Popmuzikanten eren hun verwekkers

Het vijfde gebod

Nu popmuziek de zeventig nadert, groeien sommige voorgangers uit tot godfathers van het genre. Vadermoord komt nauwelijks voor, sterker nog: er zijn veel opmerkelijk innige vader-zoon-relaties.

Negentigduizend mensen trokken een paar maanden geleden naar Arnhem voor de derde reünie van Doe Maar. Tegelijk verscheen voor het eerst in ruim een decennium nieuw werk van de populairste Nederlandse popgroep aller tijden. Het waren bekende nummers, opnieuw ingespeeld door de originele leden van Doe Maar, maar aangevuld met een enorme groep gastmuzikanten. Op één na (Spinvis) allemaal hiphoppers, van inmiddels ook bijna twee generaties.

De inmiddels oude rotten als Sticks en Rico (vroeger van Opgezwolle), Extince en Postmen. Maar ook nieuwe sterren als Fresku en Gers Pardoel rapten mee op Nederpopklassiekers als Pa en De Bom. Het tilde de reünie boven de nostalgie uit: Doe Maar bleek een inspiratiebron te zijn voor een andere generatie en een ander genre. Op Postmen na maakte geen van de artiesten die nu met Ernst Jansz en Hennie Vrienten meezongen zelf reggae. Maar in interviews rond het uitkomen van het album waren al die hiphoppers eenduidig: zonder Doe Maar hadden ze nooit de muziek gemaakt die ze nu maakten. Je uitdrukken in je eigen taal, onderwerpen bezingen die een belangrijke rol in je eigen leven spelen: dat hadden ze geleerd van Doe Maar. Ze waren volgelingen. En de leden van Doe Maar, inmiddels zestigers, waren voorvaderen. Godfathers.

Nu popmuziek bijna zeventig jaar oud is, wordt duidelijk dat wat een voorwaarde voor het bestaan ervan leek, jeugdigheid, geen noodzaak is. Sterker nog: niet alleen stond de band die ‘I hope I die before I get old’ zong, The Who, vorige week nog als een van de headliners op het podium van Madison Square Garden tijdens het grootste benefietconcert sinds vele jaren, voor de slachtoffers van orkaan Sandy. Ook waren ze bepaald niet de enige vertegenwoordigers van hun generatie. De Rolling Stones, Bruce Springsteen en Paul McCartney stonden eveneens op dat podium. En sterker: jongere muzikanten hebben geen enkele neiging zich tegen die generatie af te zetten. Ze zijn er openlijk schatplichtig aan. Zonder Neil Young was Pearl Jam er niet geweest, zonder Pearl Jam The Gaslight Anthem niet. En zoals eindveertiger Eddie Vedder van Pearl Jam zich altijd en overal bewonderend uitlaat over eindzestiger Neil Young en zeer geregeld een nummer van hem speelt tijdens zijn shows, precies zo verhoudt begindertiger Brian Fallon van The Gaslight Anthem zich tot diezelfde Eddie Vedder. In de rock is het volstrekt gebruikelijk dat de godfathers worden geëerd. Rockband The Hold Steady haalt The Clash letterlijk aan: _‘Raise a toast to St. Joe Strummer/ I think he might’ve been our only decent teacher’._In de hiphop is het minder gebruikelijk. Vreemd genoeg eigenlijk, omdat het een genre is waarvan de vertegenwoordigers zich nadrukkelijk in een traditie plaatsen. En als er al verwijzingen worden gemaakt naar voorvaderen, dan zijn het opvallend genoeg niet de oervaders van het genre, maar de generatie na hen. Veel jonge hiphoppers noemen Tupac en Notorious B.I.G. als grote voorbeelden, maar voor die twee waren er al Public Enemy, NWA en Ice-T. Maar die eerste twee stierven jong en tragisch, en die laatste bleven doorgaan en vaak niet al te beste albums maken. En dus eert vrijwel niemand ze nog, al valt ook niemand ze af. Het voordeel van hiphoppers is dat ze vervolgens zichzelf altijd nog kunnen verheerlijken. En de laatste keer dat rapper Ice-T in Amsterdam optrad, in 2006 met zijn metalband Body Count, stond er ineens een slungelige net-puber naast hem op het podium. Ice-T stelde hem grijnzend voor aan het publiek: ‘Little Ice’. Hij wilde maar zeggen: de opvolging was geregeld, hier stond-ie.

