Essay 2: Volg de leider! Welke leider?

Het verzet heeft de toekomst

Miljoenen betogers op straat denken dat het maar om één ding draait: voor of tegen de oorlog. Achter deze vraag gaat echter een even essentiële schuil: wie is de leider? In militair én economisch opzicht kan daarover geen misverstand bestaan: de leiding berust bij de VS. In politieke zin zijn de verhoudingen minder eenduidig. Dagelijks steken nieuwe leiders uit het tweede echelon de kop op. Twee redacteuren van De Groene Amsterdammer werpen zich op het dilemma of Nederland zich moet voegen naar het Amerikaanse leiderschap. Zo ja, moet het dan nog enige invloed willen uitoefenen? En zo nee, wat zijn dan de gevolgen en hoe hoog is de prijs? Want zonder zinnige vragen geen zinnige antwoorden, ook als het om oorlog of vrede gaat.

De Amerikanen zijn klaar voor een aanval op Irak. De Amerikanen zijn klaar om Noord-Korea het hoofd te bieden. De Amerikanen zijn klaar voor een inval in Colombia nadat ze dat land tientallen jaren lang hebben ontwricht met hun uitzichtloze war on drugs. De Amerikanen zijn klaar om militair in te grijpen op de Filipijnen, hun uitgemergelde ex-kolonie die zich tot hun grote verbazing heeft ontwikkeld tot een thuisbasis voor islamitische strijdgroepen. De Amerikanen zijn klaar voor nieuwe bombardementen op Soedan en voortgezette strooptochten in Afghanistan, Pakistan, Jemen en andere landen waar de bevolking de laatste twintig jaar door de bezuinigingsprogramma’s van IMF en Wereldbank in de armen van islamisten en hun Saoedische geldschieters is gedreven.

Als de voortekenen niet bedriegen, bereiden de Amerikanen zich ook al voor op een derde Golfoorlog, ditmaal tegen Iran, het land dat in zo’n hoog tempo moderniseert en democratiseert dat het een gevaar wordt voor de Amerikaanse controle over de Golfolie. Ze leggen een cordon van militaire bases in Centraal- en Zuidoost-Azië, maken zich op voor het veiligstellen van de olie- en gasreserves daar en kopen de steun van de Turken, Koerden en Oezbeken met de belofte van een aandeel van de opbrengst. Hun consortia veroveren met behulp van huurlingenlegers de Afrikaanse uranium-, kobalt- en mangaanmijnen die van essentieel belang zijn voor moderne sleutelindustrieën als energievoorziening, ruimtevaart, telecommunicatie en niet te vergeten defensie. De Amerikanen zijn binnenkort dan ook nog eens klaar voor de bouw van een «raketschild» waarvan we weten dat het weinig defensieve, maar des te meer offensieve mogelijkheden zal hebben.

En ja, de Amerikanen zijn klaar voor de bestorming van het Scheveningse strand, dat wil zeggen: klaar om te verhinderen dat hun militairen moeten terechtstaan wegens deelname aan de moord op duizenden Taliban-krijgsgevangenen of aan het bombarderen van bruggen, ziekenhuizen, ambassades en radio- en tv-zenders in voormalig Joegoslavië. Ze willen niet zomaar driekwart van de wereld beheersen, ze willen het ongestraft doen. Ze behouden zich het recht voor «preventieve» oorlogen te voeren als dat hun goeddunkt en korte metten te maken met rivaliserende economische, diplomatieke en militaire centra als de Veiligheidsraad, de Europese Unie, de Navo of de Opec. Het staat al een tiental jaren open en bloot in hun beleidsdocumenten, Congresnotulen en persverklaringen. De Verenigde Naties zijn een «verlengstuk van de Amerikaanse diplomatie» (aldus voormalig minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright) en de Veiligheidsraad heeft zich daarin te schikken, anders degradeert hij zichzelf tot een «irrelevant praatcollege» (aldus president George W. Bush).

