Het virtuele vaderland paradoxaal genoeg biedt juist de nationale rechtsstaat bescherming aan mensen die zich met de pc aan de lokale verbanden willen onttrekken

Internet, wereldwijde communicatie en globalisering alom - het maakt de basis vande geografisch gebonden natiestaat steeds smaller. Althans, zo menen postmoderne bestuurskundigen. Maar waarom e-mailt men eerder met de buurman dan met iemand in Tokyo? Een essay over de hang naar het lokale te midden van het globaliseringsgeweld.
Guikje Roethof is D66-Tweede-kamerlid.
IN 1969 LIEP DE EERSTE mens over de maan. Ik was toen dertien jaar. Terwijl op de televisie beelden te zien waren van het ruimteschip en het planten van de Amerikaanse vlag op de kale bodem, renden wij kinderen naar buiten om te kijken of er iets veranderd was.

Maar nee, vanuit het heelal keek dezelfde vertrouwde citroenschil op ons neer. Alleen wij waren veranderd, want wij wisten nu hoe die gele sikkel er in werkelijkheid uitzag. De ongenaakbaarheid van het hemellichaam was door de menselijke technologie tot een tastbaar ding teruggebracht.
De reis naar de maan, die nog steeds kan gelden als de ultieme vorm van mobiliteit en globalisering, relativeerde onze grenzen en ons perspectief. Op dit moment figureren de historische beelden van de landing op de maan als opening van de film Independence Day. Daarin toont Hollywood, trefzeker als altijd, de anekdotische conclusie van het proces van schaalvergroting: de mensheid wordt aangevallen door een buitenaardse beschaving die ons in technologische zin de baas is. De aanval wordt uiteindelijk afgeslagen met behulp van een notebook en een computerprogramma, op een locatie, ergens in het heelal, lichtjaren van ons verwijderd.
Het begrip global village, bedacht door communicatie-utopist Marschall McLuhan, is inmiddels een cliché dat in geen enkele beschouwing over elektronische snelwegen, digitale steden en wereldwijde netwerken ontbreekt. Maar het werelddorp dat nu aan het ontstaan is, kenmerkt zich door groeiende tegenstellingen. Culturele verschillen, zoals Independence Day op kluchtige wijze laat zien, en sociale tegenstellingen. Want de economische integratie brengt vooralsnog een flinke toename van de inkomensverschillen met zich mee. De rijkdom van de 358 miljardairs op deze wereld is even groot als het opgetelde jaarinkomen van 45 procent van de wereldbevolking, concludeerde het VN-ontwikkelingsfonds dit jaar. Dat zijn bizarre verhoudingen, die niet bepaald tot een gevoel voor saamhorigheid leiden. Globalisering is een proces met schizofrene trekken.
De informatie- en communicatietechnologie zal een prominente rol spelen in het integratiesproces, maar welke dat precies zal zijn, is nog niet te zeggen. De praktische bruikbaarheid van de technologieën zal daarbij een factor zijn, maar ook het gedrag van consumenten. Toen het bemande ruimteschip in 1969 op de maan landde, dacht ik als dertienjarige dat ik later met de bus naar de maan zou gaan. Die lijndienst is er nooit gekomen, omdat wij niets te zoeken hebben op dat ruige, onvruchtbare maanoppervlak. Vooralsnog richten wij onze mobiliteitsdrang en expansiedrift op de beperkte mogelijkheden van de aarde.
OP DIT MOMENT neemt de verkeersmobiliteit over de weg en in de lucht zo snel toe dat we vastlopen in congestie. Zeker in Nederland; vanaf de maan gezien wonen wij met meer dan vijftien miljoen mensen op een lap grond die niet groter is dan een stadstaat. We moeten dus andere uitwegen zoeken voor onze tomeloze dynamiek. Een goed alternatief vormt de elektronische snelweg. Langs virtuele weg kunnen wij van alles en nog wat in beweging zetten zonder ons zelf te verplaatsen.
