De opkomst van de groenen in West-Europa

Het verschil tussen optimisme en hoop

In elf landen boekten groene partijen bij de Europese verkiezingen in mei forse winsten. In het Europees Parlement werden De Groenen in grootte de vierde fractie. Is de Europese groenbeweging een uitschieter of een duurzame doorbraak?

Annalena Baerbock en Robert Habeck van de Duitse Grünen flankeren hun landgenoten Franziska Maria Ska Keller en Sven Giegold, kandidaten voor de Europese Groene Partij, tijdens een Groene-congres. 10 november 2018 © Jens Schlueter / Getty Images

Op de foto op Twitter staat Reinhard Bütikofer achter een muurtje van flessen en blikken bier: 75, om precies te zijn. De Europarlementariër voor De Groenen/Vrije Europese Alliantie dankt al die liters van zijn favoriete drank aan een weddenschap met Ryan Heath, journalist van Politico, over het aantal zetels dat zijn partij bij de Europese verkiezingen van mei zou halen. Hij won. Heath betaalde uit met het equivalent van het zetelaantal aan flessen en blikjes bier: vandaar dat muurtje, waarachter Bütikofer met beide duimen omhoog staat en Heath in gespeelde wanhoop de handen voor het gezicht slaat.

‘Ik had Heath tot die weddenschap uitgedaagd omdat hij onze kansen zo laag inschatte’, vertelt Bütikofer. ‘Hij schamperde vóór de verkiezingen dat we blij mochten zijn met een zetelaantal ergens achter in de vijftig. Ik beloofde hem een Miller Light als hij zou winnen, maar hij zette hoger in: als het er meer dan 62 worden, zei hij, koop ik al het bier dat jij hebben wilt.’

Een jaar geleden in de peilingen nog op zwaar verlies, boekten De Groenen met 23 zetels erbij (van 52 naar 75) een grote overwinning. In het Europees Parlement zijn ze nu in grootte de vierde fractie, na de traditionele ‘grote drie’: de christendemocraten, de sociaaldemocraten en de liberalen.

Bij het aangaan van zijn weddenschap had Bütikofer de signalen goed verstaan, zegt hij: ‘Ik had ongeveer een jaar in Europa rondgereisd en ik merkte dat de klimaatcrisis meer en meer een politiek urgent thema werd, vooral dankzij Fridays for Future, de scholierendemonstraties overal in Europa, die ouders duidelijk maakten hoezeer hun kinderen zich door de toekomst bedreigd voelen. Onze activisten raakten ervan overtuigd dat De Groenen bij de verkiezingen een goede kans hadden. Dat gaf ze in de campagne een stevige energiestoot. Maar de journalisten ontging dat, zij keken te veel op de oude manier tegen de politiek aan.’

Greta Thunberg was voor De Groenen een geschenk uit de hemel, zegt Dirk van den Bosch, fractiemedewerker in Brussel. ‘Het sneeuwbaleffect van haar stakingsactie heeft enorm geholpen om de klimaatcrisis hoog op de politieke agenda te krijgen. Een mooie wisselwerking tussen maatschappelijke actie en de politiek.’

GroenLinkser Bas Eickhout, sinds 2009 Europarlementariër, was in de campagne spitzenkandidat voor De Groenen/Vrije Europese Alliantie. In zijn verkiezingstournee merkte hij hoezeer bij kiezers de klimaatcrisis in hun afwegingen meespeelde. ‘De opwarming van de aarde was tot voor kort nooit een onderwerp dat echt de stemkeuze bepaalde. Dat is nu veranderd, zeker bij de jongeren.’

In Duitsland stemde een op de drie kiezers onder de 25 jaar bij de Europese verkiezingen groen. Ook in Frankrijk waren de groenen onder de jonge kiezers de populairste partij. ‘Je merkt dat jonge mensen echt vrezen voor milieurampen die de mensheid bedreigen’, is de ervaring van Eickhout. ‘Dat ontgaat politici die het klimaat nog steeds behandelen als een onderwerp als alle andere, een dossier, dat je bespreekt om daarna het volgende mapje open te slaan.’

