Het verloren mannschaft-gevoel

Dynamo Ost-Berlin, Lokomotive Leipzig. Ooit roemruchte Oostduitse voetbalclubs, maar sinds de Wende is het sappelen en vergeefs sponsors zoeken. Voetbal is dood in oostelijk Duitsland.

NIMMER IS EEN WK zo deprimerend afgesloten als Italia 1990. Voor de ogen van honderden miljoenen tv-kijkers trok een fantasieloos West-Duitsland ten strijde tegen een uitgeblust Argentinie dat de ruggegraat van haar elftal had verloren in de gele-kaartenregen van de halve finale. Alsof de krachtsverhoudingen nog niet scheef genoeg waren, stuurde de Mexicaanse arbiter Codesal Mendez twee Argentijnen naar de kleedkamer.
Maar zelfs tegen negen opgebrande Argentijnen bleek de Duitse adelaar, fysiek sterk doch vastgeklonken aan de weinig verrassende spelpatronen van Franz ‘Der Kaiser’ Beckenbauer, de weg naar het doel niet te kunnen vinden. Waarna spits annex acteur Rudi Voller reageerde op een correcte sliding alsof hij plotseling een hoofdrol speelde in The Killing Fields. Met een schorre pijnkreet en wanhopig naar balans zoekende armen dook hij op de Romeinse grasmat, alvast lonkend naar de man in het zwart. Tot verbijstering van alles en iedereen beloonde de Mexicaanse fluitist Vollers act met een strafschop. Zeven minuten voor het eindsignaal schoot Andy Brehme de elfmeter vlekkeloos in de hoek. Voor het eerst in veertien WK-finales werd een land tot wereldkampioen gekroond met de kleinst mogelijke overwinning (1-0).
Werd de matte vertoning voor het tv-kijkende wereldpubliek dus een bittere teleurstelling, voor het pas herenigde Duitse volk vormde het de perfecte aanleiding zich in een daverend feest te storten. Tegen de achtergrond van de Brandenburger Tor vlogen Ossies en Wessis elkaar in de armen op de historische grond van het voormalige Sperrgebiet. Zielsgelukkig sloot men zich aaneen tot een polonaise, die zich hossend door de royale bressen in de gehate Muur kronkelde. Beelden die door de Duitse televisie ontelbare malen gretig werden herhaald als het tastbare bewijs van de verwezenlijking van een lang gekoesterd eenheidsideaal. Even verstomden de Stasi-verdachtmakingen, bestond er geen Treuhand en was de werkloosheid vergeten. Het succes van de Mannschaft was het succes van het verenigde Duitsland.
Vier jaar later is er voor Ossis en Wessis weinig reden een gezamenlijke polonaise te organiseren. Nadat de West-Duitsers kortstondig het waanidee najoegen dat zij hun oosterburen onmiddellijk als volstrekt gelijkwaardige leden van de Duitse familie binnen zouden halen, werkt men thans in Keulen, Munchen, Hamburg en Frankfurt am Main gewoon weer aan het eigen succesverhaal. Als men zich al bezighoudt met de voormalige DDR, dan is het maar vanuit uit een motief: wat valt eraan te verdienen? De regering in Bonn heeft de gedachte aan overvloedige ontwikkelingshulp inmiddels laten varen. Stilzwijgend accepteert men dat de wetten van het kapitalisme ook in het Oosten hun werk moeten doen, hoeveel werkloosheid, criminaliteit en mentale vervreemding dat ook met zich meebrengt.
ONDERTUSSEN WORDEN de Ossis iedere ochtend wakker in een land dat luidruchtig wordt verspijkerd door westerse aannemers. Een land waar ze de vrijheid hebben om te stemmen, te reizen, te winkelen. Maar ook om te falen. En als een ding de Ossie inmiddels schrijnend duidelijk is, dan is het dat veertig jaar socialisme de slechtst denkbare leerschool vormt voor overleven in een markteconomie. Twijfel aan zichzelf en bijtende onzekerheid voeden een DDR-nostalgie die door steeds bredere lagen van de bevolking wordt gevoeld. Gezien de huidige malaise is het zeer de vraag of een rake kopstoot van Klinsmann, Riedle, Muller of een andere Westduitse coryfee tijdens USA 1994 de Ossis juichend uit hun stoel zal doen opveren. Hoeveel fans telt die Mannschaft oostelijk van de Elbe? Valt er uberhaupt nog iets te juichen voor de voetbalsupporters in de nieuwe Bundeslander?
