EVOLUTIE EN VADERMOORD

Het vijfde gebod

De publicatie van Darwins On the Origin of Species veroorzaakte schokgolven in de Victoriaanse psyche. Alles stond ter discussie. Bovenal: het vaderlijk gezag.

DE AUTOBIOGRAFIE VAN Charles Darwin is een compact boekje. Het steekt schril af bij het enorme volume van zijn overige werk, en het valt in het niet bij de latere biografieën, die bij elkaar een klein gebergte vormen. Het persoonlijke relaas, opgeschreven in 1876 en bijgewerkt tot vlak voor zijn dood, was bedoeld voor Darwins kinderen, niet voor een breed publiek; desalniettemin ontstond er in de familie een stevige ruzie over de inhoud. De weduwe, Emma, verzette zich tegen de publicatie, ook in zeer kleine kring, van enkele van Charles’ denkbeelden inzake religie. Dit, bijvoorbeeld: ‘Ik kan nauwelijks begrijpen dat iemand zou wensen dat het christendom de waarheid vertelde, want zo ja, dan laat de onverbloemde taal van de bijbeltekst zien dat mensen die niet geloven, onder wie mijn vader, mijn broer en bijna al mijn vrienden, eeuwigdurend gestraft zullen worden. En dit is een weerzinwekkende doctrine.’ ‘Ik vind dit te ruw’, zei Emma en dus ging het eruit. Pas in 1958 werden de coupures weer ongedaan gemaakt.
De autobiografie leest ook met die restauraties als een beminnelijke voetnoot bij een well-rounded Victoriaans bestaan. Nu was Darwin bij zijn leven toch al geen echte ruziemaker, maar zijn autobiografie is zeer mild, en vol zelfkritiek. Zijn ouders waren altijd vriendelijk en vol begrip. Zijn vader had een ongeëvenaard observatievermogen en een onovertroffen sympathie voor zijn medemens. Zijn broer en zusters waren kameraadschappelijk en trouw. Zijn medewetenschappers waren slimmer en voortvarender dan hij, en hij heeft bijna alles aan ze te danken. Zijn huwelijk, ten slotte, was volmaakt: tussen Charles en Emma viel nimmer een onvertogen woord. Het enige ongeluk dat hen trof, was de dood van hun dochtertje Anne, in april 1851.
Geen enkele autobiograaf in Victoriaans Engeland trad zomaar naar buiten om de lezer bekend te maken met de persoonlijke en subversieve waarheden van zijn leven. Dat deed men niet. De strikte scheiding tussen het publieke en het privé-domein was een pijnlijke, schizofrene tegenstelling die op elk niveau van het Victoriaanse leven voelbaar was, op z’n meest hypocriet in zaken van seksualiteit. Anthony Trollope, bijvoorbeeld, deed in An Autobiography (1883) zijn liefdesleven in één zin af: ‘Mijn huwelijk was net als het huwelijk van andere mensen, en het is niet interessant voor wie dan ook, behalve mijn vrouw en mijzelf.’
De werkelijkheid was, natuurlijk, anders. Darwins vader, bijvoorbeeld, was allesbehalve een weldadige invloed. De biografen Desmond en Moore portretteren hem als een succesvolle arts, een vrijdenker en een schrander mens, maar ook als een volstrekte despoot. Na het overlijden van zijn vrouw Susannah in juli 1817 neemt hij de familie in een ijzeren greep. De kinderen zijn doodsbang voor hem. Charles wordt in 1818 met zijn broer Erasmus ondergebracht op de Shrewsbury School, de kostschool van dominee Samuel Butler, een vreselijk oord, donker, koud en vochtig, met erbarmelijk onderwijs, maar de broertjes zaten liever daar dan thuis bij hun vader. Het is Charles’ vader die bepaalt dat hij geneeskunde gaat studeren, het is zijn vader die besluit dat hij naar Cambridge zal gaan om dominee te worden, het is zijn vader die zich koppig verzet tegen de reis met de Beagle. Het was pas op zee, ver weg, dat Charles zich aan zijn invloed ontworstelt. Maar tot een directe confrontatie kwam het niet, en al helemaal niet op papier. Wat Darwin werkelijk van zijn vader dacht, blijft in zijn autobiografie versluierd.
Daar waren natuurlijk redenen voor. Er was het vaderlijk gezag – moreel, wettelijk en financieel – in het gezin. Er was de patriarchale structuur in het onderwijs en op de arbeidsmarkt. Er waren de conventies van het vijfde gebod. Er was de krachtige identificatie van de christelijke god met de pater familias op aarde. En dan waren er de specifieke omstandigheden van de familie, de reputatie van grootvader Erasmus, het succes van Darwin sr. in de gemeenschap van Shrewsbury, zijn relaties met de rijke Wedgwoods uit Staffordshire, zijn connecties met de intellectuele kringen van zijn tijd, het hele complex van status en welstand. Kom daar maar eens tegen in opstand.

