Het verraad van burgemeester peper

Het wil maar niet lukken als kopstukken van onze nationale legertrots het in de burgermaatschappij proberen. Vers in het geheugen ligt het drama van admiraal N. Buis, geliefd bij de Jantjes als een soort reïncarnatie van Michiel Adriaenszoon de Ruyter, vastberaden en altijd recht door zee. Toen Buis echter overstapte naar het hoofdkwartier van de Binnenlandse Veiligheidsdienst als opvolger van Arthur Docters van Leeuwen kwam hij binnen de kortste keren in conflict met iedereen om zich heen, inclusief zijn eigen gemoedsrust, en knetterend van de stress greep Buis naar de pen voor zijn ontslagbrief.

Al even dramatisch kort lijkt de burgerlijke carrière van ex-generaal-majoor J.W. Brinkman als hoofdcommissaris van politie te Rotterdam uit te vallen. Brinkman vecht op dit moment als een leeuw voor zijn baan, maar het moet toch wel heel raar lopen als hij erin slaagt om als winnaar uit het titanengevecht te komen dat hij met burgemeester Bram Peper is aangegaan.
Vriend en vijand vielen om van verbazing toen Bram Peper in augustus 1996 met een generaal op de proppen kwam om de vacante plaats van de tot ‘drugsambassadeur’ in Parijs benoemde R. Hessing in te nemen. De politiebonden stonden op hun achterste benen. Brinkman, op dat moment de commandant van een Navo-divisie in Mönchengladbach, werd door de vakbonden omschreven als 'een man die de specifieke politiecultuur niet kent’. De generaal-majoor was ook nog eens historisch belast met zijn aandeel in het drama-Srebrenica. Peper had Brinkman net voorgedragen voor de functie toen de uitgetreden generaal Couzy zijn memoires schreef, waarin Brinkman er van langs kreeg als een van de grote promotors van de idee dat het allemaal wel snor zat met de veiligheid van de Moslimenclave in Bosnië (Couzy: 'Brinkman zag nauwelijks knelpunten’). Dat waren geen goede papieren voor een baan als permanente crisismanager in Rotterdam. Niettemin gooide Bram Peper zijn hele gewicht in de schaal om Brinkman naar Rotterdam te halen. De politiebonden beschuldigden Peper zelfs van 'een negentiende-eeuwse kanonneerbotenpolitiek’.
Volgens Peper was het juist van vitaal belang dat de nieuwe korpschef een militaire achtergrond had. Wat hem precies bezielde zal altijd wel in nevelen gehuld blijven. Wellicht zocht Peper een ijzervreter die de zo gewenste modernisering van het Rotterdamse politieapparaat kon doorvoeren. Brinkman stond in het leger bekend als een man van discipline, en dat moet Peper hebben aangetrokken. Dat Brinkman er geen geheim van maakte 'geen flauw benul te hebben’ van politiewerk gold als een bezwaar van niet onoverkomelijke aard. Tenminste, wat Peper betreft. De rest dacht daar anders over. Ex-hoofdcommissaris van politie te Rotterdam J.A. Blaauw sprak ook zijn verbazing uit. 'Tien jaar geleden nog zou Peper alleen al bij de gedachte aan een generaal van zijn ambtelijke stoel zijn gerold’, stelde deze droogjes vast. Blaauw zag de stap van Peper als een poging weer greep te krijgen op de als feodale warlords over hun rijkjes heersende chefs van de Rotterdamse politie (van wie er een, tronend over het district IJsselmonde, er zelfs geen probleem in zag om begin jaren tachtig namens de Centrumpartij in de stadsdeelraad zitting te nemen) in het gareel te krijgen. Brinkmans benoeming kwam vlak na de IRT-affaire, die in ieder geval had aangetoond dat de beleidsvrijheid die de politiechefs zich de afgelopen jaren hadden toegeëigend dramatisch uit de hand was gelopen. Door een buitenstaander aan de top van zijn politieapparaat te parachuteren, dacht Peper greep op zijn agenten te krijgen. 'Who’s running the police? Dat is de enige vraag waar het hier om draait’, zei Peper. Brinkman moest zijn breekijzer worden.
Het liep allemaal dramatisch anders. Brinkman was nog maar enkele maanden actief of de politie in Rotterdam verkeerde in crisis. Als geen ander korps staat dat van Rotterdam bekend om zijn voorliefde voor het exces. Nergens liep het aantal klachten over mishandeling door agenten zo hoog op als hier, en ook andere vormen van 'vervaging van normen en waarden’ (diefstal, meineed, seksuele intimidatie en andere vormen van machtsmisbruik) waren schering en inslag. Brinkman beloofde een 'grote schoonmaak’, en die ambitie was een enkeltje naar zijn persoonlijke Waterloo. Het Maasstedelijke politieapparaat deed alles om de ongewenste vreemdeling het leven onmogelijk te maken. De ex-generaal werd verdronken in een eindeloze rivier van rapporten en beleidsnota’s. De frisse blos op het sportief afgetrainde gelaat van de hoofdcommissaris verdween al snel. 'Het is hier helemaal niet gezellug, Bram’, liet Brinkman zijn superieur al na enkele maanden weten. Hij ging kopje-onder in de bureaucratie en van de zo gewenste hervormingen ontbrak ieder spoor. In plaats daarvan verkeerde Brinkman in staat van oorlog met zijn Ondernemingsraad, die alles in het werk stelde om hem af te schilderen als een ondemocratische houwdegen. 'Elke generaal had dit karwei kunnen klaren, behalve Brinkman’, sprak een bondsvertegenwoordiger verraderlijk. Brinkman had in no time geen vriend meer over in Rotterdam. Uiteindelijk liet ook Peper hem vallen. De wijze waarop dat geschiedde biedt een weinig verheffend uitzicht op de politieke survival-methodes van de Rotterdamse burgervader. De directe aanleiding om Brinkman te laten schieten - tenminste het motief waar Peper nu mee schermt - is te futiel voor woorden. Brinkman zou zijn chef in een crisisvergadering enige bedenktijd hebben gevraagd, waarop Peper geestdriftig de kans greep om zijn chef te schorsen omdat deze 'het gezag bruuskeerde’.
Terecht vecht Brinkman dit alles nu via zijn advocaat aan. Het is evident dat Peper eieren voor zijn geld heeft gekozen door zijn man op een strategisch moment als een baksteen te laten vallen. Peper had het kaartje gekocht en moest de hele rit uitzitten. Dat durfde hij niet aan. Ongetwijfeld speelt daarbij mee dat Peper nog verdere ambities heeft. Welingelichte bronnen in Rotterdamse politiekringen melden dat Peper zichzelf al minister van Binnenlandse Zaken ziet worden zodra Paars II aantreedt. In de aanloop daartoe kan hij geen interne conflicten in zijn politieapparaat gebruiken. Kort geleden kwam levenspartner Neelie al zo lelijk in het nieuws met het TCR-proces. Een tweede schuiver was wel het laatste waar Peper op zat te wachten. Het tekent zijn politieke instincten, maar evengoed zijn gebrek aan moed.