40 jaar na de Iraanse revolutie

Het verlangen naar een Iraanse Mandela

Vier decennia na de omwenteling van 1979 leeft onder veel Iraniërs wederom grote onvrede met het regime. Vooralsnog houden gebrek aan georganiseerd protest en dreigende repressie een nieuwe revolutie echter tegen.

Teheran, mei 2018. Op de muur ayatollah Ali Khamenei (l), de huidige hoogste leider van Iran en Ruhollah Khomeini, leider van de revolutie in 1979 © Ali Mohammadi / Bloomberg via Getty Images

In Iran wordt de veertigste verjaardag van de revolutie die uitmondde in een Islamitische Republiek grootscheeps gevierd. De regerende geestelijken in Teheran grijpen ‘De tien dagen van dageraad’ (Dahe-ye Fajr) aan om Trump en de rest van de wereld te laten zien dat ‘het Iraanse volk’ anno 2019 nog steeds dolenthousiast terugblikt op de terugkeer van ayatollah Khomeini en de ineenstorting van het pro-Amerikaanse regime van sjah Mohammad Reza Pahlavi.

De feestelijkheden begonnen op 1 februari, de dag waarop Ruhollah Khomeini in 1979 arriveerde op het niet lang daarna naar hem genoemde vliegveld. Zo’n drie miljoen mensen stonden destijds langs de straten van Teheran bijeengepakt om hun leider te verwelkomen. Oude tv-beelden waarop te zien is hoe een uitzinnige menigte leuzen roept als ‘Het monster is gegaan, de engel is gekomen’ worden dezer dagen op de staatstelevisie vaak herhaald, net als die van de toespraak die de oude ayatollah hield nadat hij in Teheran was geland. Vanaf het vliegveld ging hij per helikopter linea recta naar de begraafplaats Behesht-e Zahra om eer te betuigen aan de ‘martelaren van de revolutie’. De eerste zinnen van zijn eerste redevoering op Iraanse bodem na ruim twintig jaar ballingschap waren woorden van medeleven voor de moeders van mannen en vrouwen die waren gefolterd en vermoord vanwege hun verzet tegen de dictatuur van het Pahlavi-bewind.

Het droeg zeker bij aan zijn populariteit en de martelaren van de revolutie bleven een belangrijke rol spelen in de retoriek van de Islamitische Republiek. Ook toen ze in aantal al ruimschoots werden overschaduwd door nieuwe martelaren, de – vaak zeer jonge – soldaten die vanaf 1980 vielen in de door Saddam Hoessein begonnen, maar door Khomeini heilig verklaarde oorlog met Irak. Foto’s van een fine fleur van deze martelaren sieren nog steeds de straten van alle steden en dorpen in Iran, steeds vaker vergezeld door portretten van Revolutionaire Gardisten die de laatste jaren in Syrië de dood vonden bij hun verdediging van het Assad-bewind, het regime van het enige land dat Iran steunde in de achtjarige oorlog met Saddams Irak en alleen al daarom op Iraanse loyaliteit kan rekenen.

Maandag 11 februari, de dag waarop veertig jaar geleden de overgebleven commandanten van het Iraanse leger hun toch al op grote schaal deserterende manschappen opriepen zich neer te leggen bij de overwinning van de revolutie, is een vrije dag voor alle Iraniërs. In de staatsmedia zullen invloedrijke Khomeini-aanhangers van toen nog eens de zegeningen bezingen van een staatsbestel op islamitische grondslag dat zich niet laat koeioneren – ‘noch door het Westen, noch door het Oosten’, zoals het oude motto luidde. Ali Hosseini Khamenei – sinds de dood van Khomeini in 1989 de opperste leider – zal ongetwijfeld een donderpreek houden waarin hij Amerika, Israël, Saoedi-Arabië en hun (Iraanse) handlangers de schuld geeft van alles wat er mis is in Iran, het Midden-Oosten en de rest van de wereld. Zeker zullen er strategisch gefilmde beelden naar buiten komen om extatische massabijeenkomsten te suggereren, maar van een grootse toestroom zal geen sprake zijn. Het zijn de regimegetrouwen die deelnemen aan bijeenkomsten waar bij het verbranden van Amerikaanse en Israëlische vlaggen ‘Dood aan Amerika’ en ‘Dood aan Israël’ wordt gescandeerd. De rest van Iran blijft ver van alle feestgedruis en mijdt nog meer dan op andere dagen de uitzendingen van de staats-tv.