In de popmuziek bestaat, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de literatuur, de vadermoord nauwelijks. Hier wordt het vijfde gebod geëerd. De overgebleven originele leden van Nirvana sloten het benefietconcert voor Sandy af. Wie mocht Kurt Cobain vervangen? Paul McCartney. Zeventig jaar oud. Maar in meerdere opzichten de verpersoonlijking van de conceptie van de popmuziek, dus een onomstreden keuze. Diezelfde McCartney staat ook geregeld tussen volgetatoeëerde, vijftig jaar jongere muzikanten in Amerikaanse rock- en punkbladen, met een T-shirt aan met een tekening van een koe erop en de woorden ‘Eat no’ erboven, en boven zijn foto de tekst ‘I am Paul McCartney and I am vegetarian’. Het is een advertentie van de militante dierenrechtenorganisatie peta, die rol­modellen inzet om jongeren te overtuigen van het belang van vegetarisme. Zo’n rolmodel kan dus ook zeventig zijn. Als hij zijn sporen maar heeft verdiend, en als hij maar nog steeds een jeugdige levensinstelling heeft.

En ja, in die zin maken de popvaders het de generatie na hen ook wel lastig om ze af te vallen: al zijn ze feitelijk – namelijk in droge levensjaren – weinig anders te noemen dan oud, er kleeft nog veel jeugdigs aan ze. Kennelijk houdt het je jong, dat leven als popmuzikant, als je maar eenmaal voorbij die 27 jaar bent gekomen. Ze zijn ook allemaal op een leeftijd gekomen waarop ze in dikke autobiografieën rekenschap afleggen van hun leven. Soms zijn die autobiografieën verbazingwekkend eerlijk (Pete Townsend), soms geruchtmakend sappig (Keith Richards) en soms verbijsterend warrig (Neil Young). Maar belachelijk maken ze zich eigenlijk niet vaak. Men kan het belachelijk vinden om op de leeftijd van Mick Jagger nog steeds over een podium te huppelen en te zingen dat je onbevredigbaar bent, maar je kunt niet beweren dat Mick Jagger dat niet meer kán.

Er is nog geen oudere popmuzikant gesignaleerd die op een Republikeinse conventie tegen een lege stoel stond aan te lullen. Men sterft jong, of wordt waardig oud. Bruce Springsteen werd begin jaren negentig in een interview met het blad Rolling Stone geconfronteerd met een uitspraak in datzelfde blad, veertien jaar eerder. Daarin stelde de verslaggever dat Springsteen dermate toegewijd was aan zijn muziek dat het moeilijk was hem voor te stellen als vader. Dat had Springsteen de jaren erna nog vaker gehoord, zei hij. Maar hij stelde ook niet de artiest te willen zijn die het leven van anderen beïnvloedde, maar zelf niet in staat was een leven te leiden. Springsteen, toen begin veertig, zei: ‘Ik ben een muzikant voor het leven: ik blijf altijd muziek maken. Ik voorzie geen tijd waarin ik niet meer op het podium sta met een gitaar om die luid, met passie en kracht te bespelen. Ik zie er zelfs naar uit zestig te zijn en dat te doen.’ Volgend jaar wordt hij 64 en hij kondigde een nieuwe wereldtournee aan die hem naar onder meer het Goffertpark in Nijmegen brengt.

Een van de meest unaniem geprezen wereldtournees van de afgelopen jaren was die van Leonard Cohen, die dit jaar twee keer in het Olympisch Stadion optrad. Cohen is 77. Hij is breekbaar, ja, maar ook nog steeds onweerstaanbaar charmant en gesoigneerd. Zijn stem is octaven dieper dan vroeger, maar met zijn mompelzangstijl geeft dat niet, integendeel. Wat Dylan is voor de folkzanger en Springsteen voor de rockers, is Cohen voor de singer-songwriters van generaties na hem: het voorbeeld dat er een lang leven in de muziek mogelijk is zonder belachelijk te worden. Hij weet het, hij kent zijn positie. Vol zelfspot opent hij zijn laatste album met de woorden: ‘I love to speak with Leonard/ He’s a sportsman and a shepherd.’