De laatste honderd jaar, pakweg, wordt de rebellie van zonen tegen vaders gezien als een natuurlijke reflex, volgens Freud zelfs als een ‘psychologische onontkoombaarheid’, een waarheid die alleen met geweld kan worden onderdrukt. In Darwins tijd was die onontkoombaarheid bepaald niet vanzelfsprekend. Om werkelijk tot die confrontatie te komen waren er revoluties nodig, zoals John Donne het zei: ‘A new philosophy calls all in doubt (…)/ Prince, subject, father, son, are things forgot.’ De evolutietheorie was zo’n revolutie. De schok die Darwins publicatie veroorzaakte, is navoelbaar in de strijd die veel van zijn tijdgenoten aanbonden met hun eigen patriarchale kwelgeesten. In fictie werd die rebellie weergegeven in het onbegrepen, verlaten of vervolgde kind, zoals Oliver Twist, die om meer pap komt vragen. Voor Samuel Butler, schrijver van de semi-autobiografische roman The Way of All Flesh, geschreven tussen 1873 en 1884, is de evolutietheorie de katalysator voor een razende kruistocht tegen zijn vader en tegen alle vormen van patriarchaal gezag.
Darwin kende Samuel Butler (1835-1902) persoonlijk. Samuel was de kleinzoon van de oude Samuel Butler in Shrewsbury, wiens school Charles bezocht had. Hij was goed bevriend met Charles’ zoon Francis. Zijn carrière had aanvankelijk veel weg van die van Darwin. Zijn vader, dominee Thomas Butler (1806-1886), had domweg verordonneerd dat hij dominee zou worden, in Cambridge, en dat gebeurde ook, maar na zijn wijding verloor Sam al snel zijn geloof. Hij wilde schilder worden, of schrijver. Butler sr. was daar woedend over; junior vertrok verbolgen naar Nieuw-Zeeland, om schapen te fokken. Daar las hij On the Origin of Species. Niet alleen bezegelde dat zijn geloofsafval, het gaf hem een arsenaal aan argumenten om zich vrij te maken van het drukkende gezag van zijn vader. De evolutietheorie werd immers vervloekt door de anglicaanse kerk als bedrieglijk, atheïstisch, materialistisch en immoreel, een misdaad tegen de samenleving. Wie zich ervoor uitsprak, plaatste zich buiten de orde. Dat kwam de jonge Butler van pas. Hij keerde na een paar jaar terug, zocht contact met Darwin en ontpopte zich als een fanatieke evolutionist. In zijn eerste literaire succes, de satire Erewhon, ontvouwde hij de gedachte dat machines als gevolg van darwinistische selectie bewustzijn zouden kunnen ontwikkelen. Daarna werkte hij tien jaar aan The Way of All Flesh.
Dat boek is een furieuze afrekening, heel vermakelijk, maar uiterst bitter. Butlers vader treedt er in op als dominee Theobald Pontifex, die zijn armzalige zoon Ernest terroriseert en fysiek aftuigt om hem tot gehoorzaamheid te dwingen. Ernest moet en zal dominee worden, maar eenmaal gewijd raakt hij in dickensiaanse perikelen verzeild, en gaat bijna ten onder. De vader is een humorloze tiran, een totale hypocriet, egocentrisch, snobistisch, vals en gierig. Voor hun ‘karaktervorming’ vindt hij alle vormen van geestelijke en lichamelijke mishandeling van zijn kinderen geoorloofd. Maar het ergste is wel dat Theobald Pontifex geestelijk, moreel en intellectueel een leeg vat is. De dominee hanteert de versteende opinies van zijn voorouders en stelt de waarheid daarvan nimmer ter discussie.
Die moed had Samuel Butler wel, dus, en de afkeer van zijn vaders benepenheid groeide uit tot een koortsige haat jegens elke vorm van gezag. Niets was veilig voor zijn oedipale woede. Ook Darwin werd er het slachtoffer van. Butler putte zich uit in een serie eigen publicaties over de evolutie, waarbij hij Lamarcks oude theorie verdedigde en Darwin ‘met bijna krankzinnige kwaadaardigheid’ (aldus Darwin) beschuldigde van plagiaat. Andere slachtoffers waren Homerus (Butler ‘toonde aan’ dat de Ilias en de Odyssee waren geschreven door een vrouw, op Sicilië) en Shakespeare: in Shakespeare’s Sonnets Reconsidered ‘bewees’ Butler dat de sonnetten, in een andere volgorde geplaatst, een homoseksuele affaire onthulden.