Historici komen met indrukwekkende cijfers als het gaat om het aantal Iraniërs dat betrokken was bij de Iraanse revolutie van 1978-1979: twee keer zoveel als het aantal Fransen dat in de achttiende eeuw warmliep voor verdrijving van het ancien régime, tien keer zoveel als de hoeveelheid Russen die zich schaarde achter de communistische machtsovername van 1917. Brave huisvaders gingen ineens midden in de nacht de straat op om autobanden in brand te steken en ‘Allahoe akbar’ te roepen. Doorgaans timide huisvrouwen liepen samen met hun studerende dochters mee in anti-sjahbetogingen. In Teheran, Isfahan, Tabriz, Mashhad, Ahvaz en andere steden was een groot deel van de bevolking op de been om Mohammad Reza Pahlavi weg te krijgen.

Van een zo overweldigende aanhankelijkheid aan regime change kan de oppositie tegen het huidige bewind in Teheran alleen nog maar dromen. Sinds de opstanden van de Arabische lente voornamelijk ontaardden in geweld, oorlog en nog meer repressie is in Iran de gedachte aan een nieuwe revolutie extra besmet geraakt. Niettemin wemelt het op Twitter, Telegram en andere sociale media van de commentatoren die in alle toonaarden beweren dat ‘het Iraanse volk’ ernaar snakt de moellahs te verjagen. Zowel in als buiten Iran wordt volop gefantaseerd over vervanging van het systeem van Velayat-e Faqih, waarin noch het parlement noch de gekozen president de meeste zeggenschap heeft, maar de hoogste politieke macht wordt gevormd door een gremium van geestelijken, met aan het hoofd een ayatollah die over van alles en nog wat vetorecht heeft en die aanblijft tot hij sterft of een opvolger aanwijst.

Velayat-e Faqih werd ingevoerd nadat de meeste Iraniërs ‘ja’ stemden toen ze zich in april 1979 per referendum mochten uitspreken over de vorming van een islamitische republiek. Dat referendum vond plaats na maanden van chaos en velen zagen in Khomeini een bindende leider die voor rust en rechtvaardigheid zou zorgen. Het duurde niet lang voordat onder mede-oproerlingen de kater kwam over deze uitkomst van de revolutie, eerst en vooral bij linkse jongens en meisjes die dag en nacht in touw waren geweest om met gevaar voor eigen leven het Pahlavi-bewind te bestrijden. Vanwege Khomeini’s gewoonte zijn toespraken te larderen met oneliners over vrijheid, gelijkheid en democratie hadden velen van hen in de illusie verkeerd in de oude ayatollah een bisschop Tutu-achtige bondgenoot te treffen.

‘Een islamitische staat kan niet totalitair of despotisch zijn, maar alleen constitutioneel en democratisch’, was een van de opvattingen die hij ventileerde. En: ‘In een islamitische staat geniet iedereen bescherming van de wet.’ Zijn opvattingen over vrouwen waren eveneens progressief te noemen. Hij riep ouders op hun dochters te laten studeren en hij liet weten dat vrouwen wat hem betreft buitenshuis konden werken. Eenmaal aan de macht verdedigde hij een islamitische rechtsorde waarin vrouwen formeel tweederangs burgers werden.

Zoals de Teheraanse sociologe Fatemeh Sadeghi nog eens uitlegt: ‘De conservatieve islamisten waren het best georganiseerd, ook al voor de revolutie. De repressie van de sjah richtte zich op het bestrijden van linkse groepen. In die jaren van Koude Oorlog was hij gefixeerd op het communistisch gevaar. Linkse groepen zagen in 1978 hun aanhang groeien, maar ze bleven verdeeld over wat er moest gebeuren. De hardliners rond Khomeini begonnen meteen na de revolutie met het overnemen en opbouwen van instituties.’