Zo is er ook geen enkele artiest onder de veertig met ook maar een vleugje country in zijn lijf die niet Johnny Cash als invloed noemt. Op ieder festival, ook in Nederland, lopen ieder jaar wel een paar mensen rond met een shirt met de beroemde foto van Cash die zijn middelvinger naar de camera richt. Zelfs hardcore punkbands gebruiken zijn versie van het nummer Hurt als introductie.

De enige zoon van Johnny en June Carter Cash, John Carter Cash, is zelf ook muzikant, net als de zoon van John Lennon, Sean. De zoon van Bob Dylan, Jakob Dylan, maakte eerst naam als zanger van zijn eigen band, The Wallflowers, maar is inmiddels zelf ook singer-songwriter. De zoon van Sting heeft zijn eigen band, Fiction Plane. In interviews moest hij zo vaak vertellen hoe het is om de zoon van Sting te zijn dat hij inmiddels in interviews alle vragen beantwoordt, maar niet die over hoe het is om de zoon van Sting te zijn.

Dat zijn bekende, maar niet de meest opzienbare vader-zoon-relaties in de popmuziek. Dat zijn twee andere.

Allereerst die van de Canadese singer-songwriter Loudon Wainwright III en zijn inmiddels wereldberoemde zoon Rufus. De twee hebben een leven lang een gecompliceerde relatie gehad, maar vorig jaar stonden ze samen op het podium in Londen. Loudon zong het nummer Rufus is a Titman, over zijn zoon in de fase waarin die borstvoeding kreeg, en de lichte jaloezie waarmee zijn vader dat aanzag (‘You can tell by the way the boy burps that it’s gotta taste fine’). Zijn zoon sloeg terug met het nummer Dinner at Eight, waarin hij de moeizame relatie met zijn vader ontleedt (‘So put up your fist and I put up mine’). Maar toen had zijn vader nog een nummer achter de hand: A Father and A Son.

Daar zijn veel nummers over, de verhouding tussen vader en zoon: Bridge over Troubled Water van Simon and Garfunkel bijvoorbeeld, en Father and Son van Cat Stevens, waarin die ook zingend in de huid van beiden kruipt. Maar hier stond de vader het nummer over de zoon te zingen op hetzelfde podium als die zoon. En hij zong over exact de manier waarop ze zich tot elkaar verhouden – en de reden ervan: ‘I don’t know what all of this fighting is for/ But we’re having us a teenage/middle-age war/ I don’t want to die and you want to live/ It takes a ­little bit of take and a whole lot of give/ It never really ends though each race is run/ This thing ­between a father and a son.’

Van een andere orde is de misschien wel meest opvallende relatie tussen een vader en zoon in de popmuziek: die van Frank Zappa en zijn zoon Dweezil. Frank Zappa overleed in 1993, maar sinds 2006 klinkt zijn muziek weer op grote concertpodia, gespeeld door een wisselende band, met als enige vaste bandlid zijn zoon. Het gaat veel verder dan Ziggy Marley die op het podium ook nummers van zijn vader zingt: het hele bestaansrecht van de band is het levend houden van het repertoire van Frank Zappa. Het levenswerk van Dweezil Zappa is het eren van zijn vader. In de biografie Zappa van Barry Miles schrijft die, met zichtbaar gemengde gevoelens, over de geringe afstand die Zappa tot zijn kinderen nam: ‘De kleine Zappaatjes groeiden op en wilden natuurlijk betrokken zijn in het leven van hun vader in de muziek en film. (…) Dweezil was gerichter. Hij verafgoodde zijn vader en wilde toetreden tot het familiebedrijf.’ Dat is meer dan gelukt. Hij nam het familie­bedrijf over. Hij is zijn vader geworden.