Maurits Berger, Sharia

Het verschil tussen moslims en moslims

Maurits Berger
Sharia: Islam tussen recht en politiek
Boom juridische uitgevers, 288 blz., 20,-

In zijn onlangs verschenen Sharia: Islam tussen recht en politiek geeft de Nederlandse arabist en islamitisch rechtsgeleerde Maurits Berger heel veel gedetailleerde informatie over de geschiedenis en de inhoud van het islamitische recht. Het boek is duidelijk geschreven om de kloof tussen de niet-wetende westerling en de moslim die vast wil houden aan de sharia te dichten. Berger legt de niet-islamitische lezer uit wat moslims met hun sharia, islamitische wet, bedoelen, en werpt de vraag op of de sharia rechtvaardig is. Ook vergelijkt hij het Nederlandse of westerse recht met de sharia «om aan te tonen dat de verschillen niet zo groot hoeven te zijn als men denkt». Omdat hij een paar belangrijke begrippen niet helder definieert, raakt Berger jammerlijk verstrikt in zijn eigen betoog. Zo stelt hij dat «moslim» ook een religieus-culturele identiteit kan aangeven, en er dus een onderscheid is tussen gelovige, ongelovige en mindergelovige moslims. Onduidelijk blijft waarom Berger het hier niet heeft over bijvoorbeeld seculiere Marokkanen, Indonesiërs of Egyptenaren: mensen die opgegroeid zijn in een islamitische samenleving maar van hun geloof zijn gevallen, en hooguit af en toe een schietgebedje doen. Door hen hardnekkig «moslim» te noemen, zelfs als ze ongelovig zijn, maakt hij ze islamitischer dan ze zijn, en wordt het verschil met de niet-moslim benadrukt.

Nog raadselachtiger is Bergers onderscheid tussen moslimlanden en islamitische landen. Een moslimland is een land waar de meerderheid van de bevolking moslim is, ongeacht of ze belijdend of atheïstisch is. Een islamitisch land is een land met een duidelijke islamitische identiteit. Marokko is volgens Berger een moslimland, en geen islamitisch land, terwijl de Marokkaanse bevolking voor 99 procent moslim is. In een van de eerste artikelen van de Marokkaanse grondwet staat dat de islam staatsgodsdienst is, en de koning «emir el-mu’minien», «bevelhebber der gelovigen». Noem dat maar eens geen islamitisch land; er is geen scheiding tussen het geloof en de staat.

Saoedi-Arabië, Pakistan en Iran zijn volgens Bergers terminologie typische islamitische landen, en hij bedoelt daarmee dat die een bestuursvorm hebben die geheel of gedeeltelijk gebaseerd is op een bepaalde interpretatie van de sharia, zonder dat hij dat met zoveel woorden zegt. Hij wil niet spreken over «de islamitische wereld» of de «islamitische beschaving», maar over «moslim» en «islamitisch», niet eens over «islamistisch». Onbevredigend is dat hij nergens Turkije aanhaalt, waar de gematigde islamisten onder Erdogan nu alweer een paar jaar aan de macht zijn.

In een van de laatste delen van het boek komt de vraag aan de orde of de islam wel te verenigen is met democratie. Terwijl het in voorgaande hoofdstukken ging over de sharia, de islamitische wet, maakt Berger ineens geen onderscheid meer tussen islam en sharia, en komt hij schoorvoetend tot de conclusie dat de democratie niet goed verenigbaar is met de islam. Terwijl het niet heel ingewikkeld is: de sharia is onverenigbaar met het democratisch beginsel dat alle mensen die hun volle verstand hebben gelijk zijn voor de wet, want in de sharia zijn vrouwen minder waard dan mannen en niet-moslims minder dan moslims. Maar democratie is uiteraard heel wel verenigbaar met een religie, dus ook met de islam, zolang de religie een persoonlijke, individuele zaak is tussen de gelovige en zijn god. En daar zit ’m de kneep. Als Berger hier wel onderscheid had gemaakt tussen islam en sharia, en in zijn hele boek tussen een moslim, iemand die in vrijheid zijn persoonlijke islamitische geloof wil belijden, en een islamist, iemand die de politieke islam aanhangt en wil dat de samenleving bestuurd wordt volgens een bepaalde interpretatie van de sharia – dus dat de islamitische wet het publieke domein beheerst en zijn regels, eventueel met geweld, oplegt aan iedereen – dan was hij tot een andere slotsom gekomen. Juist hierover gaat het debat in de islamitische wereld, in elk geval in Marokko. Daags na de aanslagen in Casablanca in 2003 gingen driehonderdduizend Marokkanen de straat op in een van de grootste demonstraties die het land gekend heeft. «Dit is niet onze islam», werd er geroepen, «wij willen een tolerante islam!» De leuzen waren gericht tegen het islamitisch terrorisme, en voor laïcité, de strikte scheiding tussen religie en staat.

Bergers betoog laat geen ruimte aan moslims die het recht en de vrijheid opeisen moslim te zijn zonder hoofddoek en zonder dat de staat zich bemoeit met hun geloof. Hij denkt dat je niet van moslims kunt vragen zich te distantiëren van de sharia «omdat je dan vraagt de islam op te geven». Juist solidarisering met die tolerante, progressieve moslims is echter de eerste stap om de kloof van onbegrip tussen moslims en ongelovige westerlingen te dichten.