Falling Man

Het verlies heerst

Misschien is de meest angstwekkende vraag die Don DeLillo’s nieuwe roman Falling Man stelt: ‘What comes after America?’ Want het land lijkt na 9/11 een lege ruimte geworden, en de mensen zijn zichzelf kwijtgeraakt.
Don DeLillo

Falling Man
Picador, 246 blz., € 22,30 (verschijnt in augustus in vertaling bij Anthos)

Don DeLillo’s vorige roman Cosmopolis (2003), spelend onder geldwolven en antiglobalisten aan de vooravond van de al-Qaeda-aanval op de Twin Towers, blijkt een voorproefje te zijn geweest op Falling Man, de roman die begint op 9/11 als de hoofdpersoon ternauwernood ontsnapt is aan de instortende torens. In Cosmopolis resideert de steenrijke yen-speculant Eric Packer in de grootste woontoren van Manhattan, ‘een toren die zich verheft in de hemel en door God ongestraft wordt gelaten…’ In Falling Man is de straf al op de eerste bladzijde uitgedeeld.

DeLillo’s fascinatie voor torens en terrorisme is niet van vandaag of gisteren. Al in The Names (1982), Libra (1988) en MAO II (1992) beschrijft hij gewelddadige samenzweringen gekoppeld aan destructiedrift. En wie het omslag van zijn meesterwerk Underworld (1997) bekijkt, schrikt even: de wtc-torens in mist gehuld, terwijl een zwarte vogel er dreigend op af lijkt te vliegen. De zonovergoten skyscrapers vormen de goddeloze ‘hoogglans van onze moderniteit’, schreef DeLillo eind 2001 in Harper’s Magazine. Het zijn stuk voor stuk Gouden Kalveren. Die glazen torens weerspiegelen de alom aanwezige Amerikaanse cultuur. De technologie lijkt al vooruit te lopen op de toekomst. Het is de Terroristische Internationale die zo’n toekomst (Hollywood wereldwijd, de dollar als dictator) wil wegbombarderen tot rokende ruïnes en terug wil naar de theocentrische Middeleeuwen.

Falling Man is een zeer moedige literaire uitwerking van deze _Harper’s-_overpeinzingen, hoewel de gemengde ontvangst in de VS me niet verbaast omdat DeLillo minstens zo prikkelend als Susan Sontag kan schrijven over terrorisme, Amerikaanse zelfgenoegzaamheid én Yankee-desoriëntatie. Het is de buitenstaander Martin Ridnour – kunsthandelaar en vroeger waarschijnlijk als raf-terrorist opererend onder de naam Ernst Hechinger – die op DeLillo’s eigen wolkenkrabbergedachten voortborduurt: ‘Maar daarom hebben jullie de torens toch gebouwd? Als zinnebeelden van rijkdom en macht die op een dag zinnebeelden van vernietiging zouden worden? Jullie bouwen zo’n geval om het naar beneden te zien komen. De provocatie ligt voor de hand. Welke andere reden zou er zijn om zo hoog te gaan en dan te verdubbelen, het twee keer te doen?’

DeLillo’s roman kent drie delen, en elk deel draagt een naam: Bill Lawton, Ernst Hechinger en David Janiak. Achter elke naam verschuilt zich iemand die met terrorisme te maken heeft. Justin, het zoontje van wtc-zakenman Keith, wil niet geloven dat de tweelingtoren is ingestort. Hij heeft een naam opgevangen, Bill Lawton (verbastering van Bin Laden), die terug zal komen om de torens neer te halen. Daarom kijkt hij bij buren met een verrekijker uit het raam naar overkomende vliegtuigen. David Janiak is een performance artist die onder de bijnaam Falling Man telkens weer ergens op Manhattan onaangekondigd ergens (hoog) ondersteboven hangt en dan springt. En Ernst Hechinger zou raf-lid zijn geweest. Waarmee DeLillo een direct verband legt tussen de vernietigingsdrift van de Baader-Meinhofgroep in het ‘fascistische’ West-Duitsland en al-Qaeda.