In elf landen noteerden groene partijen hun verkiezingsresultaat in mei in dubbele cijfers: Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Ierland, Oostenrijk, de drie Beneluxlanden, Zweden, Finland, Denemarken. In Duitsland staken ze met meer dan twintig procent van de stemmen de sociaaldemocraten (15,8 procent) voorbij als tweede partij. In Frankrijk bleven ze, met 12,5 procent, de partijen van de oude macht (de republikeinen en socialisten) ruim voor en werden ze de derde partij, na En Marche van president Emmanuel Macron en de rechts-extremisten van Marine Le Pen.

Jesse Klaver © Rob Vos / HH

De vraag is of dit een eenmalige uitschieter is op de golven van het klimaatprotest. Of heeft de opkomst van de groenen een steviger basis? Voorlopig lijkt dit laatste het geval. In de peilingen blijven de groenen op niveau of stijgen ze na de verkiezingen zelfs verder. In Duitsland zijn ze virtueel nu zelfs de grootste partij. Die Grünen braken bij de Europese verkiezingen door naar een breder publiek: bij de kiesgerechtigden onder de zestig waren zij de favoriet, ook bij werkloze stemgerechtigden. In de andere landen had het groene electoraat een eenzijdiger achtergrond. Jong, hoogopgeleid en stedelijk is kortweg het profiel. En dat is niet het enige wat de groenen kwetsbaar maakt. Het succes is vooral een verschijnsel in Noordwest-Europa, het meest welvarende deel van het continent. Dat draagt bij aan het beeld van een partij waarop je stemt als je je dat kunt permitteren. ‘Dat zijn de kiezers die zichzelf een goed geweten aanschaffen’, zei de extreem-rechtse politicus Karsten Hilse (AfD) over de Duitsers die op de Grünen stemden.

Juist in Duitsland is dat cynische beeld onjuist: de werklozen bij wie de Grünen zo hoog scoorden, behoren allesbehalve tot de kiezers die zich een stem tegen hun materiële eigenbelang kunnen veroorloven. De Duitse zusterpartij heeft dan ook een voorbeeldfunctie voor groene politici in andere landen. De Grünen laten zien hoe je gestaag een invloedrijke positie in het politieke machtscentrum kunt opbouwen, dankzij een programma dat beklemtoont hoe groene politiek voor iedereen, dus niet alleen voor een bevoorrechte stedelijke elite, het leven kan veraangenamen.

Essentieel is dat die politiek ook altijd sociaal rechtvaardig moet zijn. Dat houdt niet alleen in dat de lasten eerlijk moeten zijn verdeeld, naar rato van draagkracht, maar ook dat iedereen profijt kan trekken van voorzieningen die het leven beter maken, zoals gezond voedsel, een prettige en veilige leefomgeving, een schoon milieu en goede publieke voorzieningen in de sfeer van zorg, cultuur, onderwijs.

Jos Geysels, minister van Staat, is een veteraan van de Vlaamse groenen (Groen). Hij zat van 1987 tot 2004 afwisselend in zowel het federale als het Vlaamse parlement. Hij zegt: ‘Je kunt een politiek kernbegrip als gelijkheid niet meer op z’n negentiende-eeuws invullen, dus louter materieel en kwantitatief, als eerlijk delen van de welvaart. Gelijkheid houdt ook in dat iedereen een eerlijk aandeel heeft in al het andere dat het bestaan kwaliteit geeft.’

Volgens hem kan de tegenvallende score bij de Europese verkiezingen van de SP en haar geestverwanten in Duitsland (Die Linke) en Frankrijk (La France Insoumise van Jean-Luc Mélenchon) te wijten zijn aan hun blinde vlek voor dat kwalitatieve aspect van eerlijk delen. ‘Zij richten hun pijlen vooral op de oneerlijke verdeling van de materiële rijkdom. Op zich vind ik het meer dan terecht dat ze op die ongelijkheid wijzen, want die wordt alleen maar groter, maar ze hebben geen klimaatplan, anders dan: het mag de mensen geen geld kosten.’

