Libanon staat volledig achter de Hezbollah

Het Vietnam van Israel

Israel bevrijdde in 1982 Zuid-Libanon van de PLO. De Libanezen waren blij, maar inmiddels staat het land volledig achter de Hezbollah. Voor het Israelische leger rest een smadelijke aftocht.

Kfar Tibnit, Zuid-Libanon – Het bord met de doodskop nodigt niet uit tot verder lopen. Achter de wegversperring van het Libanese leger begint het niemandsland vol prikkeldraad en landmijnen. Daarna de ‘veiligheidszone’, zoals Israel het bezette gebied pleegt te noemen. De contouren van Israelische bunkers zijn met het blote oog waar te nemen. Hoog aan de hemel bromt een verkenningsvliegtuig, reusachtige ballonnen met camera’s moeten tijdig waarschuwen voor infiltraties van Hezbollah-strijders.

Bij de Libanese wegversperring staat al uren een gesluierde vrouw te wachten. Gisteravond hoorde Um Gazi Yassin dat haar zoon Mohammed na veertien jaar eenzame opsluiting in een Israelische cel hoogstwaarschijnlijk vandaag zal worden vrijgelaten, samen met twaalf andere Libanezen. Een portret van haar zoon houdt ze stevig tegen haar borst gedrukt. Mohammed was 23 jaar en actief in de Hezbollah toen hij werd gekidnapt door het Israelische leger. Zonder enige vorm van proces kwam hij terecht in de Ayalon-gevangenis, waar hij systematisch werd gemarteld. De Israeli’s weigerden Rode Kruis-medewerkers en mensenrechtenorganisaties toe te laten tot zijn cel.

Pas veel later kwam Um Gazi Yassin (67) er achter dat haar zoon als ruilmiddel diende tegen in Libanon verdwenen Israelische soldaten. Eerder kidnapten Israelische commando’s Karim Obeid en Mustafa al-Dirani, leiders van het islamitisch verzet in Libanon. Deze twee zouden meer weten over het lot van de Israelische oorlogspiloot Ron Arad. Arad werd op 16 oktober 1986 tijdens een vlucht boven Libanon neergeschoten. Hij overleefde dankzij het gebruik van de schietstoel, maar werd opgepakt door de Amal-militie. Mustafa al-Dirani, het hoofd veiligheidszaken van Amal, zou Arad later hebben verkocht aan de Hezbollah. Ron Arad werd een nationaal symbool en een prestigekwestie voor iedere Israelische premier. Maar ondanks het gevangen houden van de vijftien Libanezen, onder wie Yassins zoon, is er nooit meer iets vernomen van Arad en is hij vrijwel zeker dood. Het Israelisch hooggerechtshof besloot daarom vorige week dat de dertien onmiddellijk vrij moesten worden gelaten. Alleen Obeid en al-Dirani kwamen niet in aanmerking voor vrijlating.

Um Gazi Yassin kon het bericht van het Rode Kruis aanvankelijk niet geloven: 'Sinds Mohammeds ontvoering heb ik last van nachtmerries, dan droom ik hoe hij wordt gemarteld. Vaak was ik bang dat hij was gestorven in de gevangenis. Maar deze laatste uren wachten zijn nog het ergst, ik ben op van de zenuwen.’

Voor de wegversperring verzamelen zich steeds meer familieleden van de gevangenen. Een grote groep Hezbollah-strijders is een erehaag aan het voorbereiden. Sjiitische strijdliederen knallen uit de speakers, overal verschijnen vlaggen met het Hezbollah-symbool, een gebalde vuist met een kalasjnikov. Een van de organisatoren trekt de mouwen van zijn shirt omhoog. Hij zit onder de littekens, ooit kwam er een Israelische mortiergranaat op zijn huis. Twee van zijn kinderen overleden, zelf werd hij arbeidsongeschikt verklaard. 'Iedereen hier haat Israel, Israel kan naar de hel gaan. Al twintig jaar bestoken ze ons vrijwel dagelijks, ze doden kinderen, vrouwen, bejaarden, alleen omdat we in hun ogen vieze Arabieren zijn. Zonder de Hezbollah zouden ze hier tot in de eeuwigheid blijven, godzijdank hebben we ze weggejaagd, ze vertrekken met de staart tussen de benen, de lafaards.’