Een nieuwe revolutie ziet Sadeghi niet zo snel van de grond komen. ‘Ik ben ervan overtuigd dat de huidige machthebbers alle vormen van onderdrukking zullen gebruiken om te overleven. De ontevredenheid en de angst voor de toekomst in Iran is groot en er zijn miljoenen burgers die zich via sociale media betrokken voelen bij bewegingen voor sociale rechtvaardigheid, mensen- en vrouwenrechten. Door verschillende groepen wordt openlijk geprotesteerd, maar er is geen sprake van een georganiseerde beweging tegen het regime.’

De bedenkingen van Sadeghi hoor je in vrijwel alle gremia die zich buigen over de toekomst van Iran. Tegelijkertijd wordt alom nagedacht over nieuwe politieke verhoudingen. Wie verlangt naar verandering ziet meer dan in voorgaande jaren aanwijzingen dat Iran wel degelijk afstevent op een volgende omwenteling. Sinds de ‘Groene Revolutie’ van 2009, toen door de aanhang van hervormingsgezinde presidentskandidaten onder het motto ‘Where is my vote?’ werd gedemonstreerd tegen herverkiezing van de conservatief-populistische holocaustontkenner Ahmadinejad, zijn er niet meer zoveel protesten geweest als in het afgelopen jaar. Van de mediagenieke meisjes in de Straat van de Revolutie in Teheran, die via sociale media filmpjes van zichzelf verspreiden waarin ze hun haren losgooien en met een witte hoofddoek zwaaien, tot en met demonstrerende arbeiders, onderwijzers en leraren die al maanden geen salaris meer hebben ontvangen.

Die meisjes van de Straat van de Revolutie zijn de iconen van de hunkering naar individuele vrijheid geworden. Net zoals de stakende arbeiders van Haft Tepe, de suikerfabriek bij de zuidelijke stad Ahvaz, zijn uitgegroeid tot hét symbool van standvastigheid tegen corruptie en wanbeheer. Een paar jaar geleden was Haft Tepe nog staatseigendom. Voor een appel en een ei werd de fabriek verkocht aan een paar jonge managers uit machtige families die voornamelijk hun buitenlandse bankrekeningen spekten. Al bijna een jaar zijn de werknemers niet meer betaald. Ze willen dat het bedrijf weer in staatshanden komt, of dat de overheid ervoor zorgt dat zij hun fabriek zelf kunnen gaan beheren. En ook de stakers van Haft Tepe verschijnen op sociale media om de wereld te laten zien hoe ze ervoor staan. Op het in Iran populaire Telegram verscheen een foto van een vermoeid ogende man. Hij droeg een bord met de tekst ‘ik ben 40 jaar, ik heb 20 jaar voor deze fabriek gewerkt, ik heb al 11 maanden geen loon meer gehad’.

‘Het wijzen naar “het Westen” als de boosdoener begint in de oren van steeds meer Iraniërs sleets te klinken’

Naar verluidt zijn de eigenaren van Haft Tepe naar Canada gevlucht. Het is een onbevestigd bericht, maar het is niet ondenkbaar dat ze zich hebben aangesloten bij een elite van nieuwe emigranten: kapitaalkrachtige Iraniërs die allerlei buien zien hangen en alleen nog investeren in het buitenland. Ze zijn onderdeel van een nieuwe stroom landverlaters, onder wie in Amerika studerende zonen en dochters van conservatieve machthebbers, die blijkens hun Instagram-berichten openlijk de hijabverordeningen negeren, alcohol drinken, feesten, kortom alles doen wat in Iran in besloten kring gebeurt maar in naam van God bij wet is verboden.