Het favoriete motto van de Franse groenen is dat groene politiek evenzeer over het einde van de wereld als over het einde van de maand moet gaan

Aan de andere kant is de grimmige woede van de gele hesjes in Frankrijk het afschrikwekkende voorbeeld van wat er mis kan gaan als een bewind onverschillig is over een eerlijke verdeling van de lasten. In de ogen van mensen op het verarmde platteland en in de leeglopende dorpen, waar een publieke voorziening als openbaar vervoer niets meer voorstelt, was de extra accijns op hun dieselauto een truc om hen te laten opdraaien voor de milieuschade die grote bedrijven en de jetset in de steden veroorzaken. Extreem-rechts juicht bij dat beeld: het bevestigt in alle opzichten hun politieke kernboodschap over een ‘elite’ die het op de ‘gewone Fransen’ heeft voorzien.

Damien Carême is sinds mei Europarlementariër voor de Franse groenen en tot die tijd was hij burgemeester van Grande-Synthe, een plaatsje onder de rook van Duinkerken. Met een werkloosheid van bijna dertig procent en een even hoog percentage inwoners beneden de armoedegrens is het een van de armste stadjes van Frankrijk. Carême liet zien dat links en groen succesvol kunnen samengaan. Bij de euroverkiezingen zakte de partij van Le Pen weg en schoten de groenen (Europe Écologie-Les Verts) omhoog naar 22 procent, zonder twijfel mede dankzij de populariteit van het beleid van Carême. Diens favoriete motto is dat groene politiek evenzeer over het einde van de wereld als over het einde van de maand moet gaan. Daarom besloot hij het geld dat de gemeente bespaarde dankzij de installatie van energiezuinige ledlampen in de straatverlichting, jaarlijks zo’n 560.000 euro, te besteden aan een inkomenssupplement voor de inwoners die onder de armoedegrens leven.

‘We moeten het klimaat niet redden ten koste van sociale rechtvaardigheid’, is de les die Annalena Baerbock, een van de twee leiders van de Duitse Grünen, uit de opstand van de gele hesjes trekt. Voor Jos Geysels is zij een van de Duitse voorbeeldpolitici. ‘De Grünen schetsen een hoopgevend pad’, zegt hij. ‘Ze reageren niet met doemdenken op de groeiende onzekerheid over de toekomst, maar geven daar een links antwoord op, waarin eerlijk delen van alles wat het bestaan beter maakt voorop staat.’

We beleven een fundamentele breuk in de naoorlogse geschiedenis, vindt Geysels. Voor het eerst denken mensen dat hun kinderen en kleinkinderen het minder goed zal vergaan. ‘Mensen leven langer en ze hebben tegelijkertijd meer schrik. Hoe reageert de politiek daarop? Het rechts-populisme doet dat met de politisering van de nostalgie. Restaureer het verleden en alles zal toch nog goed komen. Links moet daar een verhaal tegenover zetten – en ik zeg direct: excusez le mot, van Jeroen Brouwers mag ik dat woord niet gebruiken, maar “verhaal” dekt toch het beste wat ik wil betogen.’

Geysels erkent dat je de doem kunt wegdenken, maar dat hij daarmee nog niet weg is: de ecologische crisis door de opwarming van de aarde en het grote uitsterven, bedreigt het menselijk bestaan. ‘Natuurlijk’, zegt hij, ‘je moet een onverbiddelijke kritiek formuleren op het optimisme. Prediken, dat moet je niet doen, maar je moet wel het verschil tussen hoop en optimisme duidelijk maken.’ Hoop, betoogt Geysels, houdt de toekomst open: hij is even ongewis als vol beloftes. Goede politiek kan die beloftes waarmaken, slechte daarentegen doet vrezen voor de afloop. Hoopvol zijn houdt dus niet in dat je rustig kunt afwachten tot alles op zijn pootjes terecht komt. Hoop veronderstelt actie, politieke wil. Daarom sprak Gramsci ook over ‘het pessimisme van het verstand en het hoopvolle van de wil’: je moet niet bij de pakken neerzitten, ook al wijst alles wat je weet erop dat de wereld er slecht voorstaat.

