Het verhaal van Nederland

Politici en columnisten zien geschiedenis als middel om Nederland zijn identiteit terug te geven. Onzin, zo blijkt uit vijf publicaties over Nederlands historie. Geschiedenis is relevant, maar een identiteit hebben we al.

Henk van Os
Moederlandse geschiedenis

CPNB/Balans, 63 blz., e 2,50

Peter W. Klein

1000 Jaar vaderlandse geschiedenis

Balans, 222 blz., e 15,-

Jos Palm

De vergeten geschiedenis van Nederland: Waarom Nederlanders hun verleden zouden moeten kennen

Atheneum-Polak & Van Gennep, 120 blz., e 9,95

Herman Pleij

Erasmus en het poldermodel

Bert Bakker, 110 blz., e 12,50

Jona Lendering

Polderdenken: De wortels van de Nederlandse overlegcultuur

Atheneum-Polak & Van Gennep, 143 blz., e 15,-

«Ik ben trots dat ik jood ben. Wanneer ik daar niet trots op ben, ben ik nog steeds jood. Dan kan ik er maar beter meteen trots op zijn.» Waar ik deze uitspraak ooit gelezen heb weet ik niet meer, maar ze is me vooral bijgebleven omdat ik er, wanneer «jood» wordt vervangen door «Nederlander», wel wat in herkende. Het gedicht dat mij het meest aan Nederland doet denken is niet Marsmans weemoedige ode aan het «oneindig laagland», maar De Génestets Boutade uit 1851: «O land van mest en mist, van vuile, koude regen,/ Doorsijperd stukske grond, vol kille dauw en damp,/ Vol vuns, onpeilbaar slijk en ondoorwaadbre wegen./ Vol jicht en paraplu’s, vol kiespijn en vol kramp!» Waarna de dichter nog even door blijft mopperen op het land van «kikkers, baggerlui, schoenlappers, moddergoôn, van eenden groot en klein, in allerlei fatsoenen», waar het «kliemerig klimaat» ervoor zorgt dat een ieders bloed verandert in modder. Een klein pestlandje, met een pestklimaat.

Nederland is beslist geen Italië, met zijn zon, olijven, involtini en Fra Angelico; geen Frankrijk, met zijn grandeur, Bourgogne en Flaubert; en zelfs geen Engeland, met zijn welhaast universele taal en eindeloze literatuur. Nederland is een miezerige, natte, saaie polder waarin men altijd tegenwind heeft. Maar zelfs daaraan kan een mens een gevoel van trots ontlenen. Om dagelijks op de fiets in de regen op te tornen tegen de wind die over de geometrisch geordende vlakte buldert, heb je immers meer doorzettingsvermogen, meer ka rakter nodig dan om op een mediterraan terrasje onderuitgezakt van je wijn te nippen. Nederlanders zijn tenminste flink, wat volgens Jan Emmens betekent dat ze «met een gebroken been en een maagzweer achter de toonbank blijven staan om krenten te verkopen». Onze heroïek is van Madurodam-formaat, onze grandeur bestaat louter uit de majestueuze wolken die hoogmoedig en verbaasd voortsnellen boven deze grijze uitgestrektheid van omgeploegde bietenvelden en Vinexwijken.

En toch was ik ooit onversneden trots op dit land. Als leerling van een School met den Bijbel was ik een wasecht nationalistje, dat zich verlustigde aan de strijd tegen Filips II en het perfide katholicisme, graag had geleefd in de eeuw van Rembrandt en de koene schippers van de VOC en dat ademloos luisterde naar de verhalen over de onverschrokken wijze waarop zijn volk zich nog maar een generatie eerder had verzet tegen de Teutoonse tirannie.

Terwijl deze versie van de vaderlandse geschiedenis, die in mijn ongetwijfeld vertekende herinnering zelfs nog met sch werd geschreven, er bij mij in ging als koek, waren inmiddels de jaren zestig aangebroken en werd het trotse verleden 180 graden gedraaid. De Tach tigjarige Oorlog was niet langer het verhaal van de good guys tegen de bad guys, de Gouden Eeuw was vooral het tijdperk van de slavenhandel en de bloedbaden van Jan Pietersz. Coen geweest, bloedbaden die twee eeuwen later op Atjeh en Lombok nog eens dunnetjes werden overgedaan door Van Heutz en Colijn. En de Tweede Wereldoorlog, daarvoor moesten de Nederlanders zich helemaal de ogen uit de kop schamen.