Veertig jaar Islamitische Republiek Iran behelsde veertig jaar gestage groei van de Iraanse diaspora. In het kielzog van de sjah vluchtte zijn entourage, gevolgd door ministers, militairen, politieagenten en ontslagen ambtenaren. Achter hen aan kwamen kunstenaars, popsterren, wetenschappers en zakenlieden. De oorlog met Irak, waarbij niet alleen ruim een half miljoen Iraniërs omkwamen, maar ook werd ‘afgerekend’ met de wederom verboden – linkse – oppositie, bracht een nieuwe piek in het aantal Iraniërs dat op de vlucht sloeg. Hetzelfde geldt voor de nasleep van de Groene Revolutie, toen de hervormingsgezinde presidentskandidaten Mehdi Karroubi en Mir-Hossein Moussavi huisarrest kregen en hun aanhang het leven zuur werd gemaakt.

De Iraanse diaspora wordt inmiddels geschat op bijna zeven miljoen mensen, grotendeels verspreid over Amerika, Canada, Europa, Australië, de Golfstaten en Turkije. En er zijn veel, heel veel, Iraniërs die azen op een kans zich bij hen aan te sluiten nu hun land is ondergedompeld in een gevoel van malaise. Massa’s hoogopgeleide maar perspectiefloze jongeren willen hetzelfde leven als hun neefjes en nichtjes in het buitenland met wie ze appen, chatten, grappen en muziek delen.

Dankzij sociale media is er tussen Iraniërs in binnen- en buitenland een enorme uitwisseling van LuckyTV-achtige filmpjes, liedjes van Googoosh, Andy en Kourosh Yaghmaei, en pronte opvattingen over de toestand in Iran. De een koketteert met aanhankelijkheid aan Donald Trump en beweert dat er een shocktherapie nodig is in de vorm van (Israëlische) bombardementen, de ander waarschuwt ervoor dat direct ingrijpen van ‘het Westen’ er juist toe zou leiden dat ook veranderingsgezinde Iraniërs de Islamitische Republiek gaan verdedigen – allemaal hebben ze het over solidariteit met de gewone mensen in Iran.

Een spraakmakend deel van de Iraanse migranten volgt dagelijks wat er aan de hand is in hun geboorteland. Hoewel zelf vaak universitair geschoold maken ze zich druk om de braindrain van Iran, de werkloosheid, de schendingen van mensenrechten, de uitwerking van de nieuwe Amerikaanse sancties, de bemoeienis van de Revolutionaire Garde met de rest van het Midden-Oosten en alles wat verder nog somber stemt over Iran, waaronder de deplorabele staat van het milieu. Op de dood van de Iraans-Canadese milieuexpert Seyed-Emami een paar maanden geleden – volgens de autoriteiten ‘zelfmoord’ – werd in de Iraanse diaspora misschien wel geschokter gereageerd dan in Iran zelf.

Seyed-Emami deed in het zuiden van Iran bodemonderzoek naar de daar dramatische gevolgen van klimaatverandering. Hij stierf in de gevangenis nadat hij was opgepakt op beschuldiging van spionage voor de cia. Het is een beschuldiging die door de conservatieve autoriteiten sneller dan voorheen van stal wordt gehaald nu de Amerikaanse president op ramkoers ligt tegen Iran. Over de meisjes van de Straat van de Revolutie beweerde Khamenei ook al dat ze door Amerika waren betaald. Zelfs de stakers van Haft Tepe lopen kans in die hoek te worden gezet, want ook zij doorbreken de illusie van nationale eenheid die het bewind graag hoog houdt.

Eén ding is zeker: als de Amerikaanse sancties bankverkeer met Iran niet onmogelijk hadden gemaakt, zou de stakingskas van de arbeiders van Haft Tepe ook vanuit de diaspora rijkelijk worden gevuld. Net als alle andere Iraniërs die hun onvrede openlijk belijden worden de stakers van de suikerfabriek omarmd door Iraniërs met diverse achtergronden. Van links gebleven ballingen die veertig jaar geleden deelnamen aan de revolutie tot rechtse figuren die hunkeren naar de terugkeer van de Pahlavi-monarchie. Hun politieke betrokkenheid gaat vaak hand in hand met het verlangen naar een toekomst waarin zij kunnen terugkeren naar hun geboorteland, een verlangen dat onder Europese en Amerikaanse Iraniërs is gevoed door het antimigrantenpopulisme in hun landen van aankomst.