Namen in Falling Man worden vergeten, afgekort of verbasterd. Het zijn maskers voor mensen die zich niet willen laten kennen of die zichzelf kwijt zijn geraakt. Want daar is het Don DeLillo om te doen: een haarscherp beeld te schetsen van Amerikanen na 11 september 2001 die uit evenwicht zijn geraakt, die zichzelf zijn kwijtgeraakt, die geen richting of houvast meer hebben.

Als Keith op 11 september gewond en doelloos door de asregen van Manhattan strompelt, met het diplomatenkoffertje van een ander in zijn hand, keert hij bij toeval terug bij zijn ex-vrouw Lianne en zoontje Justin. Alles is veranderd, het verlies heerst overal: ‘Er was het gevoel van de kwijtgeraakte geschiedenis.’ Kunsthandelaar Martin, gevoelig voor losgeslagen mensen en altijd op reis, zegt het anders: ‘Niets lijkt meer overdreven. Niets verbaast me.’ Lianne, freelance redactrice van een boek over oude alfabetten (een verwijzing naar The Names) en weigerachtig een boek over terrorisme te redigeren, leidt een groepje potentiële Alzheimerpatiënten, niet in de laatste plaats omdat haar eigen vader zelfmoord pleegde om dat tragische vergeetproces niet te hoeven meemaken. Die oudere mensen, die de schijn van de herinnering ophouden, willen allemaal over de vliegtuigen in het wtc schrijven. Maar ze beschikken niet meer over hun eigen verhaal en een eigen context. In wezen is iedereen in Falling Man de aloude vertellingen vol houvast (familie, afkomst, jeugd, persoonlijke en nationale geschiedenis) kwijt. Dat is het verontrustende van DeLillo’s verhaal over wat er ná 9/11 gebeurde: de Amerikanen weten niet meer waar ze het zoeken moeten nu alle oude zekerheden zijn weggebombardeerd en de angst het wint van overzicht, inzicht en zekerheden.

DeLillo durft het zelfs aan een paar fragmenten te schrijven vanuit een van de negentien al-Qaeda-leden: Hammad. Ondanks de westerse verleidingen waaraan ook Hammad blootstaat, is de aantrekkingskracht van religieuze saamhorigheid en het smeden van een complot groter. Hij is bereid te sterven, de westerse mens blijft bang voor de dood: ‘Dat is onze kracht, de dood liefhebben, de aanspraak op het martelaarschap voelen.’ Kunsthandelaar Martin, al jarenlang de minnaar van Lianne’s moeder, begrijpt dat maar al te goed: de ene kant, zo zegt hij, heeft het kapitaal, de werkkracht, de technologie, de legers, de agentschappen, de steden, de wetten, de politie en de gevangenissen: ‘De andere kant heeft een paar mannen die bereid zijn te sterven.’

Falling Man gaat over een archetypische zwijgende man, Keith, en een desperate afwachtende vrouw, Lianne, die na 11 september 2001 weer bij elkaar leken te zijn gekomen maar hun richtinggevoel kwijt zijn. Maar drie jaar na de wtc-ramp drijven ze weer uit elkaar omdat ze niet weten hoe ze verder moeten leven. Ze laten zich niet kennen, ze weten niet meer wie ze zijn: ‘Zij wilde zich veilig voelen in de wereld en hij niet.’ Daarom pokert Keith in Las Vegas, op zoek naar de oude pokeravondjes met vaste vrienden (omgekomen tijdens 9/11) en vaste rituelen. Het diplomatenkoffertje heeft hij teruggebracht bij de vrouw van een wtc-slachtoffer. Alleen met haar praat hij over de ramp, met haar gaat hij naar bed.

DeLillo begint en eindigt Falling Man met een treffend beeld: een uit de hoge rookwolken vallend wit overhemd: ‘He walked and saw it fall, arms waving like nothing in this life.’ Leegheid, richtingloosheid. Staat Amerika daar voor? Is Amerika ‘een lege ruimte’ geworden in plaats van een land dat overal aanwezig was: in de bioscoop, in de boeken, in de muziek, in de taal?

‘What comes after America?’ Misschien is dat nog wel de meest angstwekkende vraag die DeLillo’s Falling Man stelt.