De prijs van de vrije markt 

Het verscheurde gemoed van een renteniersnatie

Waar Nederland zich altijd openstelde voor het grote buitenland is de geest nu klein, provinciaal en xenofoob. De handelsnatie is verworden tot een land van benepen renteniers.

Er gebeuren vreemde dingen in Nederland. Ooit is het rijk geworden door openheid, ondernemingszin en hier en daar wat piraterij. En nog altijd fungeert dat gouden verleden als ijkpunt voor straks. Zoals vvd’er Van Aartsen ooit Nederland schetste als een groot, vrij en welvarend New York, zo sprak laatst de premier expliciet de geest van dit verleden aan toen hij de Nederlander opriep wat meer zijn zeezeilende voorvaderen te gelijken. Graag ziet de Nederlander zich als Atlanticus, als de ‘Chinees’ van het Westen, die durft te gaan waar niemand voor hem ging. Afgronddiep is echter momenteel de kloof tussen wens en feit.

Sinds de tweede politieke moord in de geschiedenis van dit land is alle energie gegaan naar jij-bakken over de trage integratie van de gastarbeiders die in de jaren zestig naar Nederland zijn gehaald om de laatste en verdwijnende industrieën te bemensen. Te weinig geduld, te veel geloof in culturele kneedbaarheid, te veel achteloosheid op economisch vlak en een opportunistische elite hebben uitgemond in beleid dat is gestoeld op de maat van de borreltafel. Klein, provinciaal, xenofoob en naijverig is sindsdien het debat. Wrang is niet alleen dat dit de integratiezaak alleen maar meer op scherp heeft gezet, maar ook dat daardoor de internationale economie ongemerkt een radicale transformatie heeft kunnen ondergaan die ook Nederland niet onberoerd heeft gelaten.

Monsters baren

Eens stonden Nederlandse ondernemingen pal aan het front van de internationale economische strijd. Geplaagd door een kleine thuismarkt en grote buren heeft de Nederlandse overheid noest gewerkt aan grotere markten. Het resultaat was dat Nederland een thuis is gaan bieden aan een buitenproportioneel aantal multinationals. Gebruikmakend van de koopkracht van de liquide Amsterdamse beurs en handig de fragmentatie op buitenlandse markten benuttend, kochten Nederlandse ondernemingen zich rond en vet, en wisten zo tot de toppen van hun lijstjes door te dringen.

Datzelfde gold voor Nederlandse banken en verzekeraars. In twee weeën heeft de Nederlandse economie vier banken en twee verzekeringsmaatschappijen van wereldfaam gebaard. Nederland kende al niet het onderscheid tussen commerciële bank en handelsbank, maar was wel, net als onze buren, opgedeeld in regio’s. De politieke creatie van een nationale financiële markt mondde in de jaren zestig al uit in een beperkt aantal nationale spelers. Toen midden jaren negentig ook nog eens de schotten tussen bankieren en verzekeren verdwenen, resulteerde dat in de schepping van twee financiële monsters, ABN Amro en ing, die groot genoeg waren om vooraan te kunnen meestrijden in de aanstaande mondiale consolidatieslag.

Dronken van succes

Tot 2001 verkeerde Nederland in een roes van financieel succes. De elite meende Nederlandse ondernemingen, banken en de Nederlandse beurs optimaal te hebben toegerust voor de nakende utopie van grenzeloos kapitalisme. Voor een goed begrip: dat waren niet slechts dromen. De Amsterdamse effectenbeurs boekte in die jaren record na record; de stad zelf was een gewilde vestigingsplaats voor buitenlandse banken en bankiers; pensioenfondsen haalden jaar op jaar superrendementen en gunden hun sponsoren zonovergoten premievakanties; de beursgenoteerde bedrijven regen thuismarkt aan thuismarkt; en de Nederlandse grootbanken tuigden in Londen dure investeringsbanken op die moesten concurreren met Britten, Amerikanen en Zwitsers. De symbolische klap op de vuurpijl was de overname van het chique Britse Barings door de modale NMB Postbank voor het veelzeggende bedrag van een harde gulden.