DR. MATTHIAS FUCHS heeft als trainer van Dynamo Oost-Berlijn een eclatante zegereeks van tien opeenvolgende DDR-kampioenschappen op zijn naam staan. Van 1979 tot en met 1988 beheerste Dynamo de Oberliga, de hoogste voetbaldivisie van Honeckers socialistische heilstaat. We treffen dr. Fuchs in het praktisch leegstaande clubgebouw. De eenzame prijzenkast en de verspreide vaantjes van illustere Europacup-tegenstanders accentueren de naargeestigheid van de gangen. Fuchs, thans voorzitter en manager van de tot FC Berlin herdoopte club, toont ons gelaten de verpieterende faciliteiten van de recordkampioen. 'Vroeger werkten hier vijftig mensen full-time. We hadden alleen al veertien trainers in dienst. Verder hadden we fysiotherapeuten, artsen, elftalbegeleiders, noem maar op. Nu hou ik in mijn eentje de zaak draaiende, samen met een part-time secretaresse en drie part-time trainers.’
FC Berlin speelde het afgelopen seizoen een anonieme rol in de hoogste amateurafdeling. Fuchs, die ooit als winnend coach na Europacup I-wedstrijden tegen Nottingham Forest, Aston Villa en het St. Etienne van Platini van het veld stapte, probeert nu met zijn club een plaatsje in de Regional-liga veilig te stellen. Als we voorzichtig informeren naar uitzicht op betere tijden, begint Fuchs schamper te lachen: 'Er is geen uitzicht. Meer dan de Regional-liga zit er niet in. We zijn kansloos.’
Hij overhandigt ons een lijst van Dynamo- spelers, die na die Wende door kapitaalkrachtige clubs naar het Westen zijn gehaald. In totaal drieenveertig door Fuchs en zijn staf opgeleide voetballers voetballen anno 1994 als prof voor onder andere Lazio Roma, AS Cannes, HSV Hamburg, Aston Villa, Bayer Leverkusen, Werder Bremen, Schalke 04 en MSV Duisburg. Niet alleen sterspelers als Thomas Doll (Lazio Roma) en Andreas Thom (Leverkusen) zijn weggelokt, ook de mindere goden van het voormalige Dynamo vinden gretig aftrek. Fuchs: 'We staan als FC Berlin nog steeds bekend als de voetbalfabriek van Duitsland. Dat is een erfenis uit de DDR-tijd. Toen waren we de belangrijkste van de vijf Schwerpunkt-clubs. In het sportsysteem van toen werden alle jeugdtalenten naar deze centra gedirigeerd. We hadden hier alles.’
Vanuit het kantoorraam wijst Fuchs op de talloze faciliteiten van het immense, zo goed als verlaten sportcomplex: trainingsvelden, schoolgebouwen, internaat, ijshal, overdekte atletiekbaan, zwembaden en verschillende stadions. 'Alle jeugdturners, -zwemmers en -voetballers kwamen hier in aparte schoolklassen terecht. De onderwijzers moesten naar de pijpen van de trainers dansen. Het hele lesplan werd aangepast aan trainings- en wedstrijdschema’s.’ Door deze constante stroom van nieuw talent was Dynamo jarenlang hofleverancier van het nationale DDR-elftal.
Fuchs: 'Die reputatie van voetbalfabriek werkt nu tegen ons. Elk jaar raak ik acht, negen nieuwe spelers kwijt. Iedereen denkt dat de talenten hier aan de bomen groeien. Zelfs matige spelers worden met vette contracten losgeweekt. En ik kan niks doen om ze tegen te houden, want we zijn een amateurclub. De Duitse voetbalbond verplicht ons een speler vrij te geven als hij prof kan worden.’ Een groot deel van Fuchs’ werkweek gaat op aan het versturen van dreigbrieven aan Westduitse profclubs: 'Ze horen ons een vergoeding te betalen als ze een amateur van ons inlijven, maar negen van de tien keer moet ik uit de krant vernemen dat een van mijn jongens is weggekocht. Het is pure piraterij!’
