Het verlangen naar de echte ouders

Onlangs erkende de Hoge Raad het recht van tehuiskinderen om te weten wie hun ouders zijn. Vanwaar dat verlangen naar de echte ouders? ‘Het zijn juist de triviale vragen waar je antwoord op wilt hebben. Van wie heb ik toch die zweetvoeten?’

DE EERSTE KEER dat ik mijn vader zag was ik twintig. Groot en grijs zat hij te wachten aan een tafel van het Americain Hotel. We waren vreemden voor elkaar. Ik was amper drie toen hij wegging. Hoe moest ik hem begroeten? In de film zouden mensen elkaar om de hals zijn gevlogen. Ik gaf hem een hand. De ontmoeting was onontkoombaar.
Al jaren kwelde ik mezelf en mijn omgeving met vragen over deze man. Volgens mijn moeder verdiende hij niet eens het predikaat vader. Zij noemde hem steevast ‘jouw verwekker’. Mijn tantes vertelden vreselijke verhalen over hem, ze kenden niemand die zo onmogelijk was als hij. Zo ben ik met de jaren sterk gaan verlangen hem te ontmoeten. Er moest toch iets aan hem deugen? Ik was per slot van rekening toch ook een lief kind, en van wie had ik bovendien die dopneus?
Vanwege een officiele naamsveranderingsprocedure werd het zoekwerk verricht door de politie. De ontmoeting die daarop volgde, viel tegen. We waren allebei vreselijk zenuwachtig en praatten slechts over dingen die er niet toe deden. Hij vertelde minstens een half uur over zijn marmeren badkamer. De brandende vraag: 'Waarom ben je weggegaan?’ kon ik niet over mijn lippen krijgen. Toen we opstonden voor een onhandig afscheid gaf hij me honderd gulden. Ik denk dat hij zich er schuldig over voelde dat hij bijna twintig jaar niets van zich had laten horen. Mijn moeder heeft het me lange tijd niet kunnen vergeven dat ik dat geld heb aangenomen.
IN APRIL WONNEN vijf dochters van ongehuwde moeders bij de Hoge Raad het proces waarin zij om inzage vroegen in hun afstammingsgegevens. Spil van deze gezamenlijke actie is de vijftigjarige Riet Monteyne. Ze werd in 1944 geboren in Moederheil, het tehuis voor ongehuwde moeders in Breda dat tegenwoordig Valkenhorst heet. Een kind van een ongehuwde moeder was in die jaren een schande. Monteyne: 'Als je destijds een vraag over je afkomst stelde, kreeg je niet eens antwoord, dan stuurden ze je naar buiten om te gaan spelen. Laat staan dat je het recht kreeg om je eigen dossiers in te kijken, dat zou de privacy van de moeder te veel aantasten. Ze dachten in dat soort instellingen nooit aan de rechten van het kind, ze vonden het simpelweg niet nodig dat je wist waar je vandaan kwam.’
Er zijn dingen waarover Monteyne zich nog steeds kwaad kan maken: deskundige hulpverleners die haar verlangen naar identiteit bagatelliseren door te zeggen dat ze als individu toch ook heel veel waard is, mensen met twee opa’s en oma’s en een fijne vader die vinden dat ze zich niet zo moet aanstellen. 'De kritiek van mensen die wel een babyboek hebben, kan ik missen als kiespijn. Die weten niet hoe het voelt om wortelloos te zijn opgegroeid.’
Met de rechterlijke uitspraak is een nieuwe richtlijn uitgezet. Er is een einde gekomen aan de jarenlange procedures die Monteyne en andere lotgenoten voerden tegen hun geboortehuis. De Hoge Raad is aan de kant van de dochter gaan staan en vindt dat het recht van het kind te weten wie de biologische vader is, zwaarder weegt dan het recht van de moeder om dit geheim te houden. Bij Valkenhorst meldden zich na de uitspraak dagelijks minstens zes vrouwen die inzage wensten in hun dossier.
