Thema & variaties

Het viriele universum

In de Rode Hoed werd afgelopen woensdag een Grote Hermans Avond gehouden ter viering van het eerste deel van Willem Otterspeers biografie De mislukkingskunstenaar. ‘Dit wordt een historische avond’, sprak Bezige Bij-redacteur Thomas van den Bergh tot de pakweg vijfhonderd aanwezigen. ‘Zo’n avond waarvan u achteraf met trots kunt zeggen dat u erbij was.’

Tommy Wieringa wijdde vervolgens, lekker polemisch, een substantieel deel van zijn laudatio aan het fileren van de miezerige man Max Pam. Directeur van De Bezige Bij Henk Pröpper sprak zijn lof uit, en Otterspeer zelf trok een blik sappige Hermans-anekdotes open. Wanneer die aan een van zijn talloze schotschriften werkte, vertelde hij, en hij had iets opgeschreven wat hem zinde, maakte hij een bezwerend gebaar richting het papier in zijn typemachine, onderwijl een slangachtig geluid voortbrengend. Tsssk.

Naar aanleiding van de biografie buitelden jonge en niet zo jonge Nederlandse schrijvers afgelopen week over elkaar heen om te vertellen hoezeer Hermans hun schrijverschap had gedefinieerd. Thomas Heerma van Voss publiceerde in Trouw een essay met de titel ‘Hermans maakte mij schrijver’ (een gegeven waar de door vintage-typemachines geobsedeerde schrijver Peter Terrin – in navolging van Hermans zelf natuurlijk, die er 150 bezat – ook altijd graag mee mag koketteren). In het tv-programma Knetterende letteren mochten Thomas Rosenboom, Christiaan Weijts en Jamal Ouariachi hun Hermans-ei kwijt, en in Nieuwsuur vertelde Peter Buwalda hoe de verplichte lezing van De donkere kamer van Damokles in 6 vwo hem ertoe had gebracht schrijver in plaats van natuurkundige te worden. De jongens van Das Magazin lazen voor de Volkskrant Hermans’ allereerste gepubliceerde korte verhaal (in het Algemeen Handelsblad van 6 april 1940, nu ook te verkrijgen als e-verhaal), en zagen dat het goed was. Vanaf de zijlijn riep Meindert Fennema ook nog iets over zijn tijd bij een Utrechts studentenblaadje, waar iedereen in 1967 de polemieken van Hermans imiteerde. Zelf had hij diens advies om ‘eerst de man en pas dan de bal’ te spelen in elk geval goed in zijn oren geknoopt.

Als iets me de afgelopen week is opgevallen, is het dat de Hermans-verering een mannending schijnt te zijn (net als polemiek, overigens, die daar niet alleen maar het omgekeerde van is).*
De publieke bewondering voor Grote Schrijvers (m) is überhaupt vaak nogal een viriele aangelegenheid. Het geldt net zo goed voor Mulisch en Reve, en toen eerder dit jaar de stokoude James Salter na dertig jaar stilte weer een roman publiceerde, verschenen er grote stukken van Tommy Wieringa en Ernest van der Kwast in de krant die zo dweperig van toon waren dat ze deden denken aan bakvissen in de rij voor Justin Bieber.

Afgelopen september was de Franse schrijver Emmanuel Carrère even in Nederland om de Europese Literatuurprijs 2013 in ontvangst te nemen voor zijn roman Limonov. Het boek verhaalt over de echt bestaande en nog levende Rus Eduard Limonov, een buitengewoon fascinerende figuur die het midden houdt tussen een briljant schrijver, een dissident, een oorlogscrimineel – hij schoot in de jaren negentig aan Servische zijde op Sarajevo – en een revolutionair. Na afloop van het programma rond de prijs raakte ik met Carrère in gesprek. Hij zei het verrassend te vinden dat zijn boek ook vrouwen aanspreekt, want eigenlijk was het toch een echt jongensboek. Een jongensboek? Really? Omdat er avontuur in zit, politieke incorrectheid, geweld, moord, anale seks?

Nadat Otterspeer het eerste exemplaar van zijn boek overhandigd had gekregen werd in de Rode Hoed een toneelstukje opgevoerd waarvan Hermans ooit de tekst had geschreven, maar dat in een la was beland en er pas weer door Otterspeer werd uitgevist.
‘Nu mogen de meisjes het podium betreden’, fluisterde ik mijn vriendin R in het oor, en jawel: drie meisjes in engelachtige gewaden fladderden het podium op, zongen semi-synchroon een paar liedjes, deden halverwege een changé van heilige naar hoer, en eindigden in een onbegrijpelijke dans met knijpkatten.
Al met al: een hoogtepunt uit het oeuvre van Hermans, noch (zoals valt te hopen) uit dat van de dienstdoende actrices.

In 2014 verschijnt Margot Dijkgraafs boek Spiegelbeeld en schaduwspel, over het oeuvre van Hella S. Haasse. Ik hoop van harte dat dan niet alleen vrouwen daar iets over te zeggen hebben.
Tsssk.

*Een enkele uitzondering daargelaten, natuurlijk – voordat ik meteen weer word beticht van betrekkingswaan. Connie Palmen schreef iets over Hermans in Vrij Nederland, en na goed zoeken zag ik dat Elsbeth Etty wat over hem gezegd heeft tijdens de Hermans-nacht op Radio 1.