FC Berlin werkt zijn thuiswedstrijden af op het vroegere trainingsveld voor zo'n twee- tot driehonderd toeschouwers. Het is een omlijsting die in schril contrast staat met het decor van Dynamo in de DDR-tijd: tachtigduizend toeschouwers bij Europacupwedstrijden, gemiddeld twintigduizend bij competitiewedstrijden en een schare van vijfduizend meereizende fans bij uitwedstrijden. Waar zijn de Dynamo-fans gebleven? Fuchs: 'De mensen hebben nu andere zorgen. Ze moeten zien te overleven. Voetbal is dood in oostelijk Duitsland, en zeker in Berlijn. Er zijn hier vijf of zes gevestigde clubs, maar geen van alle trekt een noemenswaardig aantal toeschouwers. Ik heb wel eens voorgesteld om de krachten te bundelen tot een 1. FC Berlin, maar de andere voorzitters roepen nog steeds: met jullie doen we geen zaken, jullie zijn een vieze Stasi-club.’
Officieel was Dynamo Oost-Berlijn verbonden met de Volkspolizei, zoals FC Vorwarts dat was met de Volksarmee, Lokomotive Leipzig met de Reichsbahn en Wismut Aue met de Sovjet-Duitse uraniummijnen. De Stasi-reputatie dankt Dynamo aan zijn grootste fan: Stasi-baas Erich Mielke. Of er nu een CIA-infiltrant moest worden ondervraagd, met spoed een setje afluisterapparatuur ten huize van een dissidente schrijver moest worden geinstalleerd of Wachttoren 158 verlegen zat om extra rollen prikkeldraad - Mielke pakte elke thuiswedstrijd van zijn Dynamo van aftrap tot eindsignaal mee.
Maar met de overige voetbalfanaten in het Politburo (Krenz, Krolikowski en Hoffmann) was hij een geplaagd man, want zoals alle teamsporten speelde voetbal in de DDR tweede viool. Fuchs: 'Dat was onze grote frustratie, dat voetbal door het sportministerie niet de bijzondere status van Leistungssport kreeg. Onze sportminister Manfred Ewald maakte een keiharde berekening. Voetbal? Dan moet de DDR een selectie van tweeentwintig klaarstomen voor een medaille, terwijl een zwemmer, hardloper of schaatser er wel drie of vier voor ons kan winnen!’ Zelfs de historische 1-0-overwinning op de ideologische tegenhanger West-Duitsland in Hamburg tijdens de WK '74 - met een winnende treffer van DDR-spits Jurgen Sparwasser - vermocht het sportministerie niet te vermurwen. De voetbalfanaten in het Politburo zagen het met lede ogen aan, maar sloegen een keer per jaar terug. Fuchs: 'Elk jaar stuurden ze Ewald een officiele invitatie voor de bekerfinale. Ewald had een verschrikkelijke hekel aan voetbal maar kon zo'n uitnodiging met goed fatsoen niet weigeren. Dan zaten Mielke, Krenz, Krolikowski en Hoffmann in hun vuistje te lachen terwijl Ewald zich negentig minuten kapot verveelde. Als er verlenging was, lagen ze helemaal dubbel.’
KLAUS PETERSDORF is manager van het Nordostdeutscher Fussballverband, opvolger van de Oostduitse voetbalbond en thans een van de vijf afdelingen van de Deutschen Fussball Bund (DFB). Petersdorf houdt sinds kort kantoor in een barak naast het vervallen Friessenstadion, waar ooit de DDR zwemploeg zijn interlands afwerkte. De afdelingsmanager is zich bewust van de magere entourage. Verontschuldigend: 'Twee weken geleden moesten we ons oude kantoor verlaten. We huurden een verdieping bij de sociale dienst, maar die hebben de ruimte nu zelf nodig.’
