Andrew J. Bacevich, American Empire: The Realities and Consequences of U.S. Diplomacy

Het verwijderen van barrières

Andrew J. Bacevich

American Empire: The Realities and

Consequences of U.S. Diplomacy

Harvard University Press, 320 blz., € 32,96

Als springlevende en conservatieve ex-officieren het gaan opnemen voor dode en progressieve oud-historici is er iets aan de hand. Dat is dan ook het geval met American Empire, een tot nadenken stemmend boek van Andrew J. Bacevich, hoogleraar internationale betrekkingen aan Boston University. Die breekt een lans voor de grote Amerikaanse historicus Charles A. Beard.

Hoewel morsdood ligt Beard nog steeds niet lekker in de Verenigde Staten. Spring levend (1874-1948) was dat niet anders. De intellectuele kolos schoot vanuit zijn studeerkamer dan ook voortdurend met vaderlandsliefde nationale drogbeelden aan gort. Neem het seculiere dogma van het onbevlekte Amerika, dat slechts door hoge nood gedwongen ten strijde trekt. En dan nog alleen met de nobelste doelen voor ogen. Beard zag dat een slag anders. Zo verklaarden de VS in 1898 niet de oorlog aan Spanje omdat ze moordpartijen van generaal Valeriano Weyler ofwel «De Slager» op Cuba niet langer konden aanzien. En het ingrijpen in de Eerste Wereldoorlog in 1917 had al evenmin veel van doen met idealisme als «to make the world safe for democracy».

Volgens Beard was de werkelijkheid heel wat prozaïscher. In de jaren twintig schreef hij: «Doordat de binnenlandse markt ver zadigd was geraakt in de decennia na de Burgeroorlog (1861-1865) en het kapitaal zich almaar verder ophoopte voor investe ringen, nam de druk tot uitbreiding van Amerika’s commerciële imperium navenant toe.» Om de welvaart binnen bestaande politieke verhoudingen vol te kunnen houden, was een onbelemmerde groei nodig van buitenlandse handel en investeringen. Het surplus aan kapitaal moest de deur uit, koste wat kost. Lukte dat niet, dan zou de grondwet — die de privileges van de bezittende klasse garandeerde — wel eens onder vuur kunnen komen te liggen. Met alle revolutionaire gevolgen van dien. Híerom trokken Amerikaanse leiders buitengaats ten strijde: om binnengaats te ontkomen aan fundamentele politieke vraagstukken als verdeling van de maatschappelijke poet. Het buitenland beleid was van een niemand en niets ontziend realisme, aangejaagd door bankiers en industriëlen. Leuk idealistisch jasje, dat vond Beard wél.

Met zijn ontzagwekkende kennis van het verleden ging het toekomst voorspellen hem aardig af in de crisisjaren dertig. Ondanks voortdurende verzekeringen van Franklin D. Roosevelt dat Amerika nooit en te nimmer betrokken zou raken bij een overzeese strijd, luidde de hooggeleerde al in 1935 de stormklokken. «De Pacifische oorlog wacht u», waarschuwde hij zijn landgenoten als Cassandra voor naderend onheil. Begin 1937 diagnosticeerde Beard dat de president nu echt «bedwelmd begon te raken door morele geestdrift». Tegen het einde van de zomer — Japan was inmiddels in oorlog met China — was het voor hem zonneklaar «dat Roosevelt nog steeds het geloof belijdt dat de VS goed moeten doen over de hele aardbol. Dat credo zal hem in oorlog onderdompelen.» Weer een jaar later trok de onvermoeibare publicist van leer in The New Republic: «Als we hier nog niet onze eigen problemen kunnen oplossen en niet eens tien miljoen landgenoten aan het werk kunnen helpen terwijl daar toch meer dan genoeg middelen voor zijn. En als we hier nog niet eens een collectief zekerheidsstelsel van de grond kunnen krijgen, hoe kunnen we dan zo onbeschaamd zijn aan te nemen dat we wél de problemen kunnen oplossen van Azië en Europa, beide overdekt met een bloedkorst van vijftig eeuwen dik?»