In 1989 begon Monteyne haar actie met een hongerstaking van eenendertig dagen en verhinderde mede daardoor dat Valkenhorst vijfduizend afstammingsdossiers zou vernietigen. Het was de eerste stap in een lange reeks protesten, tot de Hoge Raad uiteindelijk besloot dat kennis van de eigen afkomst een grondrecht is. In zijn schriftelijke toelichting legt advocaat-generaal T. Koopman uit dat het recht op een eigen identiteit deel uitmaakt van het persoonlijkheidsrecht en dat de kennis over afstamming onontbeerlijk is voor de kennis van die identiteit. Het kind dat kennis over zijn afstamming eist, oefent derhalve een grondrecht uit, ook al wordt het persoonlijkheidsrecht noch in de Europese Verklaring van de Rechten van de Mens, noch in de Nederlandse grondwet met zoveel woorden erkend.
Voor Monteyne betekende het een hele triomf dat de 'afstammingskinderen’ door de hoogste rechter van Nederland in het gelijk zijn gesteld. Aan tegenstanders was er nooit gebrek. In De Tijd van 30 juni 1989 deed dr. J. Kremer, hoogleraar in de leer van de menselijke voortplanting, het verlangen naar kennis omtrent de biologische ouder nog af als 'een nogal modieuze stroming uit de hoek van psychologen en pedagogen, die vooral door de televisie is gepropageerd en opgepikt. In de praktijk blijkt meestal dat het contact tot een keer beperkt blijft en de ontmoeting voor veel kinderen een afknapper is.’
Spoedig zal Riet Monteyne nu op zoek gaan naar haar biologische vader en het dossier openen dat gegevens over hem bevat. De vraag is of haar vader nog leeft, en zoja, of hij dan bereid is een ontmoeting met haar te hebben. 'Het is een levensbehoefte om te weten waar je wortels liggen’, verklaart Monteyne de allesomvattende wil haar biologische gegevens te achterhalen. 'Vroeg of laat is het zover, dan wil je weten waar je vandaan komt. Tot nu toe is er in mijn leven altijd iets geweest wat ontbrak. Eigenlijk leefde ik maar voor de helft. Er zijn zo veel vragen die ik zou willen stellen, dingen die ik al mijn hele leven heb willen weten. Ik ben bijvoorbeeld een creatief mens en van wie heb ik dat? Ook heb ik al mijn hele leven zweetvoeten en je wilt uiteindelijk toch weten waar dat vandaan komt. Tot slot ben ik bijzonder driftig - heb ik dat van hem? Net als dat rare dunne haar waar ik mee ben opgezadeld, terwijl mijn moeder een prachtige bos haar had. Het zijn juist de triviale vragen waar je antwoord op wilt hebben.’
HET VERLANGEN HAAR achtergrond te leren kennen was voor Monteyne zo groot dat ze tijdens de jaren van actie voeren haast niet aan haar modezaakje en het ontwerpen van kleding toekwam. Ze heeft zelfs de helft van haar inboedel moeten verkopen om de proceskosten te dekken. De Stichting Afstamming en Donorinseminatie, waarvan Monteyne voorzitter is, heeft nooit een cent subsidie gehad. Eigenlijk vindt ze dat de Raad van de Kinderbescherming en de Fiomhuizen de knuppel in het hoenderhok hadden moeten gooien. Waarom is dat niet gebeurd? 'Dat komt omdat niemand geloofde dat het recht je identiteit te kennen een fundamenteel recht is en omdat er neergekeken werd op mensen zoals wij’, zegt Monteyne. 'Onwettige kinderen kwamen vroeger niet eens in aanmerking voor een rijksbaan. We hebben altijd het etiket van de “labiele bastaard” opgeplakt gekregen. Dat zal nu wel veranderen. We hebben voor 60.000 kinderen van ongehuwde moeders die op zoek zijn of gaan naar afstammingsgegevens de kastanjes uit het vuur gehaald.’
Monteyne wil graag benadrukken dat de biologische vaders niet bang hoeven te zijn voor hun centen op de dag dat de kinderen bij hen op de stoep staan. 'Officieel heeft een kind dat niet erkend is alleen familierechtelijke banden met de moeder. Zo'n kind heeft verder geen enkel erfrecht, dat is uitgesloten in het burgerlijk wetboek. Het kind kan alleen maar hopen op begrip, op wat meer informatie, maar kan nergens aanspraak op maken.’