De triplex kantoordeur heeft hij laten bekleden met kunstleer en een topzware vergadertafel moet het beeld van de directiekamer completeren, maar de tafel wordt zelden gebruikt. Een van de belangrijkste taken van Petersdorf is het aanboren van nieuwe geldbronnen, maar hij heeft nog maar weinig bedrijfsdelegaties in zijn barak mogen ontvangen. Petersdorf: 'Het hele systeem van staatsamateursime is van de ene op de andere dag weggevallen zonder dat er iets voor in de plaats is gekomen. Elke bal, elke doelpaal en elke training moet nu worden betaald.’
In 1960 afgestudeerd aan de Deutsche Hochschule fur Korperkultur te Leipzig en voorbeeldig carrieretrainer binnen het Oostduitse sportbestel, beweegt Petersdorf zich bepaald onwennig in het rauw- kapitalistische zakenleven van Berlijn. De geheimen van image- building, sponsorwerving en doelgroepanalyse zijn voor hem nog in nevelen gehuld. Maar vandaag staat toevallig de heuse ontvangst van een potentiele geldschieter op de agenda. Petersdorf is nerveus: 'Ik krijg vanmiddag een bedrijf op bezoek dat misschien wat geld wil stoppen in onze jeugdelftallen. Dat moet perfect verlopen, want iedere mark is hard nodig.’
Vier jaar terug onderhandelde Petersdorf namens het Oostduitse voetbal met de DFB over de integratie van de oostelijke Oberliga en de westelijke Bundesliga. Hij gooide geen hoge ogen in Frankfurt, de DFB-officials zetten hem op de trein met in zijn aktentas de volgende deal: de nieuwe competitie bleef gewoon Bundesliga heten en zou zestien Westduitse en twee (!) Oostduitse clubs tellen. Als pleister op de wonde mochten zes Oostduitse clubs aanschuiven bij de tweede Bundesliga, zeg maar de eerste divisie van Duitsland. De overige tien Oberliga-verenigingen werden teruggezet naar de rijen der amateurs.
IN 1988 DRONG 1. FC Lokomotive Leipzig met een finaleplaats in de Europacup 2 binnen in de Europese voetbalelite. Door een bevlieging van sterspits Marco van Basten bleef Ajax de staatsamateurs in die finale een neuslengte voor. In het seizoen '93-94 is Leipzig - inmiddels VfB Leipzig geheten - de schlemiel van de Bundesliga. Vanaf de eerste speeldag heeft de voormalige Europacup-finalist een abonnement op de onderste plaats. Bij onze aankomst in Leipzig, aan de vooravond van de voorlaatste thuiswedstrijd, is de degradatie al weken een feit. Nog tweemaal moeten de VfB- spelers het lege Zentralstadion trotseren: een megalomane betonbak die met tachtigduizend zitplaatsen berekend is op de massale toestroom van boeren en arbeiders.
De wedstrijd tegen FC Schalke 04 trekt uiteindelijk vijfduizend toeschouwers, waarvan de overgrote meerderheid Schalke-supporter is. Voor de wedstrijd zwerven de Schalke-fans door Leipzig en houden zich onledig met het uitlachen van de Trabanten en Wartburgs waarop vele Ossis nog zijn aangewezen. In een zijstraat test een groepje halfdronken hooligans de vering van een geparkeerde Trabant. 'Scheiss-Ossis’, loeien de balorige jongeren uit Gelsenkirchen.
Op prof. dr. Kurt Stingl rust de zware taak bedrijven warm te krijgen voor het voetbalprodukt VfB Leipzig. Als econoom lijkt hij betere papieren te hebben dan ex-DDR-trainer Petersdorf. Stingl, fan sinds 1956, poogt sinds de Wende staatsclub Lokomotive te transformeren tot het volwaardig voetbalbedrijf VfB. Stingl: 'Toen ik kwam was er helemaal niks: nul kapitaal, nul verbinding met het bedrijfsleven in de regio, nul boekhouding en administratie.’