De vraag is of de wereld klaar is voor de Amerikanen. De genoemde tendensen waren allang aanwezig in de Amerikaanse buitenlandse politiek. Sommige gaan terug tot het eind van de negentiende eeuw, toen de Verenigde Staten voor het eerst Spanje aflosten als kolonisator in Latijns-Amerika en Zuidoost-Azië, maar sinds 11 september 2001 zijn ze openlijk tot beleid verheven. De aanslagen waren een «Pearl Harbor» in het kwadraat omdat ze werden gepleegd door een «onzichtbare vijand», een vijand die zich overal ter wereld kan schuilhouden en de Verenigde Staten het zelfverklaarde recht geeft overal ter wereld in te grijpen. Dankzij de veiligheidshysterie die ze teweegbrachten kan de rechtervleugel van de Republikeinse Partij nu zijn internationale agenda doordrukken. Beleids makers spreken zonder schroom van een «nieuw Rome» en ze handelen ernaar: si vis pacem, para bellum. In het lopende begrotingsjaar geven de Amerikanen meer dan een miljard dollar per dag uit aan defensie, terwijl elke fase in de «campagne tegen het terrorisme» gepaard gaat met de veiligstelling van nieuwe grondstoffen en de vestiging of versterking van «bevriende» regimes en militaire bases.

Irak is dus niet meer dan een testcase. Wie de huidige crisis in de Veiligheidsraad, de Navo en de EU wil begrijpen, moet inzien dat de Amerikaanse oorlogsverklaring aan Irak een openlijke waarschuwing is aan de rest van de wereld. Veruit de meeste Europeanen doen dat, zoals onder meer blijkt uit de massale opkomst van demonstranten op 15 februari. Europa is helemaal niet «verdeeld», zoals veel media ons willen wijsmaken. Opiniepeilingen wijzen op een solide anti-oorlogsgezindheid die tot uiting komt in meerderheden van zeventig tot negentig procent in alle Europese landen, inclusief het «nieuwe Europa» van de Amerikaanse minister van Defensie Rumsfeld. De vredesdemonstraties waren het grootst in landen wier regering de oorlog steunt: Italië (drie miljoen), Groot-Brittannië (een miljoen) en Spanje (drie miljoen). Daarentegen is het vertrouwen van de Britten in premier Blair, Washingtons trouwste bondgenoot, tot een minimum gedaald.

Het opmerkelijkst aan de leuzen en pamfletten van de demonstranten was dat ze niet anti-Amerikaans waren, maar anti-Bush. De anti-Europese campagne van Rupert Murdochs bladen en tv-zenders is dan ook door geen enkel Europees medium met gelijke munt terugbetaald. Het doorbreken van de schijntegenstelling tussen naties en volken is de verdienste van de alternatieve globaliseringsbeweging van de laatste tien jaar. Elke Europese demonstrant wist dat honderdduizenden Amerikanen in eigen land demonstreerden tegen dezelfde president. Die verbondenheid is op straat allang een vanzelfsprekendheid. Niet de crisis in de Europese fora is zorgwekkend, maar het onbegrip van veel Europese regeringsleiders voor deze doorbraak.

De belangrijkste les van de afgelopen twaalf jaar is dat een unipolaire wereld geen vrede brengt, maar nieuwe conflicten, uitgelokt door de expansie van de laatste overgebleven supermacht die zich naar believen bedient van wisselende coalities. De minachting van Washington voor het internationale recht, die bijvoorbeeld tot uiting komt in de manier waarop het Israël vrijwaart van onwelgevallige Veiligheidsraads-resoluties, blijkt ook uit de wijze waarop het zijn «coalities» smeedt. Toen de resolutie die de vorige Golfoorlog mogelijk maakte eind 1990 in de Veiligheidsraad ter tafel kwam, stemde het straatarme Jemen, het enige Arabische land onder de tijdelijke leden, tegen. Omdat de microfoon open bleef staan, kon iedereen horen wat een Amerikaanse diplomaat vervolgens tegen de Jemenitische ambassadeur zei: «Dat was de duurste tegenstem die je ooit hebt uitgebracht.» Drie dagen later beëindigden de VS hun hulpprogramma aan Jemen.

