Het verlangen huid te zijn

Arjen Duinker, De gevelreiniger en anderen. Uitg. Meulenhoff, 54 blz., \f29,90
LATEN WE NOU bij wijze van gedachtenexperiment eens gewoon beweren dat er in de afgelopen tien jaar een nieuwe dichtkunst is ontstaan. Ik houd niet zo van het woordje ‘nieuw’, dat in deze tijd waarin mensen vooral ‘consumensen’ zijn geworden, al op voorhand riekt naar Loeki de Leeuw. En ik houd eigenlijk ook helemaal niet van het woordenpaar ‘nieuwe dichtkunst’, dat herinnert aan zich als paparazzi gedragende literaire journalisten die met telelenzen in het literaire struikgewas liggen te wachten tot er weer iemand verschijnt die zichzelf als kroonprins opwerpt. Dus als ik het hier over een nieuwe dichtkunst heb, dan bedoel ik de dichtkunst waarvan iemand als bijvoorbeeld Arjen Duinker mij een belangrijke vertegenwoordiger lijkt, een dichter die zich nu niet bepaald in het literaire centrum ophoudt. Zijn poezie is daar wel ‘waardeloos’ genoemd, ooit, en recentelijk betwijfelde iemand in de krant of hij wel ‘echt’ was, deze Duinker.

Ik kom hem wel eens tegen, hier of daar, meestal in zijn bundels of in tijdschriften, soms ook op spreekbeurten, en ik kan u verzekeren: Duinker is echt. En hij schrijft nieuwe poezie - nee, niet van die poezie waarin welbewust en regel voor regel de poezieopvattingen van het literaire centrum worden bestookt; hij is geen ‘revolutionair’ of zoiets, zo'n dichter die zegt dat de marge van vandaag het centrum van morgen zal zijn. Wat in dat centrum voor poezie doorgaat, interesseert hem niet erg, zo is mijn indruk. Hem interesseert de wereld.
Welke wereld? Zo ben je vandaag de dag onmiddellijk geneigd te vragen. De wereld, zo luidt het antwoord. Nee, niet een van God gegeven of door ideologen bedachte wereld. En ook niet een door godloochenaars negatief gedefinieerde wereld, of een postmodernistische chaotische wereld. Gewoon, de wereld. Ja maar, ja maar - dat kun je toch zo eigenlijk niet zeggen, vandaag de dag? Aan het eind van deze eeuw is toch iedereen ervan doordrongen dat elke voorstelling van de werkelijkheid hoogstens een al te menselijk concept is? Toch?
'KIJK EENS om je heen’, zo zegt bijvoorbeeld een van de twee stemmen in het gedicht 'Gesprek op twee bootjes’: 'Een oogopslag is al voldoende/ Om te voelen dat dit oppervlak als leven is,/ Zo onverzettelijk, zo dapper, zo plooibaar./ Hier klopt ons hart, beste vriend,/ Hier zijn we thuis’.
Ja, zo kun je het zeggen, natuurlijk, dobberend in zo'n bootje. Maar de andere stem in het gedicht zegt: 'Ik voel me gelukkig.’ Daarmee spreekt hij de eerste stem niet werkelijk tegen, lijkt me, maar het is toch wat anders. Die eerste stem antwoordt dan ook: 'Onmogelijk! Daar ben je niet toe in staat./ Ik evenmin. Je bedwelmt jezelf met voorwendsels./ Zand in je aderen, stuifmeel in je buik./ We kunnen slechts voelen met ons verstand,/ We kunnen slechts voelen wat we weten./ Zo rimpelt ook dit water,/ Het is een reflex.’
En ja, daar heeft hij wel een beetje gelijk in, deze stem: dat we slechts kunnen voelen wat we weten, omdat we als mensen nu eenmaal altijd tegenover de wereld staan. Je kunt niet zomaar gelukkig zijn als je dat eenmaal inziet, tenzij je jezelf wijsmaakt dat je een bent met wat je ziet.
Best mogelijk, maar 'O, moet je die kreeftjes zien!’, zegt de andere stem weer, en even later: 'Ik voel me gelukkig om vanavond./ Laten we die kreeftjes eten!’
Uiteindelijk drijft hij met een 'Groeten aan je moeder en tot later’ dit gedicht uit, de eerste stem achterlatend met gepeins over hoe het wateroppervlak, zijn vanzelfsprekende aanwezigheid, zijn oppervlakkigheid - hoe dat troost is voor de mens die zo niet kan zijn. 'Ik trek me terug op de horizon, reken,/ Ik construeer de huid die mij onthult.’
Zo'n laatste zin is een prachtige formulering van zowel het verlangen als de onmogelijkheid het te vervullen: het verlangen huid te zijn, zonder meer, eenvoudig, zonder afstand tot de dingen, tot de wereld, tot jezelf. Zoals de eigenaar van die andere stem lijkt te zijn.
