William Pfaff, Bullet’s Song

Het verlangen naar geweld

William Pfaff

The Bullet’s Song: Romantic Violence and Utopia

Simon & Schuster, 368 blz., e 26,75

Paul Wolfowitz als nieuwe president van de Wereldbank: in Washington ontketende het een intense discussie onder duizenden beleidsmakers, onder meer via internet. Een politiek consultant, ene Jeffrey Lessard, geeft in een van de honderden rondgestuurde mails een belangrijke overtuiging weer van de jongste lichting machthebbers in Amerika: «Ik ben het niet met je eens: Amerikaanse politici zijn niet kleingeestig, maar denken juist heel ruim. Europeanen zijn slechts geïnteresseerd in stabiliteit, wat zo’n beetje het smalste, kleingeestigste en minst inspirerende is wat er bestaat. Wij gaan voor de verspreiding van vrijheid; het meest inspirerende en ambitieuze wat er bestaat.»

Er moet aanvallend worden gevoetbald.

Een Europeaan met een beetje kennis van zijn geschiedenis kent de mogelijk dodelijke consequenties van «ruimdenkende» visioenen. En ja, inderdaad, met de miljoenen doden en honderden verbrande steden uit de afgelopen eeuw nog in het hoofd is het Europese denken op politiek-ideologisch vlak wellicht een tikje saai geworden. Misschien een nieuwe illusie, maar het zou wel eens kunnen zijn dat Europa uit al die gruwelijkheid enkele lessen heeft geleerd.

In Parijs heeft een Amerikaanse schrij ver (een jarenlange medewerker van het weekblad The New Yorker) geprobeerd zijn landgenoten de donkere Europese lessen in herinnering te brengen. Hij schreef daartoe The Bullet’s Song, een portrettengalerij van kunstenaars en intellectuelen die met hun opzwepende klanken massa’s moordenaars in beweging brachten. Hun werk vormde de achtergrondmuziek van Auschwitz, Kolyma en het oerwoud van Cambodja.

Eén van deze mannen, T.E. Lawrence – Lawrence of Arabia – was voor deze William Pfaff een grote inspiratiebron. Door de fascinatie voor de Britse spion en archeoloog die droomde (en meer dan dat!) van «de bevrijding» van het Midden-Oosten kijkt Pfaff niet alleen met afschuw, maar ook met een zeker begrip naar de duizenden die zich hadden aangesloten bij gevaarlijke politieke bewegingen die zich legitimeerden door de radicale utopische visioenen van de door hem beschreven schrijvers, zoals de Italiaan Gabriele D’Annunzio (de dichter en stichter van een proto- fascistisch staatje in het huidige Kroatië), de Fransman André Malraux, de Duitser Ernst Jünger, de Britse Hongaar Arthur Koestler, de van oorsprong Duitse Willi Münzenberg (de grote propagandist en medeoprichter van de Komintern), de Italiaan Filippo Tomasso Marinetti en andere futuristen.

In zijn portretten laat Pfaff overtuigend zien dat de grote monsters van de twintigste eeuw, Stalin, Hitler en Mao, niet in een cultureel vacuüm zijn opgestaan. Deze zieke geesten konden niet zonder creatieve geesten, wier creativiteit net zo goed in het zieke als het geniale overliep. Hoe het ook zij, de verbeelding van deze «revolutionaire» denkers baarde de utopische illusies en de ideologie van loutering door geweld die noodzakelijk waren om duizenden, zo niet miljoenen communisten en fascisten aan te zetten tot gruweldaden van gigantische proporties, decennialang en met miljoenen slachtoffers. Want links of rechts, één ding hadden Pfaffs mannen gemeen: de overtuiging dat alleen geweld het heil naderbij zou brengen. Immers: geen nieuwe orde zonder strijd. En strijd was goed.

Intellectuelen en politici rond de regering-Bush – zoals Wolfowitz, Perle, vader en zoon Kristol en Podhoretz – geloven ook in de «transformatieve» kracht van geweld. Van oorlog. Europeanen schrikken daar vreselijk van, maar toch zijn deze mannen softies vergeleken met de schrijvers en denkers van Pfaff. De recente oorlogen die het Pentagon en Witte Huis uitbroedden, moesten zo bloedeloos mogelijk verlopen, het liefst alleen met computer gestuurde wapens, zonder doden aan eigen kant en met zo min mogelijk doden aan de andere kant. Als technocraten blijken Wolfowitz cum suis achteraf te hebben onderschat hoeveel pijn en moeite zo’n oorlog zou kosten. Ze verlustigen zich niet in wapengekletter, al lijkt dat misschien zo als je Bush in een oorlogspak ziet. Ze spelen aanvallend voetbal met dodelijke consequenties, maar alleen met het verlangen te winnen. Pfaffs mannen ging het daarentegen vooral ook om de wedstrijd zelf: strijd, zweet, bloed, beweging, actie, engagement; alles als niet burgerlijk, als niet gericht op rust, orde, comfort en reproductie. Ze staan aan de wieg van de nationalistische kreet in de Spaanse Burgeroorlog: «Viva la muerte!» (Leve de dood!). Van hen heeft Pfaff wel geleerd: «Geweld is een product van de menselijke wil als ook een activiteit waarin mensen bevestiging en plezier vinden.»

Voor mannen als Malraux en Jünger was oorlog, in hun vroege werk, zelfs de enige reden van bestaan: alleen in fysieke strijd kan een man zich onderscheiden, toont hij zijn deugdelijkheid. In zijn fascinerende boek probeert Pfaff aan te to nen dat veel van hun overtuigingen de oor sprong vinden in het verdriet over het verlies van ridderlijke idealen en hoffelijkheid, zoekgeraakt in de mechanische gruwelijkheid van de Eerste Wereldoorlog.

Jammer is alleen de (volkomen onterechte) intellectuele onzekerheid van de auteur. Wellicht is dat eigen aan een «intellectual journalist», zoals Pfaff zichzelf noemt, maar hij citeert zo overdadig uit biografieën en andere secundaire literatuur dat het zijn autoriteit aantast. Omdat hij zich zelfs voor de bespreking van hun boeken verlaat op andermans recensies wekt hij soms de indruk het werk van zijn studieobjecten niet altijd te hebben gelezen. Maar gelukkig is deze collage van citaten uiteindelijk toch uiterst effectief. Je realiseert je weer hoe maf de gedachte was van de halfbakken romantici uit de jaren zestig van de vorige eeuw dat de verbeelding het heil zou brengen. Het was juist de op volle toeren draaiende en van geen wijken wetende verbeelding die Europa tot over de rand van de afgrond bracht. Dit rechtvaardigt vandaag de dag meer aandacht, niet voor de Amerikaanse architecten van de oorlog, maar voor de scenarioschrijvers van films als het patriottistische Independence Day – welke politieke attitudes zaaien die in de miljoenen mensen die ze zien?

En tegelijk werkt het boek geruststellend: met de verbeelding van speechschrijvers als Frum en columnisten als Krauthammer en Kristol kom je er niet. Voor het verlangen naar groot geweld, gepleegd uit naam van immense visioenen, is ook grote kunst nodig. Dat schiepen Pfaffs mannen.

Geprezen zij de geweldloze middelmatigheid!