Ook dat beeld dient ernstig te worden genuanceerd, maar dat is nu precies het probleem. Nuancering leidt immers tot wat Jan Romein de «vergruizing» van ons beeld van het verleden noemde. Die term stamt uit de inaugurele rede waarmee hij in 1939 het ambt van buitengewoon hoogleraar vaderlandse geschiedenis aanvaardde. Dat was een verwarrende, beangstigende tijd, waarin de Nederlandse identiteit zwaar onder druk stond. Als klein en betrekkelijk machteloos landje probeerde Nederland zich staande te houden te midden van grote mogendheden die, ondanks alle gepraat over «peace in our time» op een catastrofale confrontatie leken af te stevenen. Vaderlandse geschiedenis, en vooral de geschiedenis van onze Gouden Eeuw, toen we zelf een grootmacht waren, was dan ook razend populair. Tegelijkertijd leverde het historisch onderzoek zoveel nuanceringen op dat er van dat rooskleurige en puntgave beeld van het verleden steeds minder overbleef. Daarom was er behoefte aan een eenduidig historisch verhaal waar men trots op kon zijn. Romein wees er echter op dat dat precies datgene was wat er in de Sovjet-Unie en Duitsland gebeurde: «Het herstel van het ge schied beeld gaat er langs de weg van de verloochening der historische wetenschap.» Romein wist waarover hij het had, want toen de CPN in de jaren dertig ineens een meer nationaal gezinde koers moest volgen, en men een congres wilde opluisteren met enorme portretten van grote vaderlanders, had de prominente communist Sebald Rutgers hem om advies ge vraagd. Ze konden namelijk geen nationale held uit de achttiende eeuw vinden. Romein had geantwoord dat die er ook niet was geweest, waarop Rutgers hem toebeet: «Dan is het de taak van jullie, linkse historici, die te ma ken!»

Soms lijkt het wel alsof we sinds de jaren dertig nog niet echt iets zijn opgeschoten. Ook nu wordt er op een tamelijk ondoordachte wijze gesproken over geschiedenis en de Nederlandse identiteit. Een deel van de verwarring komt overigens voort uit het feit dat er twee discussies door elkaar heen worden gevoerd. In de eerste plaats is dat het debat over de verwaarlozing van het geschiedenisonderwijs sinds de jaren zestig en de al dan niet noodzakelijke invoering van een «canon», en ten tweede is dat de discussie over de identiteit van Nederland en de betekenis daarvan voor het integratievraagstuk.

Uiteraard is het een gotspe dat er gediscussieerd wordt over de zogenaamde canon. Het gaat niet om de precieze invulling van de reeks gebeurtenissen, ontwikkelingen en figuren die iedere Nederlander zou moeten kennen – zo’n debat kan en moet altijd gevoerd worden – maar om het feit dat heel lang is gedacht dat zo’n canon onwenselijk was. Pas nu komt men er in bredere kring achter dat geschiede nisonderwijs volkomen zinloos is wanneer er geen gestructureerd verhaal wordt verteld. In zijn prachtige boekenweekessay Moederlandse geschiedenis, waarin hij ruime aandacht besteedt aan het door Huizinga gemunte begrip «historische sensatie», schrijft Henk van Os dat het heel moeilijk is om zo’n «gevoel van een onmiddellijk contact met het verleden» te hebben wanneer je geen enkel benul hebt van de historische structuur. Zonder historische feiten geen historisch besef, zonder besef van tijd geen werkelijk contact met het verleden. De structuur van de geschiedenis wordt nu eenmaal gevormd door de chronologie.

Het geschiedenisonderwijs zal de geschiedenis altijd moeten vereenvoudigen, zal veel moeten weglaten, zal dus nooit volmaakt zijn. Maar wanneer er nu eindelijk vanaf de basisschool een gestructureerd, chronologisch en beeldend verhaal wordt verteld, zullen er in ieder geval minder mensen geschiedenis, kunstgeschiedenis of politicologie gaan studeren die niet weten wie Karel de Grote was, die denken dat Willem van Oranje in 1600 bij Dokkum is vermoord en die als enige karakteristiek van Filips II weten te melden dat hij wel de zoon van Filips I zal zijn geweest.