The Way of All Flesh bleef ongepubliceerd tot na Butlers dood in 1902, omdat hij, kennelijk, de gevoelens van zijn naaste familie wilde sparen, maar werd daarna een onmiddellijke bestseller. Het succes werd echter vier jaar later overtroffen door een veel bescheidener boek, Father and Son. De eerste vier drukken daarvan verschenen anoniem. De schrijver, Edmund William Gosse, maakte zich pas bekend toen het boek een succes was. Het zou veel ophef veroorzaken en Gosse was in het begin van de twintigste eeuw de meest vooraanstaande man of letters in Engeland. Hij was recensent van de Times, de biograaf van Donne en Swinburne, hij introduceerde Ibsen en Gide in Engeland, was bevriend met Henry James en Thomas Hardy, enzovoort. Father and Son is het enige wat er van zijn enorme productie is overgebleven. Het boek had een explosieve uitwerking, een effect dat veel sterker was dan dat van Lytton Stracheys beruchte Eminent Victorians uit 1918. Gosse’s boek was er zonder de evolutietheorie niet geweest.
Edmund ‘Willy’ Gosse was geboren in 1849. Zijn vader, Philip Gosse, was een van de meest vooraanstaande biologen van zijn tijd, fellow van de Royal Society, gespecialiseerd in ongewervelde zeedieren, waarover hij een aantal prachtig geïllustreerde standaardwerken schreef. Gosse sr. behoorde echter ook tot de Plymouth Brethren, een ascetische puriteinse sekte, waarvoor de Bijbel de absolute, letterlijke waarheid vormde.
Het leven dat Edmund Gosse in zijn autobiografie beschrijft, is bizar. De jongen groeide op in een dorpje aan de kust, in de kleine gemeenschap van ‘Heiligen’, van wie vader Philip de geestelijk leider was. Hij had geen broer of zus. Hij ging niet naar school, had geen vriendjes en nauwelijks contacten buiten de kring van ‘broeders’. Zijn vader leerde hem rekenen, tekenen en de beginselen van biologie, zodat Willy hem kon assisteren bij het veldwerk. De Bijbel regeerde het huishouden. Verder was er niets, schrijft Gosse: ‘Geen enkele vorm van fictie, religieus of werelds, werd in het huis toegelaten. Nooit in heel mijn vroege jeugd sprak iemand tegen mij de ontroerende woorden: “Er was eens…” Ik hoorde over zendelingen, maar nooit over piraten; ik kende kolibries, maar wist niets van feeën. Klein Duimpje, Repelsteeltje en Robin Hood behoorden niet tot mijn bekenden, en al wist ik van wolven, Roodkapje was voor mij een vreemde, zelfs van naam.’
In 1857 scheurde dat gezegende vacuüm open. De bijbelvaste natuurwetenschapper Gosse was verontrust over de evolutionaire trend in de wetenschappen, specifiek over de grote invloed van Charles Lyells Principles of Geology uit 1830, het boek dat Darwin meenam op de Beagle. Lyell had geponeerd dat de geologische toestand van de aarde zich in de loop van vele miljoenen jaren had ontwikkeld. Dat botste frontaal met het bijbelse woord. Gosse probeerde de evolutionisten de wind uit de zeilen te nemen met een eigen theorie, die hij in 1857 publiceerde als Omphalos: An Attempt to Untie the Geological Knot. Gosse richtte zich op de vraag of Adam een navel (omphalos) had. Zeker, beweerde Gosse: toen Adam geschapen werd, had hij alle kenmerken van een normale, volgroeide man – een volwassen gebit, normaal haar, volledig ontwikkelde geslachtskenmerken en dus ook een navel. Op dezelfde manier had God de aarde geschapen: als een oude planeet, compleet met oude geologische structuren, inclusief de raadselachtige fossielen. Gosse zag zijn boek als een meesterwerk en verwachtte een vloed aan dankbare erkenning, maar kwam van een koude kermis thuis. Vrienden en collega’s distantieerden zich openlijk. Ze wilden niet geloven, in de woorden van Charles Kingsley, ‘dat God een enorme en overbodige leugen op de rotsen had geschilderd’. In zijn serene leventje had de vroegwijze Edmund zijn vader altijd min of meer gelijkgesteld met God. De schok kon dus niet groter zijn: ‘Wat mijn vader had gezegd “was niet waar”. Mijn vader, als godheid, als natuurkracht van immens aanzien, tuimelde in mijn ogen naar een menselijk niveau. In de toekomst hoefden zijn uitspraken (…) niet zonder meer te worden aangenomen.’ De Bijbel en het gebed verliezen ook hun autoriteit: ‘Toen ik zo geknield zat, me heel klein voelend naast de immense massa van mijn vader, stroomde de wil tot rebellie als wijn door mijn aderen.’
Na de smalende kritiek zonderde Gosse’s vader zich nog verder van de wereld af. Kort daarna overleed zijn vrouw aan borstkanker. Ze onderging een experimentele behandeling, die waarschijnlijk nog pijnlijker was dan de kanker zelf, en ze ging schreeuwend naar haar dood, wijzend op de kleine Edmund: ‘Take our lamb, and walk with me!’ Huiverend bad Edmund bij zijn moeders doodsbed. ‘Ik kon het niet bevatten; ik piekerde erover, lang, zeer lang, in mijn infantiele duisternis, op de vliering, of in dat smalle stukje van de koude kamer waar mijn bed stond, en een grote, blinde woede tegen ik-weet-niet-wat kwam tot leven in mijn ziel.’ Edmund Gosse deed, in alle verwarring, een belangrijke ontdekking: ‘Van alle gedachten die mijn primitieve en onontwikkelde hersentjes in deze crisis bestormden, was de opmerkelijkste dat ik een kameraad en vertrouweling in mezelf had gevonden. Er was een geheim in de wereld dat van mij was, en van iemand die in hetzelfde lichaam als ik huisde. We waren met z’n tweeën, en we konden met elkaar praten.’
Gelukkig hertrouwde Philip Gosse, in 1860. Zijn tweede echtgenote, Eliza Brightwen, was even vroom als haar man, maar ze had gevoel voor de kunsten, en poëzie, en ze raakte innig gesteld op Edmund. De ban op literatuur werd langzaam opgeheven. Op zijn elfde ging de jongen voor het eerst naar school. Hij las alles wat hem voor de voeten kwam. Binnen zes jaar las hij Duits, Frans, Grieks, Latijn en Italiaans en had basiskennis van Zweeds en Hebreeuws; later leerde hij zichzelf ook nog Noors en IJslands. Op zijn zeventiende vertrok hij naar Londen. Hij trouwde, kreeg drie kinderen, en groeide uit tot de belangrijkste literaire criticus van zijn tijd. De worsteling met zijn vader, die zich hardnekkig bleef bemoeien met Edmunds geestelijk heil, duurde tot aan Philips dood, in 1888.
Edmund schreef een voorbeeldige biografie van zijn vader, The Life of Philip Henry Gosse FRS. Dat wil zeggen: een Victoriaanse, wetenschappelijke biografie. Het persoonlijke bleef, zoals dat hoorde, verborgen. Wat Gosse niet vermeldde, bijvoorbeeld, was dat zijn vader zich op zijn sterfbed met geweld van zijn God had afgekeerd, en tierend van woede was gestorven.

