Walter Thys over André Jolles

Het verstoten troetelkind der muzen

Met André Jolles, rond 1900 een vooraanstaand intellectueel, ging het mis. In 1933 werd hij lid van de NSDAP en zijn vriendschap met Johan Huizinga verwaterde. Walter Thys haalt hem uit de vergetelheid.

W. Thys (red.), Gebildeter Vagant: Brieven van André Jolles
(1874-1946). Uitg. Amsterdam University Press Verschijnt in februari

Gedurende de eerste helft van de twintigste eeuw zat Nederland niet overdreven ruim in zijn spraakmakende intellectuelen. Van hen die toen beroemd waren, herinneren we ons voornamelijk nog Frederik van Eeden, Johan Huizinga, Jan Romein, Menno ter Braak en Jacques de Kadt. Als er dan ineens een «nieuwe» naam opduikt is dat een grote verrassing. Dat gebeurde in 1989, toen het eerste deel van de Briefwisseling van Johan Huizinga verscheen. De meest interessante en verreweg levendigste correspondent van de vormelijke en deftige historicus was namelijk André Jolles. Hoewel Antoine Bodar reeds in 1983 in Maatstaf een artikel over hem had gepubli ceerd en vier jaar later was gepromoveerd op De schoonheidsleer van André Jolles, was deze vriend van Huizinga nagenoeg onbekend.
Jolles was een zeer avontuurlijke intellec tueel die zich met grote zwierigheid had begeven op nagenoeg alle terreinen van de cultuur. Bovendien heeft zijn boek Einfache Formen uit 1930 nog altijd een grote reputatie onder buitenlandse literatuur- en cultuurwetenschappers. Deze verhandeling over allerlei preliteraire teksten als de sage, het sprookje, de parabel, enzovoort, is in heel wat talen vertaald, behalve… in het Nederlands. Rond 1900 leek het erop dat Jolles een van de leidende Nederlandse intellectuelen zou worden. Zo komt hij prominent voor in de uit 1955 daterende dissertatie die de Belgische literatuurhistoricus Walter Thys schreef over het roemruchte week blad De Kroniek, dat verscheen tussen 1895 en 1907.
Maar ergens ging iets mis en Jolles gleed weg in bijna volmaakte vergetelheid. Hoe kwam dat? En was dat terecht? In het vuistdikke boek met brieven en documenten dat Walter Thys bijna een halve eeuw na zijn dissertatie samenstelde, kunnen we de antwoorden op deze vragen terugvinden.

