Hoofdcommentaar: Showpoces van der G

Het verlangen naar een showproces

In vele opzichten is de zaak Volkert van der G. een uitzonderlijke zaak. Een politieke moord is al ongekend. Daarbij was het slachtoffer een charismatische, voor velen zelfs geliefde figuur, die bij leven zeker naast de koningin op het bordes had gestaan, wellicht zelfs als minister-president. Hij was het boegbeeld van een nieuwe politiek — niet zozeer een partij, als wel een netwerk van kennissen en zakenvrienden zonder veel inhoudelijke pretenties doch met de belofte van een politiek «zonder omhaal» die zal afrekenen met het politieke establishment. Zo bekend, geliefd en exuberant als het slachtoffer, zo onbekend, onbemind en gesloten schijnt de verdachte. Van zijn persoon weten we weinig, van zijn motieven niets.

Deze buitengewone constellatie leidt tot veel voorbarige commentaren en conclusies omtrent de rechtsgang. Voor velen is de zaak al duidelijk. Van der G. is schuldig en moet zo snel mogelijk tot een zo hoog mogelijke straf worden veroordeeld — Barbertje moet hangen. De legitimiteit van het strafproces is in deze perceptie louter afhankelijk van de uitspraak. Met andere woorden: er wordt een showproces verwacht. Gegeven de omstandigheden van de zaak is het ontstaan van zo’n volksgevoel wel begrijpelijk. En het hoeft ook geen grote problemen op te leveren. Het Nederlandse straf(proces)recht is er — anders dan bijvoorbeeld het Amerikaanse — op ingericht om emotionele invloeden, van individuele of collectieve aard, te dempen. Feitenonderzoek gaat boven retorische confrontatie. Rechtspleging is in hoge mate afgeschermd van publieke of politieke sentimenten.

Althans tot nu toe. Zorgelijk is dat symptomen van het volksgevoel zich nu ook beginnen te vertonen in de pers en de politiek, op plaatsen waar dat tot op heden als not done werd beschouwd. Zo wordt bijvoorbeeld regelmatig gesuggereerd dat Van der G.’s rechten aan een hoger nationaal belang ondergeschikt mogen worden gemaakt. Hij heeft misschien zwijgrecht, en we mogen hem niet dwingen te eten, maar is ons belang bij de Waarheid niet veel hoger? Juridische zorgvuldigheid is mooi, maar duurt dat proces nu niet al veel te lang? In actualiteitenprogramma’s van de publieke omroep worden zulke kwesties al zonder enige gêne aangesneden.

Maar ook NRC Handelsblad toont weinig schaamte. Waar de lezer tot nu toe in rechtbankverslagen hooguit de naam van de voorzittende rechter kon vernemen, lichtte de krant vorige week — nota bene midden op de voorpagina — onder de kop Rechters Van der G. bekend de doopceel van de drie rechters die in de zaak zitting hebben. Zulke informatie is weliswaar niet geheim, maar om dit zo opvallend en breed uit te meten is hoogst ongebruikelijk, en in wezen een vorm van sensatiejournalistiek.

En dan zijn er natuurlijk de neurotische politici van de LPF. Zoals Jim Janssen van Raay, die in juni al meldde dat de verdachte zijns inziens een huurmoordenaar van al-Qaeda was. Ferry Hoogendijk deed er nog een schepje boven op. In de naargeestige traditie van «de kogel kwam van links» waarschuwt hij nu ook voor een «rechter van links». Met zijn opvatting dat zo iemand «nooit benoemd had mogen worden» schaart Ferry Hoogendijk zich tegelijk in een zo mogelijk nog naargeestiger traditie, die van het Berufsverbot.

Dat de fortuynisten zich weinig interesseren voor de rechtsstaat wordt steeds duidelijker. De cultuur van rijke zakenlieden die achter de schermen de dienst uitmaken, de buren die regeringsposten krijgen toebedeeld, het gemak waarmee men denkt lastposten (een directeur-generaal, een chirurg, een rechter) uit hun functie te moeten en kunnen ontheffen: dit alles getuigt van weinig besef van rechtsstatelijkheid. In dit opzicht dreigen er «Italiaanse toestanden»; vooral een treffende uitdrukking nu premier Berlusconi een wet probeert te laten aannemen die het mogelijk moet maken onwelgevallige rechters weg te sturen — met name in de rechtszaken tegen hemzelf.

Bovenal typerend voor het heersende fortuynisme is echter een fundamentele tweeslach tigheid in de verwachtingen ten opzichte van justitie. Droomt men enerzijds openlijk van een steviger politieke greep op de rechtspleging, anderzijds ziet men in de rechterlijke macht juist een robuust alternatief voor de verweekte politiek. Waar de politiek geen «orde op zaken» weet te stellen, moeten officieren en rechters dat doen. Maar waar de politiek de fortuynisten al teleur stelde, zal het recht dat nog sterker doen, en al helemaal het strafrecht. Het recht is veel sterker dan de politiek gebonden aan procedures en regels. Het is formeel in plaats van inhoudelijk; voor politieke desiderata toont het zich weinig gevoelig.

Daarom steekt nu reeds, zoals Hoogendijks boutade laat zien, bij LPF’ers het wantrouwen tegen het recht de kop op. Ook daar schuilen de eeuwige Fortuyn-vijanden bureaucratie en links establishment.

Wat het verwijt van links establishment betreft: «Was het maar waar!» — zoals vroeger het antwoord luidde op het verwijt dat links door Moskou werd gesubsidieerd. En de bureaucratie, samen met de relatieve traagheid van recht en de relatieve anonimiteit van de rechtspleging, vormt juist de beste garantie voor een eerlijk proces. Een louterende werking zal zo’n proces echter niet kunnen hebben. Wie dat verwacht, eist eigenlijk toch een showproces.