Bergketens, rotspartijen, ravijnen en dicht struikgewas maken het gebied bij uitstek geschikt voor guerrilla: het Vietnam van Israel. De Hezbollah kan elk moment toeslaan met Katjoesja-raketten en road bombs. De laatste maanden slaagde de Partij van God, door Libanezen 'Het Verzet’ genoemd, er steeds vaker in geavanceerde raketten door de luchtkokers van de bunkers te schieten. Het moreel van de soldaten zakte tot een dieptepunt toen de Hezbollah de auto van een Israelische generaal, verantwoordelijk voor de 'veiligheidszone’, wist op te blazen. Met de door premier Barak aangekondigde eenzijdige terugtrekking voor ogen wil niemand de laatste Israelische dode in Zuid-Libanon worden. Salim Hoss, de premier van Libanon, noemde de aftocht een groot succes voor de Hezbollah.

Sinds Operatie Druiven der Gramschap, die vier jaar geleden plaatsvond, lijkt het hele Libanese volk, christenen en moslims, achter de Hezbollah te staan. Een kleine maar perfect georganiseerde verzetsbeweging slaagde erin de zware bombardementen van het Israelische leger te trotseren. De vergelijking met David en Goliath was snel gemaakt, al was Israel niet langer de rol van David toebedeeld. Sinds Druiven der Gramschap kan de Hezbollah ook internationaal op veel sympathie rekenen. De regeringen van Groot-Brittannië en Frankrijk zien de Hezbollah als een legitieme verzetsbeweging, iets wat tien jaar geleden vanwege de gijzelingen ondenkbaar was.

Onder de wachtende menigte in Kfar Tibnit, die inmiddels is gegroeid tot meer dan tweeduizend mensen, breekt paniek uit als het Rode Kruis omroept dat er problemen zijn met de dertien gevangenen. Op het laatste moment heeft de moeder van Ron Arad een kort geding aangespannen tegen hun vrijlating. De dertien bevinden zich nu op een militair complex in Kiryat Shmona, nabij de Israelische-Libanese grens. Um Gazi Yassin valt bijna flauw als ze de slechte tijding hoort: 'Deze onzekerheid overleef ik niet, het wachten is een pure marteling.’ Om vier uur – Yassin heeft nu al negen uur staan wachten – komt het bevrijdende bericht binnen dat de bus met de dertien gevangenen de grens is overgestoken. De opluchting is enorm, vrouwen beginnen te joelen en de Hezbollah gooit er nog een strijdlied tegen aan. Onder de soldaten bij de wegversperring breekt paniek uit. De uitgelaten menigte wil de bus tegemoet lopen, over de weg die naar de Israelische bunker leidt. Een volkomen hysterische jongen gaat op de vuist met een soldaat en schreeuwt: 'Wat, jij wilt me tegenhouden, hoe durf je, ik heb mijn broer dertien jaar niet gezien.’ De soldaat is te verbouwereerd om nog wat terug te zeggen en laat hem door. Als het busje eenmaal in Kfar Tibnit is aangekomen, is de chaos compleet.

Ambulances van het Rode Kruis escorteren de mannen met gillende sirenes, motorrijders van de Hezbollah proberen tevergeefs de weg vrij te maken. De bus raakt muurvast in de menigte, jongens zijn op het dak geklommen en zwaaien met vlaggen, oude vrouwen gooien met rijst.

De dertien stralende mannen hangen uit de geopende raampjes, geven handen, zoenen wildvreemden. Vanwege de puinhoop wordt besloten dat de bus meteen zal doorrijden naar het Hezbollah-hoofdkwartier in Beiroet, alwaar de dertien een ontmoeting zullen hebben met leider Nasrallah. Honderden auto’s volgen de bus over de kustweg naar Beiroet, sommige chauffeurs rijden over de linkerweghelft, dwars tegen het toch al levensgevaarlijke en krankzinnige Libanese verkeer in.

In Zuid-Beiroet, in de sjiitische sloppenwijken waar de Hezbollah de grootste aanhang heeft, is een spontaan volksfeest uitgebroken.

Er wordt vuurwerk afgestoken, revolvers worden leeggeschoten in de lucht, bakkers delen gratis zoetigheden uit.

Overal staan juichende mensen langs de weg. De bevrijding van de dertien is uitgegroeid tot een nationale feestdag.



De volgende dag bezoeken we Mohammed Yassin in zijn woonplaats Majdal Selim, in het uiterste zuiden van Libanon. Het ogenschijnlijk slaperige boerendorpje, omringd door bananenbomen en tabaksplanten, is een notoir Hezbollah-bastion. De zonen van het dorp staan in de rij om zich aan te sluiten bij de guerrilla’s. Majdal Selim koestert zijn martelaren. Overal hangen geschilderde portretten van jonge jongens met zuurkoolsnorretjes en een hemelse blik. De straten en stegen hangen vol met Hezbollah-parafernalia ter ere van Mohammeds terugkeer. We zijn amper in zijn huis gearriveerd als we horen hoe vlakbij vijf granaten worden afgevuurd. Kinderen rennen opgewonden naar buiten en ruziën over de grootte van de projectielen. Uiteindelijk komen ze tot de conclusie dat het 108 millimeter geweest moet zijn.