Zoals al uit de naam blijkt, springt de Stichting Afstamming en Donorinseminatie niet alleen in de bres voor kinderen van ongehuwde moeders maar ook voor kinderen die hun afstamming om andere redenen niet kennen. Een grote groep van deze kinderen is verwekt door middel van kunstmatige donorinseminatie, de zogenoemde 'KID-kinderen’. Ze kunnen simpelweg niet op zoek gaan naar hun vaders omdat de gegevens van de donoren worden vernietigd op het moment dat het kind zeven wordt. In Nederland wordt er al vanaf 1947 gewerkt met zaaddonoren. Inmiddels zijn er op deze manier ongeveer twintigduizend kinderen verwekt. Zeven van hen, allen meisjes, zijn inmiddels op zoek gegaan naar de biologische vader, zo bleek vorig jaar uit onderzoek. De uitspraak van de Hoge Raad betrof echter niet deze KID-kinderen. Voor hen ligt er bij de Tweede Kamer een wet die in de weken na de kabinetsformatie zal worden behandeld en die er in voorziet dat een nog op te richten stichting alle gegevens van donoren verzamelt en beheert. Een kind op zoek naar zijn biologische achtergrond kan dan in ieder geval medische gegevens, uiterlijke kenmerken en nog een paar gegevens over de identiteit van de donor achterhalen. Alleen de kinderen die na de inwerkingstelling van de wet worden geboren, zullen gebruik mogen maken van het recht op inzage. Ook houdt de nieuwe wet niet in dat ieder kind de stichting kan opbellen met vragen. KID-kinderen krijgen alleen antwoord op hun vragen als de donor daar toestemming voor heeft gegeven. Wil een donor anoniem blijven, dan krijgt een - inmiddels wellicht volwassen - kind alleen bij ernstige psychische problemen omtrent zijn achtergrond de informatie waarom hij vraagt.
Volgens Monteyne en haar stichting gaan deze maatregelen niet ver genoeg. Haar stichting adviseerde de bewindslieden Hirsch Ballin (Justitie) en Simons (Volksgezondheid) voor iedere donor een donorpaspoort in te voeren waarin de naam van de donor onvermeld blijft, maar waarin uitgebreide sociale, culturele en medische gegevens in zijn opgenomen. 'Het gaat om een mentaliteitsverandering’, zegt Monteyne over het advies. 'Het belang van het kind moet vooropstaan. Het is natuurlijk zeer terecht dat een donor zich niet met de opvoeding mag bemoeien, maar voor het kind kan het belangrijk zijn later de gegevens van zijn natuurlijke vader te kunnen inzien. We hebben de medewerking van een grote groep gynaecologen, ze hebben beloofd de gegevens van de donoren in ieder geval niet te vernietigen voordat de wet erdoor heen is.’
DE MENINGEN OVER de rol van de biologische ouder(s) zijn sinds de oorlog sterk veranderd. Waar vroeger in het diepste geheim ongehuwde moeders de naam van de vader met het schaamrood op de kaken aan de dossiers toevertrouwden, vindt men nu dat de kinderen van deze moeders recht hebben op inzage in de voorheen volstrekt ontoegankelijke dossiers. Waar tot voor kort de anonieme zaaddonor alleen zijn zaad deponeerde om zich daarna stilletjes uit de voeten te maken, gaan nu steeds meer stemmen op om deze anonimiteit op te heffen. Ook is er in Nederland altijd veel verzet geweest tegen een adoptiewetgeving; pas in 1956 was het zo ver, ons land was daarmee het laatste land in Europa dat een dergelijke wet invoerde. Vooral de Nederlandse charitas-instellingen hebben zich hardnekkig verzet tegen de legalisering van adoptie, omdat men vond dat moeder en kind ten allen tijde bij elkaar hoorden.
Tussen 1950 en 1965 is er, vooral vanuit de confessionele hoek, sterke drang uitgeoefend om kunstmatige inseminatie in haar totaliteit strafbaar te stellen omdat het de afstamming voor het kind verduisterde. Na 1975 laaide het debat weer op, toen de Bewust Ongehuwde Moeders op het toneel verschenen en lesbische stellen kinderen wilden zonder dat daar een vader aan te pas kwam. Zij kregen te horen dat de rol van de biologische vader onmisbaar was voor de opvoeding en de totstandkoming van een sekse-identiteit van het kind. De invloedrijke (en vorige week overleden) psychoanalyticus E.H. Erikson wees er in de jaren vijftig op dat de afwezigheid van een vader bij de opvoeding invloed heeft op het 'separatie-individuatieproces’. Als de vader ontbreekt zou het kind al te zeer symbiotisch verbonden blijven met de moeder. Een vader zou vooral in de adolescentieperiode nodig zijn om het kind in staat te stellen emotionele afstand van zijn moeder te nemen.
