Palestijnse oude glorie in Oost-Jeruzalem

Het verloren land

Delen van Oost-Jeruzalem zijn eeuwen in bezit geweest van aristocratische Palestijnse families. Maar dat was vroeger. «We hebben niets meer, behalve een naam en de oude mythes.»

Jeruzalem — In een van de panden aan de Al-Hariristraat in Oost-Jeruzalem woont een oude, ongetrouwde dame: Ruqaia Al Husseini. «Mijn ouders waren neef en nicht van elkaar, net als hun vader en moeder. Ze woonden ook in dit huis.» Ruqaia Al Husseini is een telg uit een van de voornaamste families van Jeruzalem. Land bezit ze niet meer. Dat was vroeger. Alleen haar naam boezemt nog ontzag in. Ze heeft prestige omdat ze behoort tot een van de zes families die nog aanzien genieten. Deze zes aristocratische families beheersen allemaal een deel van de stad. In Al Hariri, een willekeurige straat in Oost-Jeruzalem, heeft een tak van de Nusseibeh-familie het voor het zeggen. Een paar straten verderop zijn grotendeels eigendom van de Alami’s. In Al Nashashimi zwaait de familie waarnaar de straat vernoemd is de scepter. Verderop in deze straat begint het terrein van de Al Husseini’s.

In Ruqaia’s slaapkamer hangt een foto. «Dat ben ik», zegt ze trots. Ze houdt als een havik alle bewegingen in de straat in de gaten. Dat is haar grootste vertier. Maar dat is niet altijd zo geweest. Ze woonde in Egypte, Koeweit en Amerika en zat als kind op school in West-Jeruzalem. Ruqaia is een typische Al Husseini: hoog opgeleid, eigenwijs, met stijl en trots. «In onze familie studeerde iedereen. Waarom heeft men het idee dat wij Arabieren geen opleiding hebben, en dat we met lange vieze nagels en gekleed als zwervers door het leven gaan? Miss Morse, mijn oude Engelse geschiedenislerares, vertelde me dat in Engeland het verhaal rondging dat een Arabische vrouw uit een glazen pot drinkt, waarna ze haar ondergoed wast om het te drogen op dezelfde pot. Ze denken dat we alleen maar arm en moordlustig zijn en leven als dieren. De werkelijkheid is heel anders.»

De opkomst van de Husseini’s begon 250 jaar geleden, toen zij religieuze leiders en grootgrondbezitters in en rond Jeruzalem werden. De nog oudere macht was toen in handen van twee andere clans: de Alami’s en de Dijani’s. Van de dertiende tot de vijftiende eeuw waren de Alami’s en Dijani’s, net als de Husseini’s later, religieuze leiders en bewakers van het soefisme, de filosofische stroming in de islam, de schrijvers van religieuze boeken die de koran interpreteerden. Hun familiebanden strekten zich uit tot ver in de omliggende Arabische landen. Na 1967, toen Jeruzalem in handen kwam van de Israëliërs, ging een groot deel van de internationale contacten met de oude families verloren. «We hebben ons leiderschap verloren, ons land en onze middelen. Alleen de naam hebben we gehouden.»

Firas Husseini is een verre neef van Ruqaia en woont in een oude villa tegenover het Britse consulaat in Oost-Jeruzalem. Zijn lot is identiek. Firas Husseini: «Onze familie verloor vooral na 1967 de mogelijkheid om te reizen en contacten te onderhouden. Zakelijk ging het bergafwaarts. Veel van ons land hebben we in de loop der jaren aan de boeren verkocht. We verlieten ons geloof, werden opgeleid in het buitenland en verloren onze posities in het thuisland. In onze familie was het traditioneel taboe om te trouwen met iemand van buiten de familie. Een Husseini trouwde altijd een Husseini om het land in handen van de familie te houden. Zo was onze Faisel Husseini (onderhandelaar voor de PLO bij de Oslo-akkoorden begin jaren negentig — ndv) getrouwd met zijn nicht en waren zijn ouders ook neef en nicht. Er werden steeds meer kinderen geboren die gehandicapt waren en onze familie decimeerde. In vrij rap tempo brokkelde zo het imperium van de Husseini’s af.»