Stingl timmerde eigenhandig reclameborden in elkaar, knipte voor dag en dauw het licht van zijn kantoor aan om een kloppend administratiesysteem te ontwerpen en schudde tot in de kleine uurtjes handen op borrels en recepties van de opkomende economische elite. De resultaten vallen echter zwaar tegen, bekent Stingl. 'In Leipzig, een traditioneel handelscentrum, bloeien nu vooral banken en verzekeringsmaatschappijen op. Maar hun hoofdkantoren zitten allemaal in het Westen. Daar beslissen ze over de reclamegelden. En hoe maak ik een bankier in Stuttgart duidelijk dat hij VfB Leipzig nodig heeft?’ De respons van de nieuwe plaatselijke middenstand is wat beter, maar levert te weinig op om VfB los te breken uit de negatieve spiraal die leidt naar het faillissement. Stingl: 'Zodra een speler van ons boven de middelmaat uitsteekt, zijn we hem kwijt. Zelfs onze aankomende spelers zijn niet veilig, omdat de westerse clubs spelers op steeds jongere leeftijd willen vastleggen. Zo'n club benadert de ouders van zo'n jongen, belooft een baan, een huis en een auto en weg is ons talent.’
Om de ergste tekorten aan te zuiveren, zijn de entreeprijzen opgetrokken tot 25 mark. Een tweesnijdend zwaard, aldus Stingl. 'Vroeger kostte een zitplaats maximaal drie Ostmark. Nu is een vader met twee kinderen ineens 75 mark kwijt. Grote kans dat zijn vrouw zegt: Blijf jij maar thuis, dat geld kunnen we beter gebruiken.’
Een klein jaar geleden, op het moment dat de deurwaarders op de poorten van het Zentralstadion bonkten, greep bouwondernemer Axtmann uit Neurenberg zijn kans. Op zoek naar uitbreiding van zijn timmer- en metselwerkzaamheden in het oosten, zag hij in de VfB het ideale vehikel om voor een prikje zijn naamsbekendheid te verhogen. Op het programmablad, in het stadion en op de shirts verdringt zijn naam en foto het embleem van VfB Leipzig. Gewapend met autotelefoon, een strakbruine kop en omringd door geparfumeerd vrouwvolk, stapt de betonstorter als een nazaat van Berlusconi en Tapie door de catacomben van het Zentralstadion. Stingl over hem: 'Hij houdt van voetbal!’ En zijn eigen belang? Stingl: 'Natuurlijk. Herr Dokter Axtmann wordt er niet slechter van. Dank zij Leipzig is hij nu overal positief bekend.’
REINHARD TESCHNER, Thomas Rettig en Silvio Zimmerman zijn drie geharde fans, die Leipzig fanatiek zullen blijven volgen tot in de roemloze amateurklasse. Axtmann beschouwen zij als een noodzakelijk kwaad. Teschner: 'In het moderne voetbal draait alles om geld. Axtmann zwemt erin.’ De Bundesliga is hen niet erg goed bevallen. Rettig: 'De Wessis nemen ons niet serieus. We worden overal belachelijk gemaakt. En dan ook nog eens elke week verliezen!’ Met weemoed denkt het trio terug aan de tijd dat Lokomotive Leipzig respect genoot, in de DDR en in Europa. En ook het nationale DDR-elftal is hen ontstolen. Rettig: 'Ik heb geen enkele emotionele binding met de Mannschaft. Je wisselt nou eenmaal niet zo makkelijk van vrienden. Ik hou van voetbal, dus ik kijk wel naar de wedstrijden van Duitsland. Zoals ik ook kijk naar wedstrijden van Nigeria, Engeland of Italie. Een wereldtitel van de Mannschaft zal me evenveel doen als een titel van zo'n land.’ Zimmerman: 'Tijdens de WK in 1990 zat ik te duimen voor Nederland. Ik heb gevloekt toen Klinsmann 1-0 inkopte.’
Is hun afkeer van de Mannschaft maatgevend voor de houding van de Ossis? Terug in Berlijn bespeurt dr. Fuchs inderdaad een groeiende psychologische kloof tussen Oost en West: 'Voor steeds meer mensen bestaat een wedstrijd van de Mannschaft uit Ossis tellen. Doet Sammer mee? Doet Doll mee? Doet Thom mee? Zo niet, dan is het niet ons Duitsland.’