De vrouwen die zonder de verwekker hun kind wensten op te voeden, brachten daar terecht tegen in dat het erom ging dat het kind 'liefdevol’ opgroeide. Toch zagen ze iets over het hoofd. Ze vergaten dat kinderen volwassen worden en zich gaan afvragen waar ze vandaan komen. Niet omdat ze zo'n rotjeugd hebben gehad of van alles tekort zijn gekomen, maar omdat de behoefte te weten waar je vandaan komt behoorlijk hardnekkig is. In Nederland is recent onderzoek gedaan naar Eriksons identificatiemodel. Voor sommige eenouderkinderen was het ontbreken van afstammingskennis problematischer dan voor anderen. In ieder geval valt op grond van thans bestaand onderzoek niet vol te houden dat onbekendheid met de biologische wortels de identiteitsvorming op desastreuze wijze bemoeilijkt. Men blijkt zich in de praktijk voldoende te kunnen identificeren met huisgenoten, familieleden of vrienden.
NATUURLIJK KUN JE ze niet allemaal over een kam scheren: de kinderen die in de roes van de bevrijding in 1945 zijn verwekt door een Amerikaanse of Canadese soldaat die vervolgens met de noorderzon vertrok, de KID-kinderen geboren bij een ouderpaar waarvan de vader niet zo vruchtbaar bleek, de kinderen die door een vroege scheiding alle contact met hun vader of moeder verloren, de kinderen die uit Griekenland werden geadopteerd door ouders die dachten dat ze hen hier een beter leven konden geven. Allemaal hebben ze hun eigen verhaal. Toch is er een bindende factor: de nieuwsgierigheid naar de biologische identiteit, het verlangen te willen weten van wie je afstamt.
Maarten Vervaat (24) is een adoptiekind. Hij is, aanvankelijk met de hulp van zijn inmiddels overleden adoptievader, al jaren bezig met het zoeken naar zijn biologische oorsprong. Vervaat maakte deel uit van een groep Griekse kinderen die in de jaren zeventig naar Nederland was gehaald. De adoptie kwam tot stand via de Stichting Metera in Athene, die destijds de ongehuwde moeders opving. Metera legde op Vervaats verzoek contact met zijn moeder en regelde, met tussenkomst van een maatschappelijk werker, een ontmoeting. Het contact tussen moeder en zoon is tegenwoordig redelijk goed, al voelt Maarten zich af en toe nog wel het ondergeschoven kindje; zijn Griekse moeder is namelijk enige tijd na zijn geboorte getrouwd en haar man mag niets van het bestaan van Maarten weten.
Toch doet het hem goed zijn biologische moeder te hebben ontmoet. Hij is er rustiger door geworden en zegt het gevoel te hebben een gedeelte van zichzelf te hebben gevonden. 'Als een kind niet op zoek wil naar de biologische identiteit is dat een keuze die hij zelf maakt. Maar het is een slechte zaak als ze de weg gewoon voor je afsluiten. Het lijkt me onacceptabel om dit soort belangrijke dingen vanuit het ouderlijk perspectief te blijven bekijken. Het recht van een kind staat voorop en daarom is het goed dat er steeds meer openheid van zaken komt.’
ZEVEN JAAR NA de eerste ontmoeting kreeg ik opnieuw een dwingende behoefte mijn vader te zien. Ik was de hoge verwachtingen die ik voor de eerste ontmoeting koesterde, kwijtgeraakt, maar kampte in mijn volwassen leven wel met een flinke dosis bindings- en verlatingsangst. Bovendien was het verlangen om hem - en met hem een stukje van mijzelf - te leren kennen groter dan de angst voor een nieuwe teleurstelling. En het ging inderdaad veel beter dan de eerste keer. Nu pas durfde ik hem wezenlijke vragen te stellen en hoorde ik hem zeggen dat hij niet om mij was weggegaan. Al is het contact nog heel broos, toch heb ik er zomaar iemand bijgekregen die om mij geeft, iemand die toevallig ook nog heel veel op mij lijkt.