Veel geëmigreerde Iraniërs zijn het toonbeeld van succesvolle integratie, maar het heimwee in de diaspora is soms omgekeerd evenredig aan de begeerte onder inwoners van Iran om weg te trekken. Alleen al daarom wordt juist buiten Iran nagedacht, gedebatteerd en getwitterd over de vraag of de optelsom van onvrede in het Iran van vandaag misschien toch vergelijkbaar is met het algehele onbehagen van 1978-1979.

Iran, 15 juni 1979. Milities strijden tegen sjah Mohammad Reza Pahlavi en voor ayatollah Khomeini © Abbas / Magnum / HH

Ammar Maleki, docent politieke wetenschappen in Tilburg, weet het zeker: ‘Wat veertig jaar geleden gebeurde in Iran kan in de komende tijd opnieuw gebeuren. De Islamitische Republiek heeft de revolutionaire beloften van vrijheid, gelijkheid en democratie niet ingelost. Ook de traditionele aanhang van het regime heeft nu te lijden onder corruptie, wanbeheer en economische neergang. Reformisten als president Rohani proberen al twintig jaar hervormingen doorgevoerd te krijgen. Ze leggen het steeds weer af tegen het machtsblok rond Khamenei.’ Het woord revolutie wil hij niet gebruiken voor de wisseling van de wacht die hij voor zich ziet. ‘Wat we nodig hebben is een derde weg, een vreedzame overgang naar een seculier en democratisch systeem waarin mensenrechten worden gerespecteerd, sociale rechtvaardigheid en verstandig milieubeheer voorop staan.’

Maleki – in 1978 geboren als zoon van de nu 84-jarige mensenrechtenactivist Mohammad Maleki die na zijn zoveelste gevangenisstraf Iran niet mag verlaten – kwam tien jaar geleden naar Nederland, in de tijd dat er werd huisgehouden onder Iraniërs die geassocieerd werden met de Groene Beweging. Naast zijn baan aan de universiteit van Tilburg is hij aanvoerder van de Group for Analyzing and Measuring Attitudes in Iran (Gamaan). Met zijn onderzoeksgroep peilde hij vorig jaar de politieke opvattingen van Iraniërs in binnen- en buitenland. Zeventig procent van de ruim negentienduizend Iraniërs die meededen aan de internet-enquête zei ‘nee’ te zullen stemmen tegen een islamitische republiek als daarover nu een referendum zou worden gehouden. ‘Vaak wordt aangenomen dat het politieke landschap in Iran is verdeeld in “hardliners”, conservatieve islamisten die afkoersen op het isolement van Noord-Korea, en “softliners”, hervormers die uit zijn op een Chinese variant. Dat is een te simpele voorstelling van zaken’, zegt hij. ‘Zeker de helft van de Iraniërs bestaat uit “outliners”. Rohani kreeg bij de laatste verkiezingen 73 procent van de stemmen, maar veel Iraniërs stemden op een hervormer om erger te voorkomen.’

Ammar Maleki put hoop uit het feit dat de huidige protesten zich uitstrekken over het hele land. De betogingen waren in eerste instantie gericht tegen de prijsstijgingen als gevolg van de gigantische inflatie, maar er wordt ook steeds vaker geroepen dat de overheid met oplossingen moet komen voor de problemen van de mensen in Iran in plaats van een groot deel van de rijksbegroting te spenderen aan militaire interventies in Irak en Syrië en steun aan Hezbollah en Hamas. ‘Noch voor Gaza, noch voor Libanon’ is de aanhef van een leus die overal in Iran wordt gescandeerd. ‘Elke dag zien we een of andere demonstratie, van arbeiders, vrouwen, jongeren of milieu-activisten. Ik denk niet dat het regime de onvrede onder Iraniërs kan afwenden met de inmiddels aangekondigde subsidies voor de armen, douceurtjes voor de eigen aanhang, en anti-Amerikaanse kreten. De meeste Iraniërs vinden dat de nieuwe Amerikaanse sancties voornamelijk desastreus zijn voor de bevolking, maar het wijzen naar “het Westen” als de boosdoener begint in de oren van steeds meer Iraniërs sleets te klinken.’