‘De Grünen vullen hun boodschap aan de kiezers down to earth in. Ze appelleren aan wat veel Duitsers bezighoudt: de kwaliteit van het publieke domein. De natuur, de oude dorpskernen, de gezondheidszorg, de lucht, het water en niet te vergeten das Wald.’ Bram van Ojik, de buitenlandwoordvoerder van de GroenLinks-fractie, is een oudgediende in de groene politiek. Als voorzitter van de ppr was hij nauw betrokken bij de fusie met psp, cpnen evp tot GroenLinks, in 1990. Met tussentijdse uitstapjes naar Buitenlandse Zaken is hij sindsdien enkele malen Kamerlid geweest.

Wat GroenLinks kan opsteken van de Grünen, zegt Van Ojik, is niet al te doctrinair te zijn, als zij althans weg wil blijven uit de marge van het politieke krachtenveld. ‘GroenLinks heeft een grotere neiging dan de meeste andere partijen om zo recht mogelijk in de leer te willen zijn. Mijn les uit de geschiedenis van de Grünen is daarentegen: houd je boodschap een beetje gematigd. Bij de Duitse zusterpartij heeft in het verleden een langdurige strijd gewoed tussen de realo’s en de fundi’s. Nog even afgezien van het feit dat kiezers niet zo houden van partijen waarin een richtingenstrijd gaande is, zijn ze over het algemeen ook eerder geporteerd voor rustig realisme dan voor halsstarrige Prinzipiënreiterei. Ze zijn meer realo dan fundi.’

Voor het veroveren van zo’n centrumpositie is het van belang dat groene politici vertrouwenwekkend en geloofwaardig zijn, zegt Bas Eickhout. Hij is enthousiast over leidende politici van de Grünen. Winfried Kretschmann bijvoorbeeld, die er als eerste groene politicus in slaagde het premierschap van een deelstaat, Baden-Württemberg, te veroveren. In het achtste jaar van zijn premierschap zegt meer dan zeventig procent van de Baden-Württembergers dat ze geen ander zouden willen. Hij heeft hun hart gestolen door onomwonden het woord ‘Heimat’ in de mond te nemen: als de groenen hun eigen zorgzaamheid voor de leefomgeving serieus nemen, betoogt hij, dan moeten ze ook trots durven zijn op het Duitse eigene, zoals hun landschap.

Eickhout is ook onder de indruk van Robert Habeck, naast Annalena Baerbock duovoorzitter van de Grünen. ‘Hij heeft de potentie om van de Grünen een volkspartij te maken, in de betekenis van een partij die brede lagen van de bevolking aanspreekt. Wat ik knap van hem vind: hij is ideologisch scherp, niet kleurloos, maar tegelijkertijd weet hij het vertrouwen te wekken dat het bestuur bij hem in goede handen is.’

Klimaatactivist Greta Thunberg (rechts) op een FridaysForFuture-bijeenkomst in Lausanne, Zwitserland. 5 augustus © Jean Christophe Bott / AP / HH

‘Greens are the new hope for Europe’s center’, luidde een kop in The New York Times boven een nabeschouwing van de Europese verkiezingen. Is de tijd rijp voor ‘het groene moment’ in de Europese politiek? Is groen in staat om een invloedrijke positie in het midden van het krachtenveld te veroveren? De kans daarop lijkt groter dan ooit, zeker in Noordwest-Europa, dankzij een aantal factoren die in het voordeel van de groenen uitpakken.

In de eerste plaats kunnen ze profiteren van de teruggang van de oude macht: overal krimpen de klassieke volkspartijen, een incidentele electorale meevaller daargelaten. Voor de sociaaldemocraten geldt dat hun verlies vaak de winst van de groenen is. Zeker in Duitsland en Frankrijk lijken de sociaaldemocraten uit beeld bij de kiezers die de weg naar de groenen hebben gevonden. Een deel van de verklaring, los van oorzaken als verminderde partijtrouw, is volgens Europarlementariër Bütikofer dat zijn groepering het meest uitgesproken is in het verzet tegen het ‘lelijke deel van Europa’, de verbeten nationalisten, tegenover wie de sociaaldemocratische partijen soms wankelmoedig zijn.