De successen maakten de elite duizelig, soms hebberig en ook wat onvoorzichtig. Niet iedereen wist de verleiding van koersgerelateerde beloningen te weerstaan. Niet iedereen hield zich aan de vigerende marktregels. Niet iedereen onthield dat stijgende koersen ook kunnen zakken. Bovendien voorzagen maar weinigen dat de wet van de remmende voorsprong weldra Nederland zou hebben bereikt en dat Nederlandse jagers ook prooi konden worden. Ten slotte hadden maar weinigen in de gaten dat deregulering en ict een voedzame bodem vormden voor een wildgroei aan nieuwe financiële producten die de markten van de 21ste eeuw zouden overspoelen en de internationale hiërarchie verder zouden verscherpen.

Nederlands mercantilisme

In deze context werden midden jaren negentig de beleggingsrestricties op de publieke pensioenfondsen opgeheven. Opgezet in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog zaten deze fondsen aan het begin van de jaren negentig op hoge bergen kapitaal, die het absorptievermogen van Nederlandse markten veruit overschreden. Bij slinkende overheidsschulden als gevolg van bezuinigingen en Europese verplichtingen verdween tevens de noodzaak om dat kapitaal hier te houden. En dus ging de wettelijke kurk eruit en verdween het spaargeld kolkend over de grens.

Eveneens in deze context ging in 1996 de Commissie-Peters van start. De opdracht: herzie het bestuur van de beursgenoteerde onderneming opdat de ‘Dutch discount’ verdwijnt en Nederlandse ondernemingen aantrekkelijker worden voor buitenlandse beleggers. Reden: de relatieve onderwaardering van Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen betekende dat Nederlandse jagers bij overnames duurder uit waren. Gevolg: in een aantal stappen werd het Nederlandse ondernemingsbestuur geëgaliseerd met wat gewoon is in landen met actievere aandeelhouderscontrole en kregen aandeelhouders een belangrijkere rol bij het opzwepen van het management.

Interessant is het motief. Het cordon sanitaire om de Nederlandse ondernemingen is verwijderd om de buitenlandse slagkracht van die ondernemingen te vergroten. En het dijkenstelsel rond het Nederlandse pensioengeld is lek geprikt om de werknemer meer te laten profiteren van investeringsmogelijkheden daar om de premies hier te kunnen drukken. Beide initiatieven zijn daarmee uitdrukking van een typisch Nederlands mercantilisme. Dat gaat niet via industriepolitiek maar is financieel van aard.

Renteniersnatie

De trage klap van 2001 kwam hard aan. Het begon in de Amerikaanse ict-sector, maar raakte uiteindelijk het pensioen van ome Jan en tante Jo op de hoek, vergruisde terloops een aantal reputaties, en stortte Nederland in een jarenlange bestedingscrisis als gevolg van een wettelijke overreactie op dalende pensioenreserves. Toen ging het snel. In september 2001 vloog een stel Arabieren met vliegtuigen een torenflat in New York binnen. In mei 2002 vond de moord op Pim Fortuyn plaats. Een maand later zegde het Nederlandse electoraat het vertrouwen in zijn elite op. En sindsdien zijn we met z’n allen in therapie vanwege die vreemde islamiet in ons midden.

De wereld van het kapitaal laat echter niet op zich wachten. Terwijl de elite zich naar de borreltafel boog, transformeerde de Amsterdamse effectenbeurs zich tot een transnationaal platform voor flits- en risicokapitalisten, verwerd de aex tot een verkapte _midcap-_index, gingen de ‘paarlen’ van de Nederlandse economie naar buitenlandse ‘zwijnen’ en vloeide het Nederlandse pensioenkapitaal klotsend en kolkend naar een dorstig buitenland.

Even wat cijfers. De werkgelegenheid in de financiële industrie in Amsterdam is sinds 2002 met ruim vijfduizend werknemers gedaald.

De Amsterdamse effectenbeurs heeft sinds 2004 bijna zeventig fondsen verloren.

Van de fondsen die er sinds 2004 bij zijn gekomen (33) zijn er 23 afkomstig uit het wilde buitenland.

Ruim zeventig procent van alle uitstaande aandelen is in handen van buitenlandse beleggers.

Bijna zestig procent van het extern beheerde Nederlandse pensioenkapitaal wordt beheerd door grote Anglo-Amerikaanse partijen.

Meer dan tachtig procent van de zevenhonderd miljard euro aan Nederlands pensioengeld is in het buitenland belegd.

In 2007 zijn voor het eerst in de naoorlogse geschiedenis meer Nederlandse bedrijven overgenomen door buitenlanders dan omgekeerd.