‘Ik ben moe van al die Iraniërs in de diaspora die sentimenteel doen over hun land en modellen ontwikkelen voor hoe wij hier verder moeten’

Maleki herkent veel in de redenering van de Amerikaans-Iraanse politicoloog Asef Bayat die het in dit verband had over een revolutie zonder revolutionairen. ‘Wat ontbreekt is een politiek alternatief, maar het is niet ondenkbaar dat er een coalitie ontstaat tussen alle groepen die verandering willen. Ook onder vroegere islamisten is een kentering zichtbaar, al is het maar om de islam als religie overeind te houden nu de politieke islam juist in Iran op zijn retour is.’

Mohammad Akbari, een van de vele in Parijs gevestigde Iraniërs die zich bemoeien met hun geboorteland, is er zo een. Hij hoorde bij de jongeren die zich lieten inspireren door ideeën over de sjiitische islam als authentieke protestbeweging. Lang voelde hij zich verbonden met hervormingsgezinden zoals de huidige president Rohani. Akbari is en blijft religieus, maar het huidige bewind in Iran noemt hij ‘een dictatoriale nomenklatoera’. ‘De islam kan van betekenis zijn voor de maatschappij en voor de mensen, maar niet als politieke macht’, zegt hij. ‘De wet moet in het belang zijn van alle mensen, niet alleen voor wie een bepaald geloof aanhangt, want anders is een land voor niemand meer veilig. Zoals we in de afgelopen veertig jaar hebben gezien werden onder islamitisch bewind ook veel religieuze moslims in de gevangenis gezet omdat ze het oneens waren met de machthebbers.’

Akbari’s ideeën over een toekomstig Iran wijken nauwelijks af van de opvattingen van seculiere Iraniërs die fantaseren over nieuwe politieke verhoudingen in Teheran, en net als zijn linkse landgenoten ziet hij met lede ogen aan dat jonge Iraniërs bevangen zijn door het denkbeeld dat Iran een paradijs op aarde zou zijn geweest als er maar een Pahlavi aan de macht was gebleven. Aangemoedigd door ManotoTV en andere Perzischtalige satellietzenders zien ze de periode vóór 1979 als een heerlijke tijd, met meisjes in minirokken, popidolen (v/m) die vrijmoedig over de liefde zongen en een mondain koningspaar. Dat de Iraanse monarchie in de jaren zeventig was veranderd in een eenpartijstaat met de trekken van een militaire dictatuur wil er niet in bij die jongeren. Niets goeds kunnen zij zich voorstellen bij het typische mengsel van sjiitische bevrijdingstheologie en marxistische ideeën dat in de jaren zeventig hoogtij vierde.

Was het destijds een populaire daad van verzet om boekjes van Karl Marx, Friedrich Engels en Rosa Luxemburg te verspreiden of deel te nemen aan religieuze processies, de laatste jaren is het hot om te koketteren met de Perzische koningen uit de oudheid en doet de graftombe van Cyrus de Grote in Pasargad dienst als bedevaartsoord. Over Cyrus de Grote, rond 600 voor Christus heerser over het destijds immense Perzische Rijk, kun je hippe Teherani’s en Shirazi’s horen praten alsof ze de antieke veroveraar pas nog hebben gesproken. Bij de linkse oppositie zijn ze echter allergisch voor het Perzische nationalisme waarmee de Cyrus de Grote-aanbidding gepaard gaat. ‘Wij zijn Ariërs en aanbidden geen Arabieren!’ scanderen deelnemers aan bijeenkomsten die in oktober rond zijn tombe worden georganiseerd ter herdenking van zijn geboortedag.