Met de thema’s die de groenen politiseren, bevinden zij zich in het brandpunt van de grote kwesties van deze tijd: de ecologische crisis, de achteruitgang van de publieke diensten als gevolg van dogmatisch neoliberaal beleid, de opkomst van agressief rechts-nationalisme.

Daarbij komt dat de oudere groene partijen in de dertig, veertig jaar van hun bestaan organisatorisch zijn gerijpt. De eerste groene partij in Europa dateert van 1973: de Britse Ecology Party. Daarna volgden Agalev (de voorganger van Groen) in Vlaanderen in 1979, de Grünen in 1980, de Zweedse Miljöpartiet de Gröna in 1981, Les Verts in Frankrijk in 1984, Miljøpartiet De Grønne in Noorwegen in 1988, GroenLinks in 1990. Ze ontstonden in het voetspoor van de milieu- en anti-kernenergiebeweging van de jaren zeventig en tachtig, die in deze landen goed, op het militante af was georganiseerd. Dat is een van de verklaringen voor het fenomeen dat het groene verkiezingssucces vooral een Noordwest-Europees verschijnsel is: de groene beweging is daar zowel maatschappelijk als politiek het stevigst verankerd.

Ook als tegenbeweging van het neoliberalisme en als antipool van het rechts-nationalisme hebben de groenen hun positie duidelijk gemarkeerd

In Centraal- en Zuid-Europa staan de meeste groene partijen nog in de kinderschoenen, zo heeft Dirk van den Bosch ervaren. Het beeld is wisselend, maar: ‘Geen geld, geen mensen, geen programma’, is kortweg zijn oordeel over de meeste groene partij-initiatieven in Centraal-Europa. Zo ontdekte hij dat de groene partij in Kroatië uit één man en een paardenkop bestaat: ‘Ik vroeg hun kandidaat voor het Europees Parlement: kan ik jullie campagneleider spreken? Zijn antwoord: daar spreek je mee.’

Zijn opdracht voor de komende jaren, zegt Van den Bosch, is groene pioniers overal in Europa bij te staan in het proces van partijvorming. Een grote stap voorwaarts is de oprichting van de Green European Foundation, een soort wetenschappelijk bureau, gevestigd in Brussel en Luxemburg, dat beginnende groene partijen bijstaat met kennis en adviezen. Van den Bosch: ‘Wat we proberen over te brengen is dat ze in dat opbouwproces niet hapsnap een paar actuele thema’s eruit moeten pikken. Verdiep je eerst in de waarden die de grondslag van groene politiek vormen, raden we ze aan, want dan win je aan consistentie in de benadering van die thema’s.’

In Noordwest-Europa hebben de oudere groene partijen een vergelijkbaar proces van politieke volwassenwording doorlopen. Vaak begonnen als actiegroepen die een politieke gedaante hadden aangenomen, radicaal, activistisch, gericht op dat ene thema van de milieucrisis, hebben ze zich ontwikkeld tot brede programpartijen. Van zichzelf zullen ze dat niet gauw zeggen, maar het klopt wel: ze zijn ‘gevestigde’ partijen geworden.

De geschiedenis van GroenLinks is exemplarisch. De partij had het in haar beginjaren moeilijk met de belofte die in haar naam was verdisconteerd: dat zij een beleid voorstond waarin groen en links met elkaar in evenwicht zouden zijn. Een ‘links’ programmapunt, als harde eis ingebracht door de cpn, was een verhoging van de minimumuitkeringen met vijftien procent in één keer. Kamerlid Peter Lankhorst, afkomstig van de ppr, veroorzaakte het eerste grote conflict in GroenLinks: meer koopkracht voor mensen met een uitkering, hoe sociaal rechtvaardig ook, zou óók hun consumptie vergroten, wat strijdig was met het groene doel van ‘consuminderen’. Later, in 2006, liepen de spanningen in de partij op door de links-liberale wending die Femke Halsema aan de koers wilde geven, onder meer met het voorstel om de WW-duur in te korten en het ontslagrecht te versoepelen.