In The Open Door at Home had hij zijn lezers al toegebeten: «Degenen die zich diep geroerd voelen door de White Man’s Burden — in de goede zin van het woord — kunnen thuis meer dan genoeg uitlaatkleppen vinden om hun morele behoeften te bevredigen», daarmee voorkomend «om met alle geweld in het buitenland nog een bups ‹bruine broeders› te verwerven».

Roosevelt gaf geen krimp. Hij hield voet bij stuk en zijn kruit droog. Op de drempel van een ongeëvenaarde derde termijn in 1940 beloofde hij het nog eens. Plechtig: «Ik heb dit eerder gezegd, maar ik zal het herhalen, herhalen en nog eens herhalen: jullie jongens worden niet naar willekeurig welke buitenlandse oorlog gestuurd.»

Toen Roosevelt na Pearl Harbor (1941) dan toch de oorlog verklaarde aan Japan stond voor Beard één ding vast: de president heeft de mislukkingen van zijn New Deal willen verhullen door te tekenen voor een Tweede Wereldoorlog. Gefrustreerd groef de intellectueel in de oorlogsjaren zijn maatschappelijke graf. Aan de vooravond van de Koude Oorlog was het klaar. Terwijl Roosevelt boven iedere Amerikaanse twijfel verheven was als mythische vrijheidsstrijder, stelde Beard de president met terugwerkende kracht in staat van beschuldiging. Van oneerlijkheid. Van misleiding van het volk. Van kaping van de grondwet. De president is een duivel. Exit Beard.

De conservatieve en realistische Andrew J. Bacevich neemt het in zijn vlijmscherpe American Empire op voor Beard. Volgens de voormalige Amerikaanse officier en tegenwoordige directeur annex hoogleraar aan het Centrum voor Internationale Betrekkingen van Boston University, mag de isolationistisch angehauchte historicus zich dan hebben vergist in Adolf Hitler, talloze andere waarheden had hij goed in de smiezen. Zoals het feit dat de VS niet per ongeluk, in een moment van onoplettendheid, aan een imperium waren gekomen. Daar had een doelbewuste en continue strategie aan ten grondslag gelegen. Bacevich in één volzin: «Het leidende Grote Idee achter de strategie van de VS is openheid: het verwijderen van barrières die het verkeer van goederen, kapitaal, mensen en ideeën in de weg staan, daarmee een internationale orde cultiverend die dienstig is aan Amerikaanse belangen, die geregeerd wordt door Amerikaanse normen en waarden, die geregeld wordt door Amerikaanse macht en die — boven alles — de behoeften bevredigt van het Amerikaanse volk dat een almaar groeiende overvloed verwacht.»

Met deze prachtige zin is meteen mijn kritiek op Bacevich en Beard boven water. Beiden geloven te veel in complottheorieën. Ze vooronderstellen een tijdloze, vooropgezette en doordachte imperialistische strategie. Met als drijvende kracht bankiers en industriëlen of, moderner, het militair-industrieel complex. Met de ontwikkelingen in Irak op het netvlies zou je bijna gaan hopen dat dit het geval was. De televisiebeelden wijzen dagelijks op het tegendeel: een voortdurend improviserende en ondoordachte imperialistische campagne.

Hoe dan ook is de «Open-De-Wereld-Strategie» door de VS ook gevolgd tijdens de Koude Oorlog, aldus Bacevich. Met de veelgehoorde stelling dat Amerika vanaf halverwege de jaren veertig tot eind jaren tachtig een politiek van containment volgde is weliswaar niks mis, het is alleen niet de hele waarheid. Want behalve het indammen van communisme hebben de VS er volgens Bacevich ook alles aan gedaan om de wereld open te breken. Politiek, cultureel, maar vooral economisch.

Met de val van de Berlijnse Muur lag plots ook de communistische wereld aan de voeten van de VS, klaar om te worden geciviliseerd. Die buitenkans laten de presidentiële hoofdrolspelers in American Empire zich niet ontnemen; George Bush sr. (1989-1993) mag dan nog enigszins beduusd zijn geweest over wat hem nu allemaal was overkomen, Bill Clinton (1993-2001) kon er wel soep van maken.