Perzisch nationalisme en koningsgezindheid zijn nog altijd taboe bij linkse Iraniërs. Dat Reza Pahlavi, de nu 58-jarige Amerikaans-Iraanse zoon van de in 1979 verdreven sjah, door veel Iraniërs wordt beschouwd als beste alternatief voor ayatollah Khamenei wil er niet in bij wie uitziet naar een nieuwe omwenteling waarin de opvattingen van Karl Marx, Hannah Arendt en Slavoj Žižek doorklinken.

Ammar Maleki werd door linkse Iraniërs meteen ‘fout’ verklaard toen uit de opiniepeiling van Gamaan ‘kroonprins’ Reza Pahlavi als populairste publieke figuur uit de bus kwam. Van de deelnemers aan de internet-enquête koos 37,9 procent voor Pahlavi. Maleki zit in zijn maag met de scheldkanonnades die via Twitter over hem werden uitgestort. ‘Linkse reaguurders dachten dat ik Reza Pahlavi wil promoten, maar ik ben helemaal geen Pahlavi-aanhanger’, zegt hij. ‘Ik wilde zo verantwoord mogelijk laten zien hoe Iraniërs op dit moment denken. Dat er zoveel zijn die voor Pahlavi kozen, wil trouwens niet zeggen dat zij hem als nieuwe sjah willen. Slechts vijftien procent was voor een monarchie en dan ook nog een constitutionele monarchie. De meesten – 42 procent – waren voor een seculiere republiek.’

Zelf vindt Maleki het jammer dat in Iran nauwelijks sprake is van een linkse oppositie, een gegeven dat volgens hem niet uitsluitend te wijten is aan de vervolging die marxisten in de jaren tachtig ten deel viel. ‘Wat nog over is van de linkse partijen bevindt zich in de diaspora. Onlangs hebben ze zich verenigd onder de noemer Nieuw Links, maar het gaat om een kleine groep van overwegend vijftig-plussers. In Iran zijn de jongeren veruit in de meerderheid. Vanwege de radicaal-linkse deelname aan de revolutie van 1978-1979 is links in hun ogen medeverantwoordelijk voor de misstanden in Iran. In hun oren is er geen onderscheid tussen de retoriek van het regime en de anti-Amerikaanse slogans van links.’

Sociaal-liberaal noemt hij zichzelf en hij is dan ook in zijn nopjes met een van de opmerkelijkste bevindingen uit het Gamaan-onderzoek: als er vrije verkiezingen zouden zijn en er zou een sociaal-democratische partij meedoen, dan zou deze met 16,3 procent van de stemmen de op een na grootste worden. Maar er is een probleem: er bestaat geen georganiseerde sociaal-democratie in Iran. ‘De opvattingen van veel activisten, ook de jongeren, zijn sociaal-democratisch, of ze zich nu druk maken over de mensenrechten, het milieu of de groeiende armoede, maar er is geen sociaal-democratische partij.’

Teheran, 2 februari 2018. Een meisje van de Straat van de Revolutie protesteert tegen de verplichte hoofddoek © AY-Collection / HH

In het buitenland is wel een voorheen marxistisch-leninistisch-islamistische guerrillabeweging die zichzelf de veren van de sociaal-democratie heeft aangemeten: de Mojahedin-e Chalgh (mek). Donald Trump heeft de vanuit Parijs nog altijd strak geleide club erkend als legitieme Iraanse verzetsbeweging. Ook lijkt het erop dat de EU voorvrouw Maryam Rajavi op haar woord gelooft nu ze in alle toonaarden beweert dat haar club is getransformeerd in een vredelievende organisatie die uit is op een democratisch Iran waarin mensen- en vrouwenrechten voorop staan en de vrije markteconomie wordt omarmd. In Iran wordt ze gehaat, alleen al omdat de mek-strijders zich tijdens de Iran-Irakoorlog aansloten bij de troepen van Saddam Hoessein.