André Jolles leek een zondagskind, geboren met een gouden lepel in de mond. Hij kwam uit een zeer welgestelde familie en werd, vooral na de dood van zijn vader, liefdevol verwend door zijn moeder. Bovendien speelde deze moeder een belangrijke rol in het culturele leven van Amsterdam. Ze correspondeerde met de zeer beroemde romanschrijfster Bosboom-Toussaint, haar novellen werden waarderend besproken door Busken Huet, ze was bevriend met tal van letterkundigen en kunstenaars en leverde de helft van het startkapitaal van De Nieuwe Gids. Van haar «goeie aardige maar innig-luie jongen» liet moeder Jolles tweemaal een portret maken door Jan Veth. Zo groeide de begaafde Jolles op te midden van kunst en cultuur, en leek hij, in de woorden van Henriëtte Roland Holst, het «troetelkind der muzen». Volgens haar was hij «zeker een der meest versatiele geesten, die het Holland der negentiende eeuw heeft voort gebracht, uiterst geestig en begaafd met een fabelachtige gave van assimilatie».
Als scholier dweepte Jolles met het modieuze symbolisme, hulde hij zich met vrienden in rode mantels en bestudeerde hij Remy de Gourmont en Huysmans. «Wat een zonderlinge jongen», schreef Alphons Diepenbrock nadat hij de zeventienjarige Jolles had ontmoet tijdens een diner bij diens moeder. Op school ging het allemaal niet zo geweldig, zodat Jolles privé-onderwijs kreeg, onder meer van Herman Gorter. Overtuigd van zijn kunnen stortte Jolles zich op de literatuur en kunstgeschiedenis en schreef hij voor zijn twintigste al in het Vlaamse Van Nu en Straks en in De Groene. Met jeugdige overmoed schreef hij aan zijn vriend Jan Kalf dat het onvoldoende was «om gelijk te worden aan Van Deyssel, Gorter of Kloos», want die zouden al op hun retour zijn. «Bij God Jan we moeten de wereld laten schudden of anders schoolmeester worden en zwijgen.» Een scheppend kunstenaar was hij echter niet en al spoedig ontdekte hij dat hij zich beter kon wijden aan kritiek en wetenschap.
Bekend, en spoedig ook berucht, werd hij toen P.L. Tak eind 1894 De Kroniek oprichtte. Jolles was er vanaf het begin bij en publiceerde er zijn Brieven van Piet den Smeerpoets, waarmee hij veel vijanden voor het leven maak te. Zijn moeder was dan ook blij dat hij na enkele jaren voor langere tijd naar Florence ging. Daar ontmoette hij de later beroemde Duitse kunsthistoricus Aby Warburg en de dochter van de burge mees ter van Hamburg, met wie hij trouwde.
Jolles had een enorm brede belangstelling en vergaarde ontzaglijk veel kennis over kunst en literatuur, waarbij hij zich niet beperkte tot één bepaald tijdvak of land. Of het nu ging om Dante, Petrarca, Shakespeare, Hooft, Goethe of Zola of om Egyptische grafmonumenten, Griekse vazen, fresco’s van Giotto en Fra Angelico, om de esthetica van Vitruvius, zeventiende-eeuwse architectuur, of om volksdansen of het poppenspel door de eeuwen heen — Jolles schreef er een doorwrocht of minder doorwrocht essay over dat altijd getuigen moest van een ontzagwekkende eruditie.
«Om Jolles te begrijpen, moet men zeer veel van hem houden», schreef zijn verloofde aan haar ouders. En Jolles maakte het zijn naas ten hierbij allesbehalve gemakkelijk. Toen zijn geliefde hem vertelde dat ze van plan was een stuk van Molière te vertalen, kreeg ze de wind van voren. Ze kon beter meteen proberen met haar klunzige vingertjes de Venus van Boticelli na te schilderen, wat een blasfemie! Dezelfde arrogantie zorgde ervoor dat nogal wat vrienden afhaakten.
In Johan Huizinga had Jolles echter een vriend gevonden met een enorm incasseringsvermogen. Toen Huizinga, die was begonnen als filoloog en sanskritist, in 1905 hoogleraar geschiedenis werd, stak Jolles zijn teleurstelling niet onder stoelen of banken. Het in stoffige folianten opzoeken van onbeduidende feitjes om deze vervolgens aan elkaar te rijgen in een chronologisch betoog, dat was niets voor Jolles. «De geschiedenis (…) kan geen conquistadores gebruiken, lui die met vroolijke onbeschaamdheid op een schuitje gaan zitten om nieuwe werelddeelen van weten te ontdekken behandelt zij slecht, zij heeft niets van het aantrekkelijke van een grensgebied.» Later leverde Jolles onbekommerd kritiek op de geschriften van Huizinga, waarbij hij het niet zelden bij het rechte eind had. Alleen kwam hij zelf veelal niet verder dan een recensie, een essay, de aanzet tot een boek, en mees tal bleef het bij indrukwekkende plannen. Volgens Warburg kende Jolles zijn «genial scheinwerferischen Momente» maar was hij als wetenschapper niet solide en vooral een «bluffer». Door de enorme versplintering van zijn energie en aandacht bleef de carrière van Jolles op zeker moment steken. In de jaren twintig heeft Huizinga, die zelf inmiddels een man van gezag was geworden, zijn uiterste best gedaan om Jolles in Nederland een professoraat te bezorgen, hetgeen keer op keer mislukte. In een tijd van toenemende specialisatie was voor een generalist en omnivoor als Jolles geen plaats meer, terwijl ook zijn reputatie uit de Kroniek-jaren hem parten speelde.