Maar welk verhaal moet er dan verteld worden? Van welk verleden vinden wij dat het door alle Nederlanders, ongeacht hun afkomst, gedeeld moet worden? Hier verzeilen we in het debat over de zogenaamde Nederlandse identiteit, die door verschillende politici en opinieleiders wordt gezien als het noodzakelijke fundament voor een stabiele samenleving. In een van de aar digste boekjes die in het kader van deze boekenweek zijn verschenen, 1000 Jaar vaderlandse geschiedenis, noemt Peter W. Klein identiteit een «glibberig begrip dat bij het minste of geringste ontaardt in een tautologie: gelijk zijn aan zichzelf». Zolang een mens of een natie gezond is, denken ze er niet over na. «Zorg en bezorgdheid komen pas opdraven bij het gevoel dat er iets mis dreigt te gaan.»

De emeritus hoogleraar algemene geschiedenis te Leiden koestert dan ook wantrouwen jegens «alle intellectuelen, half- en namaakintellectuelen, geleerden, pseudo-geleerden, journalisten, columnisten, politici, volksmenners, partij-ideologen en wijsgerige tinnegieters» die zo hameren op de noodzaak van de vaderlandse geschiedenis. «De vaderlandse geschiedenis bestaat namelijk niet.» Hij herhaalt hier nog maar eens wat elke eerstejaars geschiedenisstudent te horen krijgt: dat er vele verschillende geschiedenissen zijn en dat de historische wetenschap zich dient te beperken tot «het op de een of andere manier bevredigen van de nieuwsgierigheid, dat wil zeggen tot het stellen van vragen en dat altijd maar weer. Geschiedenis schenkt geen zekerheden, het minst in onzekere tijden.»

Al die vraagtekens, al die ondermijnde zekerheden zorgen ervoor dat het beeld steeds verder wordt «vergruisd». Dat wil niet zeggen dat er ondertussen geen verhaal te vertellen valt, dat de altijd voorlopige resultaten van het historisch onderzoek niets anders vormen dan een enorme berg Lego-steentjes waarvan er niet één op de ander past. Het zal alleen altijd een voorlopig verhaal zijn.

Jos Palm, redacteur van het onvolprezen VPRO-radioprogramma OVT, heeft een rondgang gemaakt langs een groot aantal Nederlandse historici en heeft zo getracht de contouren van een historische canon te schetsen. In vogelvlucht scheert hij over het verleden van de geografische plek die tegenwoordig Nederland wordt genoemd, waarbij het opmerkelijk is dat Karel de Grote en het ontstaan van het feodalisme ontbreken, om te concluderen dat «beheersing» het sleutelwoord van onze vaderlandse geschiedenis is. Wie op zoek gaat naar «het wezen» van Nederland, komt im mers vroeg of laat altijd uit bij het «burgerlijke» karakter van deze delta. Burgers zijn mensen die zich hebben leren beheersen, die nieuwkomers een plek gunnen, op voorwaarde dat zij zich aanpassen en zich ook rustig, redelijk en rechtschapen gedragen. Palm spreekt over Nederland als «een permanente om gangs regeling voor allerlei gezindten en minderheden». In deze samenleving verlangt men niet zozeer naar het «vrije woord», maar naar het «beheerste woord». Dat klinkt hopeloos saai, maar het resulteerde wel in een «tolerant, degelijk en sociaal land dat de toets der kritiek van buitenlandse tijdgenoten kon doorstaan».

Het zelfgenoegzame, nationalistische geschiedbeeld dat in de negentiende eeuw werd opgetrokken, en dat velen in jaren van crisis en oorlog tot steun was, is na de Tweede Wereld oorlog met reden aangevallen en verbrijzeld, maar Palm stelt terecht dat de «onheuse onderschatting» die daarop volgde eveneens aan revisie toe is. «Ne derland moet opnieuw een vaderlandse geschiedenis krijgen, ontdaan van valse schaamte en valse superioriteit over het burgerschap, alleen al omdat het land en zijn geschiedenis niet ophouden bij eigen voordeur, straat of gezin.»

