Het verhaal van kees

Wat volgt speelt op de lagere school. Achteraf gezien draaide alles om macht. Waarop die berustte, was meestal duidelijk.

Er waren ook onbenoembare factoren, tegenwoordig ‘uitstraling’ genoemd. Van hoe dat bij meisjes zat weet ik niks. Co-educatie mag te prefereren zijn boven christelijke geslachtenscheiding, hun wereld was me vreemd als die van de Arowak-Indianen.
Voor ons jongens woog voetbaltalent het zwaarst. Dan hoe sterk je was. Goed kunnen leren was geen voordeel. Kon zelfs tegen je werken, tenzij gecompenseerd door sport. Met mijn vriendje was ik de knapste maar had ik op mijn elfde mogen kiezen tussen leer- en voetbalaanleg, dan had ik geen seconde geaarzeld. Dank zij dat vriendje dat in alle sporten uitblonk en dank zij een encyclopedische sportkennis viel ik er niet buiten. Maar verder dan de rand van de macht kwam het niet.
Onbetwiste aanvoerder was Kees E., sterk, voetballer, matige leerling en 'ordinair’. Dat laatste begrip van belang onder ons, nette armen, maar ook een schrale troost. Kees had het niet op mij. Ik niet op hem al was mijn gevoel gemengd: minachting en naar vriendschap een mateloos verlangen, zij het zonder Israël de Haans ondertoon. We botsten, wat soms eindigde op de straat, ik languit liggend, hij bovenop, zijn knieën bewegend op mijn bovenarmen: 'spierballen rollen’ heette dat pijnlijke ritueel. Als hij, na aanvaring, dreigde dat hij me 'wel zou krijgen’ vluchtte ik om vier uur de school uit of liep blokken om naar huis. Maar we behoorden tot dezelfde groep en soms 'waren we goed’. Een keer hadden we bonje vlak voor mijn verjaardag en ik zette het hoogste machtsmiddel in: hij mocht niet komen. Hij kwam toch. Ik zei dat hij weg moest, maar mijn wijze vader, dol op goede voetballers, vond dat te gek. Hier mag u drukken op de 'ja’- of 'nee’-knop. Het werd een leuke verjaardag want bij mijn ouders 'mocht alles’.
Mijn beste vriendje was nummer twee van de klas en daardoor onbedreigd. Tot die ene keer. In het speelkwartier stonden de echte jongens, onder Kees’ aanvoering, om hem heen en jouwden. Ik vroeg waarom. 'Hij weet niet wat “het” is’. Paniek sloeg toe. Ik had geen benul wat 'het’ was, al was er vaag besef van een gruwelijk geheim, maar dat toegeven stond gelijk aan sociale suïcide. Maar hij was wèl mijn vriendje. Ik bleek de lafaard die ik ben en jouwde, zachtjes maar net hard genoeg, mee. Toen zei hij, half huilend, dat hij het wèl wist: 'een man en vrouw kleden zich uit en vechten.’ Zoiets gruwelijks had ik nooit gehoord en dat maakte meehonen makkelijker. Veel later begreep ik dat hij zo niet meer wist, dan toch wel meer had gezien dan wij bij elkaar. Het is mijn eerste herinnering aan verraad. De samenhang met seks maakt hem pregnanter.
Een half leven later kwam ik Kees tegen. Hij kwam voor het ouderspreekuur over zijn dochter. Leuke meid. Hij was ook leraar: aan een politieschool. Ik wou dat Burny Bos of Ruud Schuitemaker zich over m'n verhaal ontfermden. En dat het zo mooi zou worden als Wilminks Het verhaal van Kees.