Wie dit tot zich laat doordringen, moet concluderen dat Nederland een renteniersnatie aan het worden is. Onze ‘oude’ ondernemingen zijn verworden tot koopwaar, nieuwe ondernemingen worden nauwelijks meer opgericht, en ons spaargeld weet steeds meer zijn weg te vinden naar buitenlandse vermogensbeheerders die het uitzetten in contreien waar nog wel wordt gemaakt, gestart en voortgeplant. Dat is niet erg, want demografisch, cultureel en economisch gezien zijn we nu eenmaal over ons hoogtepunt heen. Maar dat gegeven moeten we wel onder ogen zien.

Een elite van de terugtocht

De Nederlandse burger is bang: bang voor de kleurling, bang voor de Engelstalige belegger, bang voor China en India. Hij vreest voor zijn toekomst, zijn buurt, school en verzorgingsstaat. Dat valt de burger niet te verwijten, wel zijn elite. In plaats van de burger te vertellen dat hij geen goede redenen voor vrees heeft – omdat de Nederlandse participatiestaat hem weliswaar niet langer zal verzekeren en verzorgen maar hem wel zodanig zal verheffen dat hij steeds opnieuw emplooi kan vinden op die draaischijven van cultuur, kapitaal en ideeën die de Chinese en Indiase wonderen mogelijk maken – neigt de Nederlandse elite zich al een aantal jaren nederig naar de lippen van de bange burger om te achterhalen wat deze nu weer smiespelt. De ware ‘handelaren van de angst’ zijn de leden van een elite die in het zoekplaatje van de verongelijkte burger steeds maar weer de woedende grimas van de islamiet ontwaren.

Het resultaat is pathologische schizofrenie. Wij willen de ziel van de voc en New York, maar de grenzen moeten dicht en de buitenwereld dient zich wel te gedragen. We creëren een nieuwe juridische entiteit voor flitskapitalisten en opkoopfondsen, maar belasten hun inkomsten als arbeid en niet als vermogen. We willen een Zuidas en expats, maar penthouses bouwen we maar mondjesmaat. We willen ondernemingen van wereldklasse, maar dan moeten ze zich wel houden aan de schamele belonings- en consumptienormen waarin eeuwen van vreugdeloos calvinisme hebben geresulteerd. We willen een financieel centrum dat kan wedijveren met Londen, maar aandeelhouders moeten zich koest houden. We zijn voor vrij verkeer van kapitaal zolang het ‘onze jongens’ in staat stelt te kopen, maar we schieten in een nationalistische kramp wanneer onze dropjes, koekjes, drankjes, kranten en vissticks in buitenlandse handen komen. We willen meedoen met de grote jongens, maar betreuren de Engelstalige bewegwijzering op Schiphol. We willen groots en meeslepend leven, maar de Polen en Roemenen moeten na de afwas wel terug naar huis.

De open, tolerante zijde van dit verscheurde gemoed weerspiegelt het realistische besef dat een renteniersnatie op retour het zich niet kan veroorloven voor anderen deuren te sluiten waar zij zelf wel doorheen wil. Dat botst nu eenmaal met het kantiaanse imperatief van het financiële kapitalisme van vandaag de dag: oefen wederkerigheid, zeker als je een klein landje bent. De bange, provinciale zijde van dit gemoed is het product van een nu al jaren durende rituele dans rond een integratievraagstuk van voorbijgaande aard dat obsessieve trekken heeft gekregen.

Commentatoren spreken graag van een populistische gijzeling van de elite. Daarmee geven ze blijk het idee van democratische representatie niet te hebben begrepen: alsof de kiezer klare taal en met één tong spreekt! Het is niet de bange, boze burger die gijzelt, het is integendeel een domme, laffe elite die zich heeft laten gijzelen. Door politieke opportuniteit zwaarder te laten wegen dan visie en leiderschap en al naar gelang de eisen van het politieke spel dan weer het tolerante, dan weer het xenofobe register te bespelen, dekt zij de uitweg naar helend realisme eigenhandig toe. Rentenieren vereist een elite van de terugtocht: nuchter, wijs, internationaal en bescheiden. Helaas zijn dat eigenschappen waarmee onze elite maar spaarzaam is bedeeld. De verscheurdheid van ons gemoed zal dus nog wel even aanhouden.