Het boekje van Palm is een uiterst leesbaar pleidooi voor een verstandige en relevante omgang met het verleden, als overzichtje van de Nederlandse geschiedenis voldoet het echter niet. Wie, omdat hij moet inburgeren of omdat hij slachtoffer is van de onderwijsvernieuwing van de jaren zestig en zeventig, op zoek is naar een verhelderend overzicht van de geschiedenis van Nederland en zich niet wil verliezen in tal van impressionistische verhalen en smakelijke anekdotes waarin nogal wat «boeken voor het brede publiek» grossieren, doet er goed aan Jona Lenderings Polderdenken te kopen. Op even beknopte als meesterlijke wijze laat Lendering zien hoe vanaf de Middel eeuwen, toen graaf Dirk III van Holland de feodale banden doorbrak door degenen die zijn zompige territorium ontgonnen de vrijheid te schenken, in Nederland iets ontstond dat uniek was: de overlegcultuur. Terwijl overal in Europa horige of zelfs lijfeigen boeren zuchtten onder het juk van de adel overlegden de vrije Hollandse boeren op zakelijke wijze met hun landsheer. Nadat de ontginning van het veen had geresulteerd in een ecologische ramp, en de Noordzee het gebied begon te overspoelen, moesten de boeren zich organiseren in waterschappen, waar door er nog vaker en intensiever overlegd moest worden. Het was geen toeval dat toen er een alternatief leek te komen voor het sterk hiërarchische katholicisme, het in wezen egalitaire calvinisme in deze samenleving snel wortel schoot. Toen door de centralisatie pogingen van Karel V en Filips II ook het stille bondgenootschap tussen landsheer en onderdanen werd opgezegd, brak de Opstand uit en ontstond de soevereine Republiek der Verenigde Nederlanden.

Lendering ontkent niet dat de overlegcultuur zijn schaduwkanten heeft. Doordat er altijd een compromis moet worden gezocht, is het moeilijk om «beleid op hoofdlijnen» uit te stippelen. Er zijn immers zoveel «hoofdlijnen». Hierdoor is het maken van radicale keuzes en het nemen van echt innovatieve maatregelen vaak niet mogelijk. Dit is een van de oorzaken van het feit dat de Industriële Revolutie niet in Nederland maar in Engeland uitbrak. Een andere oorzaak was dat Hollandse werkgevers te veel respect hadden voor hun werknemers. De Engelse grootgrondbezitters die het initiatief tot industrialisatie namen woonden op grote afstand van hun arbeiders, en zagen er geen been in om hen op de meest meedogenloze wijze uit te buiten en op te jagen. De Nederlandse werkgever was hiervoor over het algemeen te humaan, hield te veel rekening met zijn mensen.

Hoewel Lendering nog meer nadelen van de overlegcultuur signaleert – zoals het te lang verborgen blijven van ernstige meningsverschillen en het doodzwijgen van grote problemen – gelooft hij niet dat het Nederlandse model echt in crisis verkeert: «De Nederlandse overlegcultuur is in feite niet stuk te krijgen. Het lukte de Franse en Duitse bezetters evenmin als de Spaanse soeverein. Het streven naar consensus is Nederlanders zó dierbaar dat ze er nooit afscheid van zullen nemen. Het einde van de overleg cultuur zou per slot van rekening niets anders zijn dan het einde van de Nederlandse identiteit.»

Dit oordeel wordt van harte onderschreven door Herman Pleij, in diens vlammende Erasmus en het poldermodel. Hoewel beide fenomenen tegenwoordig geen al te goede pers hebben, en Erasmus soms wordt neergezet als een karakterloze opportunist die in feite «de architect was van de schemerige doofpot die uitgesproken standpunten smoort en altijd aanstuurt op een mistige middelmaat van aangepaste meningen», zijn zij volgens Pleij «onweer staanbaar». Volgens hem is het poldermodel of Lenderings overlegcultuur helemaal geen stelsel dat altijd zo harmonieus is. Doordat zoveel uiterst uiteenlopende belangen en op vattingen deelnemen aan de besluitvorming gaat het er vaak stevig aan toe, en lijkt het bestel dikwijls op zijn grondvesten te schudden. Pleij om schrijft het dan ook als «een conflictmodel met de pragmatiek van een ingebouwde tolerantie, die vroeg of laat maar wel altijd naar een leefbare consensus leidt».

Er is geen groter verschil mogelijk tussen dit betrekkelijk fatsoenlijke be stel en de door Pleij geciteerde opvatting van Ayaan Hirsi Ali: «Of je bent goed met elkaar of je hebt oorlog. And the winner takes all! Niks poldermodel!» Goed idee! Laten we een voorbeeld nemen aan Afrika of het Midden-Oosten!