In veel autobiografieën uit die tijd – John Stuart Mill (1873), George Moore (1888), John Ruskin (1889) – komt het gevecht met de vader steeds explicieter aan de orde. Uiteindelijk zette ook Gosse de schroeiende, ontroerende waarheid van zijn leven op papier. Met de ontdekking dat er in zijn borst een tweede Edmund huisde, een vriend, een gesprekspartner, had Gosse ontdekt dat er in zijn chaotische, verwarrende, persoonlijke ervaring patronen te ontdekken waren die niet alleen interessant waren als studie van de psychologie van de puriteinen of van de emotionele ontwikkeling van een kind, maar die konden worden getransformeerd tot een kunstwerk. Father and Son is Gosse’s beste werk. De geschiedenis is beklemmend, maar het is een geestig, gevoelig en gracieus boek. Het is niet boos, of veroordelend, Gosse had immers zeer van zijn ouders gehouden. Hij is geen echte revolutionair. Hij toont zijn eigen zwakheden. De strijd tussen decorum en waarheid, tussen objectiviteit en authenticiteit is overal voelbaar. Maar het boek was, voor Gosse, een geval van alles of niets: ‘Aldus (…) wierp het geweten van de jonge man eens en voor altijd het juk van zijn “wijding” af en nam, zo eerbiedig mogelijk, zonder vertoon of misbaar, het recht van een menselijk wezen om zijn innerlijke leven zelf gestalte te geven.’
Het had het motto van On the Origin of Species kunnen zijn.

Edmund Gosse, Father and Son, Penguin, 251 blz.
De autobiografie van Charles Darwin, vertaald door Fieke Lakmaker, Uitgeverij Nieuwezijds, 152 blz.
Samuel Butler, The Way of All Flesh, Everyman, 374 blz.