Sinds de dood in 2001 van Faisel Husseini representeert nu alleen nog Sari Nusseibeh de oude families in politiek opzicht. De Nusseibeh-familie genoot vooral veel aanzien in de tijd voor het Ottomaanse rijk. Hun familielijn vangt aan bij het prille begin van de islam. «De Nusseibehs zijn afstammelingen van een van de eerste twee vrouwen die door Mohammed tot de islam zijn bekeerd», vertelt Zaki Nusseibeh, de oom van Abdel Abrahim Nusseibeh, die op zijn beurt de zwager is van de oude dame Ruqaia. Zaki is leraar Hebreeuws op een Arabische school in Israël en heeft zich verdiept in de geschiedenis van zijn familie. Zaki Nusseibeh: «In 638 kregen we de sleutel van de Heilige Graf Kerk van de Arabische leider kalief Omar. Een belangrijk wapenfeit. Deze roemruchte sleutel is in handen van twee islamitische families: de Nusseibehs en de Judahs. Onze familie is verantwoordelijk voor het afsluiten van de kerk en de Judahs nemen de sleutel mee naar huis.» Volgens de overleveringen kregen de families de sleutel omdat er zoveel onvrede was binnen de christelijke kerk dat het de kalief maar het beste leek de sleutel te overhandigen aan een neutrale niet-christelijke partij.

In 1099 werd Jeruzalem bestormd door de kruisvaarders. Bijna een eeuw lang leefde de stad onder christelijke heerschappij. Zaki Nusseibeh: «In de dertiende eeuw vochten de Nusseibehs aan de zijde van de Mamlukken (Egyptische en Syrische legers — ndv) tegen de kruisvaarders. Ook een van mijn voorvaderen vocht mee. Tot de zestiende eeuw maakten ze deel uit van de Mamlukken-regering. Wat er daarna tijdens de Ottomaanse overheersing precies gebeurde, is niet goed te achterhalen. Er doen allerlei wilde verhalen de ronde over een afslachting van de Nusseibehs door de Turken, maar daar heb ik geen bewijzen voor. Mijn theorie is veel meer dat ze door ziekte en oorlog zijn gedecimeerd.»

Pas tegen het einde van de negentiende eeuw raakte het Westen opnieuw geïnteresseerd in Jeruzalem. Missionarissen vestigden hun scholen in de heilige stad met de bedoeling de lokale bevolking te bekeren. Zaki: «De oude families stuurden hun kinderen naar die scholen om hen bekend te maken met de westerse cultuur en vooral om hun talen kennis te vergroten. Rond 1920 namen de Britten de macht over van de Turken. Wij zagen de Engelsen als geciviliseerde mensen en wilden hen imiteren. Dus zonden we onze kinderen overzee. Een nieuwe klasse ontwikkelde zich en vestigde zich in Jeruzalem. De privé-scholing in Engeland zorgde voor een generatie die hoog opgeleid was en vloeiend Engels sprak. Mijn opa was gemeenteraadslid tijdens het Britse mandaat in de jaren dertig.»

Andere familieleden bonden de strijd aan met de zionistische immigranten. Die strijd bereikte in 1948 een climax. Zaki Nusseibeh: «Ons familiepaleis in de buurt Sjeik Jarrah werd vernietigd. De joden — het was vóór de oprichting van de staat Israël, dus kenden wij hen alleen als joden — wilden de weg tussen Jeruzalem en Ramallah innemen en ons huis stond op een strategische plaats. Kort daarna werd de staat Israël uitgeroepen. Tot de oorlog van 1967 hadden we hoegenaamd geen contact meer met de Israëliërs. Wij Palestijnen vielen onder trans-Jordaans gezag. De grens met Israël lag precies op de plek waar nu het snijpunt tussen West- en Oost- Jeruzalem ligt: Weg Nummer Eén. Rond Kerstmis was er een feest bij de Mandelbaumpoort, aan de grens van Weg Nummer Eén, en ik kan me nog goed herinneren dat ik erheen ging omdat ik zo graag een jood wilde zien. Ik had geen flauw idee hoe ze eruit zagen en was razend nieuws gierig. Pas na 1967 konden enkele oude joodse vrienden van mijn ouders, die voorheen onze buren waren, ons weer opzoeken.»