Dat soort ideologisch geladen koersdiscussies, vergelijkbaar met die tussen de realo’s en de fundi’s in de Grünen, zal in de gevestigde groene partijen niet gauw meer oplaaien. ‘Iemand zei mij laatst nog: “Als jullie nou Groen zouden heten dan zou ik wel op jullie kunnen stemmen, maar dat linkse zit me te veel dwars”’, vertelt Van Ojik. ‘Dan is het aan mij om die man van zijn vergissing te overtuigen. Groen kan niet zonder links, ecologische politiek niet zonder sociale rechtvaardigheid.’

De noodzaak om koersdiscussies te vermijden is ook groter dan in de pioniersjaren van de groene partijen, nu hun kernthema’s zo zwaar gepolitiseerd zijn geraakt: de klimaatcrisis, het ontspoorde neoliberalisme, het nationalisme. De politieke strijd is daardoor scherper, de inzet hoger. Dan kun je binnen de partij beter geen twijfel en debat hebben over de koers.

Ecologische politiek, bijvoorbeeld, houdt nu radicalere keuzes in dan netjes zijn voor de natuur of een auto met katalysator kopen. De ernst van de klimaatcrisis vergt maatregelen die dieper ingrijpen, ook in het persoonlijke leven van mensen. Dat verscherpt de polarisatie, zoals altijd wanneer politiek de privésfeer binnenkomt. Maatregelen om de opwarming van de aarde te beteugelen, hebben onherroepelijk consequenties voor het consumptiepatroon en de levensstijl van mensen. De groenen zijn daarin ondubbelzinnig, waarmee ze tegenover partijen staan die de klimaatcrisis bagatelliseren of zelfs ontkennen, ondanks de wetenschappelijke consensus, zodat ze hun kiezers in de waan kunnen laten dat zij er niets van zullen merken.

Ook als tegenbeweging van het neoliberalisme en als antipool van het rechts-nationalisme hebben de groenen hun positie duidelijk gemarkeerd. Al met al zijn de omstandigheden gunstig voor groene machtsvorming in het politieke centrum, meent Bütikofer: ‘In de oude betekenis zou het centrum zo ongeveer het midden tussen rechts en links zijn geweest. De ene keer bewoog het wat naar rechts, de volgende keer naar links, al naar gelang de kant die de politiek opging. In een tijd van diepgaande veranderingen die ingrijpen in het leven van mensen, zoals nu, ligt het centrum open voor de partij die de sociale, economische en culturele problemen die op mensen afkomen het beste begrijpt.’

‘Als Jesse Klaver de wens uitspreekt dat GroenLinks een brede volkspartij wordt, zegt hij eigenlijk: wij willen het politieke midden veroveren’, zegt Bram van Ojik. ‘Het grote verwijt dat je de traditionele middenpartijen kunt maken, de vvd en het cda voorop, is dat ze het centrum zo ver naar rechts trekken, uit angst voor de electorale aantrekkingskracht van Baudet en eerder van Wilders. Zo nemen ze ook hun kiezers mee naar een rechtsere plek in het politieke spectrum, hoewel die dat misschien helemaal niet willen. Daarmee opent zich aan de centrum-linkse kant van dat spectrum een flinke ruimte.’

Christendemocraten en sociaaldemocraten zijn niet meer vanzelfsprekend de centrumpartijen, vindt Bas Eickhout. ‘Hun tijdperk is voorbij: de kiezers zullen niet meer terugkomen op dat honk. En dat hebben die partijen aan zichzelf te wijten. Ze zijn beide grijs van kleur geworden, ook die van oorsprong rode partij. De sociaaldemocraten zijn echt verdwaald toen ze die derde weg insloegen, het neoliberalisme omarmden en de overheid uit allerlei publieke diensten terugtrokken. Hun achterban is daardoor gaan zwalken. Frans Timmermans heeft die kiezers nu weer even naar de pvda teruggehaald, maar je voelt aan: dat is incidenteel.’