De opvattingen die Rajavi ventileert zijn nagenoeg dezelfde als die van Reza Pahlavi, maar meer dan zij spreekt hij verzoenende woorden, waarbij hij vaak verwijst naar idolen als Martin Luther King en Nelson Mandela. Zijn toekomstbeeld: een liberaal-democratische regenboognatie voorzien van goede banden met Amerika en Israël waar godsdienstvrijheid heerst, alle bevolkingsgroepen – inclusief Koerden en Arabieren – meetellen, met een ruimhartige amnestieregeling voor Revolutionaire Gardisten en andere (paramilitaire) steunpilaren van de Islamitische Republiek. ‘Een vreedzame transitie is onmogelijk zonder dat een groot deel van het repressie-apparaat onze kant kiest’, zei hij in december tijdens een openbaar interview bij The Washington Institute. ‘Om een nieuwe cirkel van wraak en tegenwraak te voorkomen pleit ik voor nationale verzoening.’

Reza Pahlavi stelt zich bescheiden op. ‘Mijn enige missie is om ervoor te zorgen dat er in Iran vrije verkiezingen komen, verder heb ik geen politieke ambities’, is zijn mantra.

Sociologe Fatemeh Sadeghi begint te zuchten als zijn naam valt. Zij vertrouwt hem voor geen cent. ‘Ik ben moe van al die Iraniërs in de diaspora die sentimenteel doen over hun land en modellen ontwikkelen voor hoe wij hier verder moeten. Laten ze zich concentreren op hun eigen leven en de omstandigheden in de landen waar ze zich gevestigd hebben. Wat hij zegt klinkt inderdaad mooi, maar Khomeini zei voor 1979 ook mooie dingen, en de mensen die om Pahlavi en zijn Nationaal Front heen staan zijn zeer rechtse figuren van wie mensen die lijden onder de economische toestand niets te verwachten hebben. Veranderingen moeten voortkomen uit de burgerbewegingen in Iran zelf. Anders dan in de entourage van Pahlavi spelen vrouwen daarin een belangrijke rol. Zestig procent van de universitaire studenten is inmiddels vrouw en vrouwen bemoeien zich met alle onderwerpen waarvoor Iraniërs de straat op gaan.’

Sadeghi ziet weinig in het idee van Ammar Maleki om te zoeken naar een charismatische figuur die in staat zou zijn een meerderheid achter zich te krijgen in een proces van verandering dat moet uitmonden in een seculiere democratie. Over de persoon voor wie Maleki het meest warm loopt is ze echter wel enthousiast: Nasrin Sotoudeh. Sotoudeh, de internationaal bekende mensenrechtenadvocate en winnares van de prestigieuze Sacharovprijs, zit sinds juni vorig jaar wederom opgesloten in de Evin-gevangenis, ditmaal omdat ze anti-hijab-activistes verdedigde. In het Gamaan-onderzoek kwam ze met 8,1 procent van de stemmen als tweede uit de bus. Maleki is met haar bevriend en volgens hem is zij degene die zou kunnen uitgroeien tot de Nelson Mandela van Iran. ‘Ze zegt dat ze daar niets voor voelt, dat ze haar onafhankelijke positie wil behouden, maar wie weet wat er gebeurt als van meerdere kanten een beroep op haar wordt gedaan. Het is belangrijk te investeren in iemand die zowel in Iran als in het buitenland gezag heeft en die meer geloofwaardigheid heeft dan Reza Pahlavi. Het probleem is dat Pahlavi een sterk merk is – net als Khomeini een sterk merk was – maar Sotoudeh zou dat zeker kunnen worden.’

Ammar Maleki denkt erover met een groep jonge wetenschappers een breed opgezet digitaal referendum te organiseren waarin Iraniërs zich over afschaffing van Velayat-e Faqih kunnen uitspreken. Bij voorkeur in april, als het precies veertig jaar geleden is dat de meeste Iraniërs voor een islamitische republiek stemden. Maar ook volgens Maleki is de nabije toekomst van Iran alleen maar onzeker. De meest reële verwachting voor 2019: meer onvrede, meer verarming, meer milieurampen, nog meer repressie en een regime dat doormoddert tot de volgende Amerikaanse verkiezingen. Een Iraanse Mandela is misschien wel te vinden, de Iraanse De Klerk heeft zich nog niet aangediend.