Rijke landen als Groot-Brittannië, Duitsland en Japan, die zich voorbereidden op een eeuw van vreedzame concurrentie en internationale samenwerking, gegarandeerd door de Amerikaanse hegemonie, worden vroeg of laat uit de droom geholpen. Tot nog toe zijn drie Europese regeringsleiders bereid de consequenties van het Amerikaanse buitenlandbeleid onder ogen te zien: Jacques Chirac, Gerhard Schröder en Guy Verhofstadt. Ook zij worden niet verteerd door anti-Amerikanisme. Ze verzetten zich echter tegen een unipolaire wereld en zoeken naar een nieuw strategisch evenwicht waardoor de expansie van de Verenigde Staten kan worden ingedamd zonder dat land diplomatiek te isoleren. Natuurlijk hebben ze alle drie electorale en machtspolitieke motieven voor hun verzet, maar dat neemt niet weg dat ze er hardop of binnenskamers verstandig over nadenken. Hun standpunt heeft een voorgeschiedenis — ze waren niet voor niets initiatiefnemers van het Eurokorps — en wat nog belangrijker is: het heeft de toekomst.

Chirac, die als student door de VS liftte en er de kost verdiende in hamburgertenten en productiehallen, is een late bekeerling. Pas in 1996 raakte hij overtuigd van de noodzaak van een «zelfstandig, democratisch Europa dat in alle opzichten de gelijke is van de Verenigde Staten», zoals hij het formuleerde in Libération. Frankrijk begon weer deel te nemen aan de beraadslagingen in het militair comité van de Navo, op voorwaarde dat de verdragsorganisatie ernst maakte met een «Europese veiligheids- en defensie-identiteit». De achterliggende gedachte sprak hij vorige week nog eens uit in Time Magazine: «Een gemeenschap die door één macht wordt overheerst is altijd gevaarlijk en roept reacties op. Daarom geef ik de voorkeur aan een multipolaire wereld waarin Europa een eigen plaats heeft. De wereld blijft hoe dan ook niet unipolair. In de komende vijftig jaar wordt China een supermacht. Het wordt tijd dat we ons huis op orde brengen. De transatlantische solidariteit zal de grondslag blijven van een wereldorde waarin Europa zijn eigen rol zal spelen.»

Schröder gebruikt tot nog toe, althans in het openbaar, geen geostrategische argumenten om zijn Irak-standpunt kracht bij te zetten. Volgens zijn naaste medewerkers is hij bevreesd dat zulke opmerkingen in het huidige klimaat als anti-Amerikaans worden beschouwd en afbreuk doen aan de transatlantische dialoog. Schröder laat geen gelegenheid voorbijgaan om de «gemeenschappelijke waarden» aan weerszijden van de Oceaan te benadrukken, maar voor de goede verstaander maakt hij ook altijd een voorbehoud. In zijn veelbesproken regeringsverklaring van begin februari deed hij dat bijvoorbeeld door te benadrukken dat het de taak van de Navo is «om het recht van de sterkste te vervangen door de kracht van het recht».

Volgens parlementaire verslaggevers zei Schröder in de voorafgaande, besloten zitting van de SPD-fractie wel degelijk waar het op staat: de Verenigde Staten willen niet zomaar een ander regime in Irak installeren, de ware vraag is «of de wereld multipolair blijft». Tijdens het debat in de Bondsdag liet Schröder die kwestie over aan Gernot Erler, de vice-fractievoorzitter van de SPD. Erler zei dat hij «kippenvel» kreeg bij de gedachte aan «de tweesprong waarvoor we staan». Door af te dwingen dat «niet de wereldorganisatie (bedoeld is de VN — AB) over oorlog en vrede beslist, maar de sterkste en enig overgebleven wereldmacht», zetten de Verenigde Staten de deur open naar een «wereldorde die niet op verdragsrecht en consensus berust». En dat, aldus de SPD-spreker, is «geen wereldorde waarin wij willen leven».

