Het verlangen om literair te doen

In deze roman blijft Verbogt dichter bij huis dan anders. Ik bedoel, hij geeft zijn hoofdfiguur meer autobiografische trekjes mee dan anders. Hij heet Thomas, is schrijver, hij heeft lang in Nijmegen gewoond en hij treurt over de dood van een vriend, waarmee Verbogt ongetwijfeld de overleden schrijver Frans Kusters (1949-2012) bedoelt.

Medium thomas 20verbogt

Toch is Als de winter voorbij is geen autobiografie. Deze schrijver verzamelt nu eenmaal in al zijn werk elementen uit zijn leven, verzint er een flinke hoeveelheid niet al te hemelbestormende gebeurtenissen omheen, geeft er een sfeer aan van vergeefsheid en van lichte of zware melancholie (nooit van bitterheid) en zet het geheel in een min of meer geloofwaardige volgorde. Bij Verbogt weet je wat je krijgt. Vaak hangt er een stil zweem van ironie over het geheel, iets van: ‘Wat doen we toch moeilijk en het helpt niks.’ Maar deze keer ontbreekt dat, de toon is nu in hoofdzaak ernstig.

De Thomas in deze Verbogt bepeinst zijn leven, zijn verhoudingen, zijn zelfinzichten, zijn hang-ups. Hij kan zich aan niemand binden, dat is zijn eeuwige probleem en ergens in de roman formuleert een psychiater het als volgt: ‘Jij kunt je niet overgeven, aan niets, aan niemand.’ Wie Verbogts werk kent, kijkt hier niet echt van op, dit is zijn hoofdthema. En in de roman komen een heel stel pogingen tot binding aan de orde. Net als het goed gaat met Marieke of Julie gaat hij er weer vandoor. Hij wil niet aangeraakt worden, zowel letterlijk als figuurlijk, daar komt het allemaal op neer.

Ook zijn voortdurende zelfreflectie speelt hem parten. Ergens formuleert hij het als volgt: ‘(…) maar ik wilde méémaken wat ik deed’. Dus niet alleen doen maar er tegelijkertijd over peinzen, het lot dat natuurlijk vele boekenwurmen treft: ‘(…) ik wilde niet dat het zomaar verliep, en waarom ik dat niet wilde, wist ik, geloof ik, ook: het was de angst iets kwijt te raken, ergens achteraan te dwalen’. Wat dan precies dat ‘iets’ en dat ‘ergens’ is weet hij niet te achterhalen. Het blijft allemaal wat vaag en vervuld van grote woorden, maar Verbogt laat zijn held wel degelijk een poging doen de zaken op scherp te zetten. Hij herinnert zich in een mooie en sentimentele scène een kus die hij ooit kreeg, hij was een jaar of twintig, van het dertienjarige meisje Lin. ‘Dan blijft ze me aankijken, nu met lichte ernst die geen echte ernst is, en kust me weer. En vervolgens rent ze weg, met haar handen hoog boven haar, alsof ze juicht, alsof ze iets uit de lucht wil grijpen.’ Langzamerhand wordt dit de beslissende scène van de roman. Jaren later gaat hij naar haar op zoek, et cetera et cetera.

Ik twijfelde er sterk aan of al die doden nodig waren

De roman is zwaarder op de hand dan anders. Er wordt veel gestorven. Het adoptiezusje van Thomas komt om het leven bij de treinramp van Hamelen, Lin sterft, haar zoontje, haar moeder, ik werd er een beetje bezorgd over. Het geeft Verbogt wel de kans zijn precieze en ingehouden stijl flink te etaleren, maar iets gekunstelds heeft het ook. Ik twijfelde er sterk aan of die doden nodig waren, die zoenscène met Lin vond ik al mooi en sentimenteel genoeg.

De schrijver gaf in deze roman ook meer dan anders toe aan bespiegelingen die het niveau van vage praatjes en kitsch-achtige sententies niet weten te ontstijgen. Alsof hij er met dit boek een schepje bovenop wilde gooien. Nog gevoeliger en sentimenteler dan anders, nog meer forse ik-bespiegelingen. Alsof het duidelijker moest. Maar daar zitten ook nadelen aan. Neem deze monoloog: ‘“In ieder gedicht zit een gedicht dat werkt en ongekend is”, zei ik. “Je moet het er alleen uithalen. Je moet woorden loslaten totdat je op woorden stuit die niet los te laten zijn omdat ze een waarheid vertellen die nog nooit is verteld. Daar gaat het om. Daarom leef je.”’ Dit zijn zinnen die van zichzelf al ‘literair’ willen zijn, maar ze hebben geen vaste grond, ze zweven boven de wateren. Net als deze: ‘Als je iets vertelt, blijft er toch vaak te weinig over van wat je wilt vertellen, en niet alleen omdat het zich niet vertellen laat. Het is ook iets wat je niet weet. Je weet niet wat het was.’

Ik wil ten slotte nog even klagen over een forse stijlbreuk in de roman. De held valt onverwacht in de klauwen van een soort malafide oplichter die foute verbouwingen aan huizen doet. Hij maakt dan kennis met ene Laura die in hetzelfde schuitje zit. Aan haar vertelt hij zijn problemen en het lucht erg op. Verhaaltechnisch had de schrijver deze ingreep misschien nodig, het gaf hem de kans allerlei gebeurtenissen nog eens op een rij te zetten, maar ik keek er vreemd van op. Wat had die verbouwing en die opsluiting toch met het geheel te maken? Het paste er niet in.

Blijft over een echte Thomas Verbogt, vol van de dromerigheid en ingekeerdheid die kenmerkend is voor zijn werk. Het is allemaal wat ingewikkelder dan anders, de melancholie en sentimentaliteit zijn meer aangedikt, maar je krijgt wel de kans je je eigen hang-ups, rare bespiegelingen en gevoeligheden opnieuw te herinneren. Wat dit betreft is Verbogt een gulle schrijver.


Beeld: Thomas Verbogt. Nog gevoeliger dan anders. Foto Keke Keukelaar