In een geavanceerde diensteneconomie als de Nederlandse kan veel werk in bits en bytes worden omgezet. Het betekent dat veel werknemers hun arbeid thuis achter de pc zouden kunnen verrichten, zodat ze niet ’s ochtends en ’s avonds bijdragen aan het fileprobleem. Nederland telt momenteel ongeveer 55.000 telewerkers, maar er is een potentieel van een kwart miljoen, zoals TNO heeft berekend. De verwachting is dat het aantal mensen dat thuis of in virtuele kantoren werkt flink zal groeien. Volgens het bureau Moret Ernst & Young heeft 56 procent van de Nederlandse bedrijven zich voorgenomen binnen drie jaar met telewerken te beginnen. Maar dit type digitalisering betekent ook dat er administratieve werkgelegenheid weglekt naar landen waar de arbeid goedkoper is. Zo is het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal in India overgetikt om het op cd-rom te zetten. Onbekendheid met het Nederlands was geen probleem: door het drie maal uit te laten tikken en de versies te vergelijken, kwamen de tikfouten vanzelf naar boven.
Behalve de globalisering van de economie die toch al aan de gang was, bevordert de elektronische snelweg de virtuele communicatie tussen mensen die mijlenver van elkaar verwijderd zijn. Naar schatting 60 miljoen mensen uit 160 landen maken gebruik van het Internet. Geografische afstanden worden moeiteloos overbrugd. E-mailen met iemand in Tokyo of met de buurman van een paar straten verderop - het vereist dezelfde handeling en de consument betaalt (vooralsnog) slechts zijn Internet-abonnement en het lokale telefoontarief.
Digitale netwerken onttrekken zich daarmee aan geografische verbanden, en, volgens sommigen, aan geopolitieke verbanden. De bestuurskundige Paul Frissen bijvoorbeeld meent dat door de digitale globalisering de ‘politiek als centrale beleidsinstantie haar legitimiteit zal verliezen’. In zijn boek De virtuele staat beschrijft Frissen 'processen van modernisering’. Met behulp van informatietechnologie kunnen de uitvoerende organisaties van de staat - de studiefinanciering of de burgelijke stand om er een paar te noemen - direct in contact komen met de burgers. Het ouderwetse hiërarchische model met politieke opdrachten die vanuit een centrum aan lagere instanties worden gegeven, maakt dan plaats voor participatie van onderop. 'Het concept dat wat op de werkvloer gebeurt een afgeleide is van beslissingen aan de top gaat niet meer op’, schrijft Frissen. 'Dus je gaat van de huidige drie bestuursniveaus (landelijk, provinciaal en gemeentelijk - gr) naar duizenden niveaus. De uitvoeringsorganisaties zijn het beste in staat om de preferenties van hun clientèle te kennen. Er is geen centrum meer. Dat proces is gaande.’
Maar het is de vraag in hoeverre deze ontwikkeling een direct gevolg is van de informatietechnologie. Net als bij de globalisering van de economie is er in het openbaar bestuur een tendens zichtbaar die we 'fragmentatie van de machtsuitoefening’ zouden kunnen noemen. Het mandaat om beslissingen te nemen komt steeds lager in de ambtelijke organisatie te liggen en de politieke sturing beperkt zich tot aangeven van de richting. Inderdaad: 'De integriteit van de nationale staat als economisch beleidsmaker, als verschaffer van sociale veiligheid en als producent van een nationale culturele identiteit verbrokkelt’, zoals Frissen beweert. Maar Frissen schrijft dit alles op het conto van de elektronische snelweg. In werkelijkheid is er veeleer sprake van processen die elkaar versterken.
Technologie zelf is natuurlijk beleidsneutraal, zeker de informatie- en communicatietechnologie met haar onbegrensde mogelijkheden. Wel kan het koppelen van databanken bij ontoereikende privacybescherming leiden tot een zeer centralistische samenleving. In Singapore bijvoorbeeld moet iedere burger met een Internet-account zich laten registreren bij de omroepautoriteiten. En ook in China probeert men zogenaamd 'subversieve’ informatie te weren. Autoritaire en onderdrukkende regimes zullen zeker digitale media inzetten om gegevens over hun inwoners te verzamelen en hen te controleren.