Het is verleidelijk om nu te veronderstellen dat de dichter uitsluitend in die andere, die gelukkige stem schuilgaat. Duinkers poezie is een schijnbaar blote opsomming van dingen, geuren en glinsteringen en ademt op het eerste gezicht een eenvoud die grenst aan naiviteit. Domweg gelukkig, zo lijkt het. Dat zal ook de reden zijn waarom aan de 'echtheid’ van deze gedichten werd getwijfeld: zo naief kun je immers vandaag de dag niet zijn, en misschien kon het wel nooit. Maar zo naief is deze schijnbaar doodeenvoudige poezie dan ook niet.
Zeker, Duinkers poezie komt voort uit het verlangen naar eenvoud, naar moeiteloosheid, maar het is een verlangen. Dat wil zeggen dat die eenvoud en moeiteloosheid altijd aan gene zijde, in de wereld liggen, op een afstand staan. 'Zonder moeite was de bloem’, schrijft Duinker bijvoorbeeld, maar die moeiteloosheid wordt in het lange gedicht waaruit deze regel komt, gepresenteerd als een droom. Constateren dat een bloem zonder moeite is, is eigenlijk al een stap te veel; die bloem zelf zal het namelijk een zorg zijn. Zij bestaat en zij bestaat zo moeiteloos dat de constatering dat zij moeiteloos is, volstrekt overbodig wordt. 'Seizoen noch droom, gedroomd door de tuinman,/ Veranderde iets aan de bloem’, schrijft Duinker dan ook. Een bloem is een bloem is een bloem, zoals de wereld de wereld. Maar die eenvoud, dit tautologisch denken, is allesbehalve eenvoudig, eigenlijk. Omdat wij mensen zijn en het al te menselijke voorop plaatsen.
In veel gedichten lijkt Duinker dan ook de wens uit te spreken dit al te menselijke te verliezen. In 'Die formele kennis’ bijvoorbeeld legt een man 'zijn inhoud af’ en zien we hem 'een onpersoonlijke hand’ opsteken 'naar de vrouw die hij ooit persoonlijk liefhad’. In 'Onbekende grootheid’ staat iemand bij een bushalte helemaal niets te doen, 'een man, zonder doel,/ Die tijd verdeed, verprutste,/ Die niet verlangde, geen poot uitstak’.
In weer een ander gedicht geeft iemand namens de kakkerlak een persconferentie en deelt onder andere mee dat het de kakkerlak koud laat dat hij niet erg geliefd is en dat hij vooral met rust gelaten wil worden.
HET LIJKT er dus op dat het verlangen naar eenvoud bij Duinker uitloopt op een pleidooi voor een superieure, haast nietzscheaanse onverschilligheid. En toch, als ik deze bundel lees, word ik vooral getroffen door de intense liefde voor de dingen zoals die uit alle gedichten spreekt. De dingen worden losgemaakt van de menselijke blik - hier op te vatten als de blik die nooit zonder bijbedoelingen naar de wereld kijkt, altijd een ander belang heeft dan de dingen zelf - om in een zuivere gedaante voor ons te verschijnen. Dat zijn, dat willen worden, verlost van alles wat ons moeite geeft, van alles ook wat van de wereld een door mensen bedachte (altijd weer relativeerbare) werkelijkheidsvoorstelling maakt, een concept, een abstractie.
Het blijft een verlangen, herhaal ik nog maar eens. Een gedicht is bij uitstek een verschijningsvorm van het al te menselijke, omdat het over de dingen gaat. Wie over de dingen spreekt, werpt een anker uit, drijft al niet meer mee, schept afstand, moeite. Juist dat besef naast het verlangen - zeg maar: dat wat die eerste stem uit 'Gesprek op twee bootjes’ formuleert - maakt van Duinkers gedichten houten ankers, zoals het in 'Glinstering op doortocht’ heet. Daarin drijft een glinstering door het kanaal, een glinstering die niets is dan glinstering, maar die waargenomen door een mens toch iets wil betekenen. Zo zitten we nu eenmaal in elkaar.
De botsing tussen de noodzaak aan zo'n glinstering een betekenis te geven en ons verlangen als die glinstering zonder betekenis te zijn, 'formidabele onduidelijkheid’, maakt dat die glinstering 'vermomd als houten anker’ in het gedicht verschijnt. Opnieuw een prachtige formulering van de paradox waar het in Duinkers poezie om gaat.
Een nieuwe poezie, zo herhaal ik ook nog maar eens. Nieuw omdat Duinker weer onomwonden streeft naar een zuivere verhouding tot de wereld, naar echtheid, juist. De wereld verschijnt in zijn gedichten 'niet om te imponeren/ Of om te waarschuwen voor onheil’; zij verschijnt 'niet als rat’ en ook niet 'satirisch’, zoals in onze huidige, van relativering en zelfrelativering vergeven cultuur het geval is. De wereld verschijnt als wereld, ook al is dat paradoxaal. Naief kun je dat niet noemen. Intens, betrokken en - ja, waarom niet? - groots en meeslepend.