Het verlangen woekert

Henk van der Waal,Zelf worden . € 17,95

Op de tempel van Apollo in Delphi, waar mensen vanuit de hele Griekse wereld het orakel om raad kwamen vragen, was een spreuk aangebracht die vertaald zou kunnen worden als: ‘Probeer jezelf te leren kennen’. Geen filosofische opdracht is belangrijker dan deze, en helaas is het ook de allermoeilijkste. Om je 'zelf’ te leren kennen, de kern van wie je bent, moet je in jezelf afdalen, maar hoe weet je wanneer je dat 'zelf’ te pakken hebt, en wie is eigenlijk degene die dat onderzoek verricht? Het woord 'zelfreflectie’ drukt het probleem treffend uit: het gaat om een spiegeltheater, waarbij je probeert je 'zelf’ te objectiveren door er vanaf een afstand naar te kijken. Niets garandeert echter dat het spiegelbeeld een getrouwe weergave is van degene die het beschouwt; en ook als dat wel het geval is, schiet je er weinig mee op.
Henk van der Waal (1960) heeft een naam hoog te houden waar het filosofisch georiënteerde poëzie betreft. In elke bundel staat een andere kwestie centraal, die met uiterste subtiliteit wordt onderzocht. Dat klinkt abstract, maar het wonder van Van der Waals poëzie is dat ze tegelijkertijd hoogst zinnelijk is, niet alleen door de beelden die opgeroepen worden, maar ook door de typografische vormgeving. Als de term 'bladspiegel’ ooit betekenis heeft gehad, dan zeker in Zelf worden, waarin de gedichten gepresenteerd worden als twee elkaar spiegelende helften met een thematisch fundamenteel woord ertussenin. De visuele spiegeling is echter verraderlijk, want inhoudelijk verschillen beide strofen steeds aanzienlijk van elkaar, zij het dat ze elkaar aanvullen en nodig hebben. Daarnaast kan de linkerpagina beschouwd worden als wederhelft van de rechter, terwijl ook de lezer zichzelf op de poëzie projecteert en zich in de woorden tracht te herkennen, of liever: al lezend een eigen zelf construeert. Dit is duizelingwekkende poëzie.
De dichter spreekt een 'jij’ aan, die een afsplitsing van hemzelf kan zijn, maar ook een vriend, een geliefde, een dode, de dood zelf, een god, of domweg het Andere, waarvan hij weliswaar aanneemt dat hij het niet zelf is, maar dat hem toch doordringt en mede vormt. Het is moeilijk uit de gedichten te citeren, want de zinnen meanderen bijna oeverloos voort, zodat het kunstmatig lijkt afzonderlijke regels te isoleren. Wat opvalt is dat de regels vaak met een krachtig woord beginnen, maar aan het einde soms worden afgebroken op een schijnbaar willekeurig punt, alsof de aanvang van de dingen tot op zekere hoogte grijpbaar is, en de afloop altijd ongewis. Hier worden twee compacte strofen van acht regels gescheiden door wat onzichtbaar is:

verder niets schokkends te melden,
geen vlinder, geen buik: hoe de liefde
ook in je opkruipt, uiteindelijk ben je
een neerwaartse spiraal die je volkomen
verstoethaspelt en die net zo lang in
je wroet tot je gedrevenheid versplinterd
is en je bent opgelost in de
blinde vlek van je geheugen, in het

duister

dat een wortelstelsel is dat in je
uittakt, dat vuur is dat in je wakkert,
dat hitte is die de brandstapel zengt
waarop jij gebonden bent als een
door jezelf gedeelde, als een ketter van
je eigen dogma, als een soelaasnemer
van heden die is afgelegd op
het schrille spijkerbed van de taal

Het ik wroet zichzelf kapot, daalt af in de afgrond van een duister geheugen, verkettert zichzelf, maar houdt zichzelf bij elkaar op een raster van woorden, dat slechts geldig is zolang ze worden gelezen of uitgesproken. Dat het zelf een taalconstructie blijkt, sluit gelukkig geen zintuiglijke ervaringen uit, en juist liefde lijkt een katalysator van zelfreflectie. Je wilt je 'wanen onder het kirrende van haar sproeisel, onder/ het minnelijke van haar buidel, onder het/ moederlijke van haar memsel’. Van een overleden vriendin vraagt de dichter deze gunst: 'mag ik niettemin/ af en toe aanstillen onder je arm van weemoed,/ uitrusten onder het strooisel van je liefdesoog’.
Het leven staat in het teken van de dood:

je speelt nog de troefkaart van
uitstel en lust, vlucht nog in tennis
en voetbal, maar eigenlijk draai je
al rond in de jubel van het totale af
laten weten

Het wortelstelsel van de psyche correspondeert met dat van de groene zoden. De bundel wordt afgesloten met 24 bladzijden, op de voet waarvan een doorlopend wortelstelsel is afgebeeld, waarboven steeds een vraag met een antwoord. Zelfs waar de dood heerst, woekert het verlangen: 'is het om onze begeerte? de oerkreet van jouw lente slaat die schokgolf door onze onderbuik’. Je bent, kortom, 'een aftocht, een loomheid die spatie/ voor spatie teruggehaald wordt door/ de doem van de grond’, je bent een 'openstand/ die langzaam omworteld wordt door/ een kapiteel van tekens’, maar wanneer je je 'liefdesalfabet als confetti over haar eieren/ strooit’, ben je, als is het maar voor even, een 'aalbes in haar room’. Dat is wat 'zelf worden’ betekent.
verkruimel de zwerfkei die bonkt
tegen je gemoed en besprenkel je
verdorde godvruchtigheid met
traanvocht, want ook al spat het
noodweer uit je ogen en raken je
ledematen meer en meer verstrikt
in de tentakels van dat verdraaide

worden

de herfstwind blaast toch wel
lucht in de drogreden van je vlees
en de hark harkt toch wel de
lege uren bij elkaar die ervoor
zorgen dat je de woorden die uit
de taal vallen als natte bladeren
tegen je mond voelt plakken

Henk van der Waal
Zelf worden
Querido, 86 blz., € 17,95