Het vieze boekje

Hermine Landvreugd, Margaretha bleef het langste liggen, uitgeverij De Bezige Bij, 150 blz., f29,50
In de inleiding bij zijn boek The New Journalism merkt Tom Wolfe op dat er in de jaren zestig nauwelijks schrijvers zijn geweest die de hippiecultuur, het campusleven, de tegencultuur, de experimenten met dope en seks, kortom, de draaikolk van de jeugdcultuur in een grote roman hebben vervat. De schrijvers sloten zich timide af voor het grotestadsleven, alleen al de gedachte om zo'n onderwerp aan te pakken, verwarde hen en deed hen twijfelen aan hun vermogens.

Tom Wolfe moet als een tevreden man de jaren tachtig hebben beleefd. Aan het eind van dat decennium begonnen steeds meer jonge Amerikaanse auteurs over het moreel verwilderde leven in de metropool te schrijven, over hebzucht en misdaad, nachtleven en seksuele excessen. Bret Easton Ellis, Tama Janowitz, Jay McInerney, ze bedienden Wolfe op zijn wenken.
De Nederlandse media hebben ons inmiddels ingewreven dat hier te lande door een nieuwe generatie schrijvers een zelfde soort nihilistisch grote-stadsrealisme, dirty realism om precies te zijn, wordt geschreven. De verhalenbundel Het zilveren theeei, waar Hermine Landvreugd mee debuteerde, was zo'n eigentijds boek vol laconieke beschrijvingen van seksuele aberraties, geweld en verveling. In haar nieuwste boek, Margaretha bleef het langste liggen, gaat Landvreugd nog een stapje verder, althans in het titelverhaal. Het lijkt wel of ze alles wat dirty is daarin heeft willen samenballen. Een hoogst politiek incorrect verhaal is het zeker, een goed verhaal is het niet.
In ‘Margaretha bleef het langste liggen’ is een wat willoze, modegevoelige studente aan het woord die als barmeisje in een besloten schietclub werkt. Zo'n schietclub wordt bezocht door enge types en met een van hen, een kaalgeschoren nazi-skin in bomberjack die Marlow heet, gaat de stu dente ’s nachts mee. Natuurlijk heeft zo'n griezel een decoratief hakenkruis in zijn kamer hangen en natuurlijk draait hij nazi- rock. Het spreekt ook voor zich dat hij bij voorkeur met korte woorden spreekt: yep, kutfuck, bitch. Er belt een padvindertje bij hem aan, dat hij XTC voert en kaal scheert. De studente slaat het passief gade. Het verhaal roert nog meer uitwassen van het moderne leven aan: er worden akelige kranteberichten geciteerd; een onderbuurvrouw, de travestiet Margaretha, blijkt al anderhalf jaar dood weg te rotten op haar bed; twee homo’s neuken unsafe op een wc.
Het verhaal is, dat moge duidelijk zijn, zo overvol dat het volkomen ongeloofwaardig wordt. Mij greep het in ieder geval niet aan, ik had eerder het idee dat een hele jaargang van de Nieuwe Revu in vijftig pagina’s is geperst. Bovendien rammelt de compositie van het verhaal: er wordt hakkelig van perspectief versprongen, de intellectuele overpeinzingen van de studente vormen een bespottelijk contrast met de rest van het in onderkoelde stijl geschreven verhaal.
Dat Hermine Landvreugd veel beter kan, blijkt uit het tweede, lange verhaal, 'Laatste boot half tien’, dat zich op een landerig eiland - 'een vetoogje op de soep’ - afspeelt. Het perspectief ligt nu bij een vijftienjarige jongen, Marc Rieteco, die zich aangetrokken voelt tot een Poolse vrouw die op het eiland is komen wonen. Ook hij is een nogal willoos personage, maar die willoosheid past overtuigend bij de puberale onbestemdheid van zijn gevoelens. Alles wat in het titelverhaal misgaat, werkt hier heel goed: de achteloze stijl, het verspringen van het perspectief, de onderhuidse spanning, het scherpe observatievermogen van de schrijfster. Misschien komt het omdat Landvreugd 'Laatste boot half tien’ niet heeft geschreven volgens het dirty boekje.