiërarchie en samen met Assyrische statussymbolen en Griekse paarden gaat het hier over macht. Andere terugkerende thema’s zijn eten en drinken, architectuur, vermaak, religie en uiterlijk.

Drinkbeker uit Iran, brons, circa 900-700 voor Christus

‘Tegen verbittering zijn wij gevrijwaard, als wij de werkelijkheid elders vinden dan waar men haar nog te dikwerf zoekt’, eindigde Allard Pierson in 1888 zijn voorrede bij Oudere tijdgenooten – later volgde nog Jongere tijdgenooten – zijn bundel gewijd aan de belangrijkste figuren van de orthodox-protestantse beweging Réveil met stukken die eerder waren verschenen in De Gids. De mens kon zich volgens de beweging, die in de negentiende eeuw door Europa waarde, verder ontwikkelen vanuit zichzelf – vanuit zijn protestantse inborst. Deze oudere tijdgenooten, in de ‘geestelijk-aristokratische dampkring’, vormden Pierson, hoewel hij afstapte van zijn geloof.

Een van hen was Willem Bilderdijk (‘Het eerste, dat in Bilderdijk boeit, is de burgerlijke stand van dezen ongewonen man. Zijn vader heet Nederland en zijn moeder Amsterdam.’) en in een stuk in De Gids over hem merkt Pierson op: ‘Wij gunnen hem iets beters: herleving. Onze tijd wil elk verleden doen herleven en ziet af van dat “zich voeden” met het verleden, waarbij zooveel verwaarloosd wordt, juist omdat men het als voedsel niet meer gebruiken kan. (…) Tot dusver heeft elke eeuw geleefd van een vroegere. (…) Elke beschaving heeft zich te goed gedaan aan een andere, en om deze zich verder niet meer bekommerd dan men zich bekommert om den maaltijd van gisteren.’

Voor die vroegere beschavingen, die ‘maaltijd van gisteren’, wordt inmiddels goed gezorgd. Van Nijl tot Amstel is een verhaal ontstaan uit alles wat het Allard Pierson in huis heeft, ondanks een actief aankoopbeleid vanzelfsprekend ook met zijn hiaten. Zo zijn archeologische objecten uit het Nabije Oosten wat ondervertegenwoordigd; ze zijn bijzonder moeilijk te verkrijgen omdat de herkomst van stukken helder en goed gedocumenteerd moet zijn: er mogen alleen stukken worden aangekocht die voor 1970 boven de grond kwamen. Maar vorig jaar werd een wonderlijke bronzen drinkbeker uit Iran verworven, uit 900-700 voor Christus, versierd met de kop van een gazelle of steenbok, te vinden op zaal.

De collectie is bovendien op oneindig veel manieren te lezen: voorbij maker en inhoud is het een reflectie van de maatschappij. Het neemt op wat er op zeker moment plaatsheeft in Amsterdam. Neem de bezuinigingen op cultuur van het afgelopen decennium die zorgden dat collecties op zoek moesten naar een nieuwe plek en die in het Allard Pierson vonden. Of de foto’s die Folia-fotograaf Daniël Rommens maakte van de studentenprotesten aan de UvA die begonnen in februari 2015. Ze dragen het stempel ‘Creative Commons’ wat betekent dat iedereen ze vrij (voor niet-commerciële doeleinden) mag gebruiken, maar ze werden ook aan het Allard Pierson geschonken, als het geheugen van de universiteit. Er zijn de verhalen die Syrische asielzoekers vertelden in het kader van de tentoonstelling Van heinde en verre, nu aan de collectie toegevoegd, net als de ‘levende’ archieven waaraan men werkt, die van Irma Boom en Arnon Grunberg bijvoorbeeld.

En het Allard Pierson zit nog altijd opgescheept met de ‘Krimschatten’, de stukken die voor een tentoonstelling in 2014 vanuit verschillende musea op de Krim naar Amsterdam waren gekomen en die, toen de tentoonstelling was afgelopen, niet meer terug konden. De Krim was nu van Rusland, van Oekraïne geannexeerd, en het Allard Pierson Museum wilde de stukken terugsturen maar onduidelijk was aan wie. De rechtszaak sleept zich al jaren voort – het lijkt er niet op dat iemand de geleende stukken gaat ‘vergeten’ – en het Allard Pierson draagt, zo verzekert Hupperetz mij, zo lang als het duurt goede zorg. Het is het lot en tevens het opwindende van erfgoed: onderhevig aan de geschiedenis, altijd in beweging.


Van Nijl tot Amstel in het Allard Pierson, allardpierson.nl