Maar er was meer aan de hand. In 1902 was Jolles naar Duitsland vertrokken om er archeo logie en kunstgeschiedenis te studeren. Hij was er blijven wonen en nam na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog de Duitse nationaliteit aan. Hij meldde zich als oorlogsvrijwilliger, naar eigen zeggen «om de dood een kansje te geven», en vocht twee jaar als artillerieofficier aan het Westfront. Eind 1916 liet hij zich benoemen tot hoogleraar aan de door de Duitsers ingestelde Vlaamse universiteit van Gent. Al zijn Belgische collega’s werden na de oorlog wegens collaboratie veroordeeld en ook Jolles kreeg, bij verstek, een straf van vijftien jaar dwangarbeid. Het feit dat hij door de Belgische autoriteiten werd gezocht, was voor de Nederlandse regering een aanzienlijke hinderpaal bij een eventuele hoogleraarschap. Vandaar dat hij genoegen moest nemen met een weinig prestigieuze leerstoel Nederlands aan de universiteit van Leipzig.

Hoewel Huizinga een zeer solide en bedacht zame wetenschapper was, was hij allerminst een stoffig historicus. Veel vakgenoten vonden zijn belangstelling voor kunst en voor het spelelement in de cultuur veel te frivool. Vermoedelijk is Huizinga mede hierdoor zo gefascineerd geweest door de intellectuele vrijbuiter Jolles. Deze avonturier was ook in andere opzichten een totaal andere persoonlijkheid dan Huizinga. Jolles was een typische extremist. «Reeds zijn menselijke natuur moest het Jolles onmogelijk maken om een aanhanger van de democratische leer te zijn», aldus een rapport van de Sicherheitsdienst uit 1936.
Hoe juist de opsteller van dit rapport, overigens een oud-student van Jolles, dit had gezien, blijkt uit een brief van Jolles aan Huizinga uit 1920. Daarin maakte hij de zeer juiste observatie dat «links» en «rechts» niet de uiteinden van een rechte lijn vormen, maar dat beide uitersten zeer dicht bij elkaar liggen. «Dat weet ik, dat ik zeer revolutionair en zeer konservatief ben, en dat ik het allerverste afsta van dingen die men liberaal en die men demokratisch noemt… misschien ben ik een anarchistische aristocraat met sociale neigingen en een voorliefde voor de guillotine en de afschaffing van de doodstraf.»
Lange tijd beschouwde hij zich als socialist, maar de Duitse sociaal-democratie was hem veel te burgerlijk. Antisemiet was hij altijd al, zodat het geen verwondering wekte dat hij in mei 1933 lid werd van de NSDAP. Dit leidde tot een breuk met de kinderen uit zijn eerste huwelijk en met name met zijn dochter Jeltje, aan wie bijna vijfhonderd brieven in deze uitgave zijn gericht en die met een joodse man was getrouwd. Zijn tweede vrouw was een fanatieke Hitler-adept en de brieven aan de dochter uit dit huwelijk ondertekende Jolles steevast met «Heil Hitler!».
In oktober 1933 brak hij met Huizinga, omdat er tussen hen toch niets meer te zeggen viel. Terwijl Huizinga stelling nam tegen de totalitaire ideologieën en als rector magnificus een antisemitische Duitse wetenschapper de deur van de Leidse universiteit uitschopte, ging Jolles voor de SD een studie schrijven over de internationale samenzwering der vrijmetselaars. In 1944 verleende de Führer hem de Goethe-medaille voor bijzondere wetenschappelijke en culturele verdiensten. Het voormalige «troetelkind der muzen» had het absolute dieptepunt bereikt.

In dezelfde tijd dacht Huizinga met weemoed terug aan de vriendschap die bijna veertig jaar geduurd had. Hij constateerde: «De kiemen van zijn ontaarding lagen diep, veel dieper dan de politieke verleugening van heden.» Achteraf werden de «symptomen van een gees telijke verdwaling» duidelijk. Bij alle gaven en talenten die Jolles bezat, miste hij ook iets. Enkele jaren eerder had Henriëtte Roland Holst al opgemerkt dat het Jolles ontbrak aan «sommige karaktereigenschappen, zonder welke geen werkelijk bereiken, op welk gebied dan ook, mogelijk is». Volgens haar man was Jolles «een zonderling bevracht schip» geweest. Met een overdadig rijke lading, maar gebrekkig genavigeerd, liep dat schip in het Derde Rijk volledig aan de grond.