Verhofstadt zei het op 19 februari van dit jaar al even duidelijk in zijn Hofstadlezing in Den Haag: het gaat de Amerikanen in de kwestie-Irak niet om massavernietigingswapens, maar om een nieuwe ordening van de Arabische wereld. «En we weten met zekerheid dat die logica vroeg of laat in botsing komt met de internationale rechtsorde. Sedert 11 september beseffen we dat de wereld niet geordend kan worden door één supermacht. Waar we naartoe moeten, is een wereld waarin continentale machtsblokken met elkaar dialogeren, elk met hun eigenheid, elk met hetzelfde doel voor ogen: een stabielere wereld waarin ook de welvaart rechtvaardiger wordt gespreid.» Het eerste alternatieve machtsblok waaraan Verhofstadt denkt, is vanzelfsprekend Europa. «Economisch is Europa een wereldmacht. Politiek staat het voor — wat men ook moge beweren — een zinderend project van ongezien vreedzame samenwerking tussen eeuwenoude vijanden. Internationaal krijgt Europa een eigen profiel, eigen projecten, eigen ambities. Ook dat verklaart de spanningen binnen het Atlantisch bondgenootschap.»

Chirac, Schröder en Verhofstadt zijn geen vredesduiven en de Europese Unie heeft zich bepaald nog niet ontpopt als instrument om de welvaart in de wereld rechtvaardiger te verdelen. Wat dat betreft is er nog een lange weg te gaan. De gedachte dat Europa zo snel mogelijk een eigen lijn moet trekken, is echter gezaaid. De consequenties zijn lang niet allemaal te overzien, maar Europa zal ernst moeten maken met een eigen, gezamenlijke krijgsmacht en een volwaardig buitenlandbeleid. Of zoals Verhofstadt het in zijn lezing zei: «Hoe meer men in onze straten betoogt voor de vrede, hoe dringender de uitbouw wordt van een waarachtige Europese defensie.»

Er is echter nog een derde factor van belang, een Dritte im Bunde, en dat is de westerse publieke opinie die zich de afgelopen maanden zo fel heeft geroerd. Chirac kan zich alleen maar opwerpen als leider van het vredeskamp door de massale steun van ‘de westerse straat’. Die boodschap is op 15 februari ook in Washington aangekomen. Zelfs in de Verenigde Staten blijkt telkens weer uit enquêtes dat tweederde van de ondervraagden geen oorlog zonder uitdrukkelijk mandaat van de Veiligheidsraad wil. En hoe harder George Bush roept dat de Veiligheidsraad zichzelf overbodig maakt door zijn verzet tegen deze oorlog, des te duidelijker wordt het voor zijn landgenoten dat hij zichzelf internationaal volledig dreigt te isoleren.

Het resultaat is, om Erler te parafraseren, een wereldorde waarin ook de meeste Amerikanen niet willen leven. Het Republikeins Nationaal Comité raadde vorige week zijn senatoren en afgevaardigden nota bene aan afstand tussen zichzelf en het Witte Huis te scheppen voor het geval de oorlogsplannen verkeerd uitpakken en de kiezers zich massaal van hen afkeren.

Chirac, Schröder en Verhofstadt kunnen op hun beurt niet meer terug zolang de publieke opinie hen dwingt de rug recht te houden. Hun verzet is niet meer dan een begin. Het zal ongetwijfeld worden gevolgd door terugtrekkende bewegingen alvorens verder om zich heen te grijpen — maar het heeft de toekomst. Als de Franse ambassadeur straks in de Veiligheidsraad zijn veto uitspreekt over een Amerikaans-Britse oorlogs resolutie, is dat de duurste tegenstem die de Amerikanen ooit hebben moeten incasseren.