In augustus 1968 werd ook het land waarop het oude Nusseibeh-familiepaleis had gestaan door Israël genaast. Meer dan twintig jaar gebeurde er niets mee. Het land lag er braak en verlaten bij. Nu het zijn strategische positie voor Israël heeft verloren, lijkt ook de interesse om er alsnog iets mee te doen verloren te zijn. Zaki: «In 1990 gebeurde er iets wat bij mij de hoop deed opbloeien misschien toch iets met het land te kunnen aanvangen. In dat jaar spande een joodse vrouw een proces aan tegen de staat Israël om het van haar geconfisqueerde land in Shofat, een buurt die grenst aan Sjeik Jarrah, terug te krijgen. Ze won de rechtszaak en dus volgde ik haar voorbeeld. In 1993-1994 spande ook ik een civiele rechtszaak aan. Ik won, maar de staat ging in hoger beroep en daar verloor ik. Onze familie heeft niet meer de positie die het ooit had. Vrijwel de hele intelligentsia heeft het land verlaten. Alleen Sari Nusseibeh is terug gekomen.»

Sari Nusseibeh, in Oxford opgeleid als filosoof en hoofd van de Al Quds-universiteit in Jeruzalem, was een van de beschermelingen van Faisel Husseini. Sari Nusseibeh is de leider van de PLO in Jeruzalem en voorstander van een binationale oplossing. In 2003 lanceerde hij samen met Ami Ayalon (voormalig chef van de Israëlische binnenlandse veiligheidsdienst Shin Beth) daartoe een initiatief. Israël zou zich terugtrekken achter de grenzen van 1967, Palestina zou een gedemilitariseerde staat worden en zowel Palestijnen als joden zouden het recht moeten krijgen zich te vestigen in respectievelijk Palestina en Israël. Zaki Nusseibeh: «De oude families leven over het algemeen in de diaspora. Een van mijn ooms is Anwar Nusseibeh, de voormalige ambassadeur van Jordanië in Groot-Brittannië en de vader van Sari Nusseibeh. Een andere oom is eigenaar van het Addar-hotel in Oost-Jeruzalem. Een derde is professor aan de open universiteit van Londen. Ze hebben geen van allen reden naar dit land terug te keren. Waarom zouden ze ook? Om twee dagen in de rij te gaan staan voor een Israëlisch ministerie als je een ziektekostenverzekering wilt? Dat doe je niet meer als je een totaal andere levensstandaard gewend bent.»

Firas Husseini beaamt dat: «We hebben niets meer, behalve een naam en de oude mythes. Iedereen die je over onze familie spreekt, zal beweren dat de Husseini’s het meeste land in eigendom hebben in Jeruzalem. Dat is al lang niet meer waar, we hebben nog maar een paar panden en wat land. De nieuwe machthebbers in Oost-Jeruzalem zijn veelal Arabische Israëliërs, zij kennen de taal en de wetten van de Israëliërs en maken daar gebruik van.»

Ruqaia Al Husseini zit op de rand van haar bed en wrijft over haar benen. Van haar dokter mag ze geen zout meer eten, omdat ze te veel vocht vasthoudt. Een groene nachtjapon met ruches bedekt haar vermoeide lichaam dat zich moeilijk laat verplaatsen, maar haar stem is vastberaden en koppig: «Dit land is van ons allemaal. Voor de komst van Mohammed waren we misschien christelijk of joods, maar we waren hier al. Sommigen van ons werden moslim en de rest bleef joods of christelijk. Een deel van de Israëliërs wil al het land. Maar ik ben in dit huis geboren. Hier zal ik sterven. Lang na mijn dood zal er misschien iets veranderen, Insh’Allah.»