Eerder op de ochtend sloegen er 22 Israelische mortiergranaten in achter de dorpsmoskee van Majdal Selim. Als door een wonder vielen er geen gewonden. Mohammed kan erom lachen: 'Aardig van de joden om ter ere van mijn terugkomst gratis vuurwerk te verzorgen.’ Hij spreekt inmiddels een aardig mondje Hebreeuws en roept 'shalom’, 'boker tov’ (goede morgen) en 'eech ata margiesh’ (hoe voel je je?) tegen verbaasd kijkende bezoekers. De Israelische cipiers waren al die jaren zijn enige aanspreekpunt. Vrienden heeft hij niet gemaakt in de gevangenis, wel smokkelde een begripvolle bewaker politieke en religieuze boeken naar zijn cel.

De schaarse momenten dat hij samen was met de andere Libanezen werden gebruikt om het partijprogram van de Hezbollah door te nemen. Mohammed: 'De meesten van ons zijn door de gevangenis alleen maar radicaler geworden, vastberadener om door te vechten. Ik heb de koran uit mijn hoofd geleerd, in mijn fantasie voerde ik goed voorbereide aanslagen uit op de Israeli’s.’

De laatste dagen in de gevangenis waren gekmakend. Mohammed wist dat hij misschien vrij zou worden gelaten, maar steeds weer werd de beslissing uitgesteld. 'Zelfs toen we geblinddoekt in de bus naar Noord-Israel reden, geloofde ik nog niet dat ik werkelijk vrij zou komen. Maar het was geweldig om eindelijk weer met de andere Hezbollah-mannen te praten.’ Het huis is inmiddels volgestroomd met gasten, en Mohammed, in joggingpak en op slippers, schudt onafgebroken handjes. Zijn zussen delen Pepsi en baklava uit, in de keuken worden bloemen in vazen gezet.

Mohammed maakt een ontspannen indruk voor iemand die veertien jaar eenzame opsluiting achter de rug heeft en gemarteld is, maar de schijn bedriegt. Moeder Um Gazi verliest hem geen moment uit het oog. Later vertelt ze me in de tuin dat hij als een energieke jongen vertrok en als een gebroken oude man is teruggekomen. Kort voor hij ontvoerd werd door de Israeli’s had hij zich verloofd met een meisje uit het dorp. Die is ondertussen getrouwd en heeft vier kinderen. Um Gazi Yassin: 'Ik denk dat zijn leven vernietigd is. Het liefst zou hij zich vandaag weer aansluiten bij het verzet, maar hij heeft er gewoon de kracht niet meer voor. Hij heeft een zware prijs betaald, het is mooi geweest.’

Ze is dolblij dat hij levend thuis is gekomen, een andere zoon verloor het leven tijdens een operatie. Een derde zoon, Ghassan, raakte blind en half verlamd toen een Israelische granaat vlak bij hem ontplofte. Ghassan wordt binnengeleid door zijn dochtertje, dat hij nooit heeft gezien. Achter zijn zonnebril zijn gruwelijke littekens zichtbaar. De herenigde broers zoenen elkaar langdurig.

Zainab, een zus van Mohammed, kijkt ontroerd toe. Volgens de studente politicologie hebben de Israeli’s de radicalisering van de Sjiieten in Libanon geheel aan zichzelf te danken: 'Toen Israel in 1982 de plo van Arafat, die een waar schrikbewind voerde in Zuid-Libanon, verjoeg was iedereen hier dolblij. Maar hun arrogantie heeft ze uiteindelijk de das omgedaan. Het dieptepunt was het bombardement op de Unfil-basis in Kana in 1996, waarbij 106 mensen omkwamen. Toen lieten ze hun ware gezicht zien. Niet voor niets noemen we ze de Hezb al Sjeetan, de Partij van de Duivel.’

Vorige week werd het bloedbad van Kana nationaal herdacht. Op de plek zelf is een mausoleum herrezen, vol afschrikwekkende foto’s van verbrande lichamen en kinderen met afgereten ledematen. Duizenden schoolkinderen uit het hele land bezochten het mausoleum, politici van diverse pluimage gebruikten de nationale rouwdag voor felle tirades tegen de Israelische vijand. Voor het eerst sinds het begin van de burgeroorlog lijkt er weer iets als een collectief nationaal bewustzijn te ontstaan. Heel het land staat achter de Hezbollah en de bevrijding van Zuid-Libanon. Voor het Israelische leger rest niets dan een smadelijke aftocht.