Probleem voor Clinton was dat Amerika’s rol op het wereldtoneel op een of andere manier moest worden gerechtvaardigd. Dus begon de bijbelvaste Bill op een gegeven moment te jubelen over het annus mirabilis 1989 met een verwijzing naar de brief van Paulus aan de Galaten: «When the fullness of the time was come, God sent forth his Son, made of a woman, made under the law.»

Zó bood de voor het overige toch profane Clinton zich impliciet aan als Gods plaats vervanger op aarde. De Wereldhandels organisatie als plek van handeling spreekt boekdelen. Gedurende de hele jaren negentig putte Clinton zich uit in alle mogelijke lofzangen op de globalisering.

Minister Madeleine Albright van Buitenlandse Zaken haakte in met haar eigen hymne. Die van de Indispensable Nation: op de drempel van het derde millennium zijn de VS door de Voorzienigheid begiftigd met unieke verantwoordelijkheden en verplichtingen. Wie niet geloven wilde, moest maar voelen. Zo hoorde Jiang Zemin gastheer Clinton in 1997 tijdens een persconferentie plompverloren verklaren dat de Chinese regering «aan de verkeerde kant van de geschiedenis staat».

Colin Powell gaf op 7 mei 2001 toe dat hij het maar moeilijk vond om zijn stemming van «voortdurende vrolijkheid en optimisme» te onderdrukken. De minister van Buitenlandse Zaken van de kersverse Bush-regering weet dit aan het feit «dat het rode en blauwe kamp van de oude wereldkaart — waar ik me zoveel zorgen over maakte — waren verdwenen. In plaats daarvan hebben we nu die prachtige caleidoscoop van een wereld die zijn plek probeert te vinden.»

Drie maanden later, op 11 september, zag de wereld er in één klap volkomen anders uit. Luidde vóór die datum volkswijsheid nummer 1 dat globalisering oorlog overbodig maakte, ná die datum heette het dat globa lisering een permanente oorlog onontkoombaar maakte.

De «Oorlog Tegen Terrorisme» is — vrij naar Bacevich — de voortzetting van globalisering met andere middelen. Of zoals defensieminister Rumsfeld al wist op 20 september 2001: «9/11» biedt «dezelfde soort mogelijkheden als de Tweede Wereldoorlog om de wereld opnieuw te modelleren». Zoek en vervang (het fascisme uit) «de Tweede Wereldoorlog» door (het communisme uit) «de Koude Oorlog» of (het terrorisme uit) «de Oorlog Tegen Terrorisme» en je hebt hetzelfde: een vijand. Het enige verschil is dat deze vijand, het oneindige «terrorisme», van ongekende omvang is.

Door de oorlog tégen terrorisme neer te zetten als een strijd vóór vrijheid, sloeg president George Bush jr. volgens Bacevich drie vliegen in één klap. Ten eerste kon Amerika’s onschuld zo nog eens worden benadrukt, van Amerikanen in het algemeen en van de drieduizend slachtoffers in het bijzonder. Ten tweede bracht het vrijheidsthema de eerste wereldoorlog van de 21ste eeuw in verband met de twee wereldoorlogen van de twintigste eeuw. Ten derde ontworstelden de VS zich zo aan de boeien die hen sinds het ontvallen van de vijandige Sovjet-Unie hadden geketend: al-Qaeda verschafte het motief voor langdurige en pro-actieve geweldsuitoefening op mondiale schaal met een beroep op «zelfbescherming». Geen middel bleef onbenut. Zo veranderden «Afghaanse krijgsheren» van de ene dag op de andere in «Afghaanse vrijheidsstrijders» en werden naast het Amerikaanse leger steeds meer Amerikaanse Private Military Companies ingeschakeld.

«Amerika moet geen Rome of Groot-Brittannië worden», schreef een korzelige Charles Beard aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, «het moet Amerika worden». Beard wist in 1939 zeker dat de VS door deelname aan deze oorlog vroeg of laat ten prooi zouden vallen aan de imperiale impuls, daarmee hun ware roeping als Great Republic verloochenend. Ruim zestig jaar heeft Beard moeten wachten op zijn postume gelijk. Dat hij moge rusten. In vrede.