‘Ze zijn niet meer fier op hun eigen woorden, die sociaaldemocraten’, stelt Jos Geysels. ‘Waarom zijn ze daar toch zo schroomvol over? Gelijkheid, dat is een verdomd actueel woord, maar dat vervangen ze dan door “gelijke kansen”. Ik word daar zo mottig van. Natuurlijk moet iedereen aan het begin gelijke kansen hebben, dat spreekt vanzelf, maar ik ben ook geïnteresseerd in de uitkomsten. Het grote probleem van deze tijd is nu juist dat die steeds ongelijker zijn. In België leven 1,6 miljoen mensen, zestien procent van de bevolking, onder de armoedegrens van 1189 euro per maand. Dat zijn de mensen die ooit door de sociaaldemocraten en christendemocraten werden vertegenwoordigd. En door wie nu? Wie bekommert zich om hen? Nobody cares.’

Een groene partij die zichzelf serieus neemt bestrijdt de ongelijkheid, zowel de economische als de maatschappelijke: groen-rechts is een anomalie, zegt Van Ojik. ‘Groen en rechts, dat spoort niet. Wie pleit voor groen-rechtse politiek maakt een denkfout.’

Als je groen beleid wilt voeren zonder iets te doen aan de ongelijkheid of de maatschappelijke tegenstellingen, kun je alleen maar succesvol zijn als je mensen dwangmaatregelen gaat opleggen, meent het GroenLinkse Kamerlid. ‘Groen-rechts brengt je dus op het terrein waar je niet wil komen: dat van dirigisme. Zonder sociaal beleid krijg je geen draagvlak voor groen beleid. Waarom? Als je echt wil dat mensen een stapje terug doen in hun overconsumptie, of dat mensen in ontwikkelingslanden de kans krijgen ook te delen in de welvaart, dan kan het niet anders dan dat je een herverdelend principe aanhangt.’

Volgens Van Ojik zit in het verhaal over de ontspannen samenleving ook de opening naar een breder electoraat. ‘In het beginselprogramma heeft GroenLinks staan dat zij streeft naar een ontspannen samenleving, waarin mensen naast hun werk tijd hebben voor hun geliefden en hun kinderen, maar ook om met vrienden te eten en te drinken, naar het theater te gaan, te lezen, te reizen. Dat is voor mij het wezen van waar wij voor staan, daar is GroenLinks voor opgericht: de kwaliteit van leven. Onze kritiek op het neoliberalisme is daarin essentieel. Publieke diensten bezuinig je niet weg, je koestert ze als onmisbaar voor het goede leven.’

En niemand zal zeggen dat het genoegen van zo’n samenleving alleen de Amsterdamse grachtengordel zal interesseren. ‘Evenmin zal dat worden beweerd van gezond voedsel, of goed onderwijs, of een schoon milieu.’

Van Ojik en Eickhout staan volledig achter het besluit om bij de vorming van het kabinet-Rutte III af te haken. Die breuk in de formatie van 2017 is de partij nagedragen als koudwatervrees voor regeringsverantwoordelijkheid, onhandigheid in het politieke spel of zelfs als lafheid: schrok GroenLinks terug nu ze de kans had in een kabinet zitting te nemen? De tegenwerping van Van Ojik en Eickhout is dat GroenLinks alleen aan dat kabinet had kunnen meedoen als zij zichzelf had verloochend en ‘groen’ en ‘links’ uit elkaar had getrokken.

Eickhout: ‘Ja, wij hadden een paar groene punten kunnen scoren. Daar maakten we ons niet zo’n zorgen om. Maar wij wisten: in een coalitie met vvd, cdaen d66zou van eerlijk delen van de lasten geen sprake zijn. Dat kabinet zou een beetje groen, maar zeker niet links zijn geweest. Terecht dat we daarvoor pasten.’