Tegenover zo'n Big Brother-concept staat het anarchistische kosmopolitisme van de vrije burger die zich met behulp van de informatietechnologie juist onttrekt aan de repressie. Het kritische Servische radiostation B92 was, ook nadat de etheruitzendingen door Milosevic tot zwijgen waren gebracht, via het Internet wel te ontvangen.
DEZE MOGELIJKHEID om zich via de telefoon- en computerlijnen te onttrekken aan nationale verbanden c.q. autoriteiten, sluit aan bij de theorie over het verdwijnen van nationale staten van de Franse diplomaat Jean-Marie Guéhenno. Hij publiceerde twee jaar geleden Het einde van de democratie, een kritische beschouwing over de eroderende positie van het bestuur in het chaotische en gewelddadige fin-de-siècle, waarin hij afrekent met het idee van de natiestaat. 'Wat is een natie? Wij zijn opgegroeid binnen het Europese model en daarom is de natie voor ons een vanzelfsprekende politieke vorm, een natuurlijk eindstadium voor elke samenleving. Maar we moeten gaan beseffen dat het Europese natiebegrip slechts een politieke vorm van voorbijgaande aard is, een Europese eigenaardigheid, een broze overgangsperiode tussen het tijdperk van de koningen en dat van het “keizerrijk”.’
Het boek van Guéhenno is interessant, ofschoon het wat broeierig en apocalyptisch getoonzet is. De schrijver heeft het over de toenemende verfijning van netwerken, en over hoe de eenwording van de wereld via de media maakt dat het 'steeds moeilijker zal worden te negeren wat zich in de marge afspeelt’. Guéhenno, ambtenaar op het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken, benadert de nieuwe constellatie vanuit de invalshoek van de staatsveiligheid. 'De oorlogen van de toekomst’, stelt hij, 'zullen oorlogen zonder fronten zijn.’ Want het onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse veiligheid heeft bij mogelijke sabotage van onderdelen van het systeem zijn betekenis verloren.
Als de eindtijd van Guéhenno ergens tot leven is gekomen, dan is het in België. De zaak-Dutroux houdt onze zuiderburen nog steeds in de greep. Hoe is het mogelijk dat een kinderpornozaak bijna de ontploffing van het staatsbestel tot gevolg heeft? Het vertrouwen in het Belgische bestel wordt nu al maanden van binnenuit op systematische wijze aangevreten. Er zit geen rem op de woede van de mensen, er is ook geen ruimte voor nuancering. Juist de nabijheid van de misdrijven, het feit dat ze binnen de Belgische landsgrenzen zijn gepleegd, verdiept het onbehagen.
De zaak-Dutroux is duidelijk een nationale zaak, maar met een sterke uitstraling over de landsgrenzen. Zo werd de conferentie in Stockholm over het terugdringen van sekstoerisme en kinderpornografie die al lang van tevoren was georganiseerd, door de pers voortdurend in verband gebracht met het Belgische drama. Op een middeleeuws-allegorische wijze speelden de media in op angsten en schuldgevoelens en werd de zaak-Dutroux televisiekijkers in de hele wereld als een spiegel voorgehouden. Ofschoon men zou kunnen denken dat de massacommunicatie door alle nieuwe mogelijkheden van individuele informatie-uitwisseling aan kracht heeft ingeboet, bewees de zaak-Dutroux dat de impact van de televisie op de stemming van de kijkers en op de beslissingen van de politiek onverminderd groot is.
NAAST DIE MASSAMEDIA is er het Internet, een parallel informatiecircuit met een gigantische capaciteit. Levendiger, pluriformer en persoonlijker dan de televisie omdat iedereen er zijn persoonlijke interessen en hobby’s kan uitleven, maar dat neemt niet weg dat de berichten en meningen in de verschillende nieuwsgroepen heel vaak inhaken op de actualiteit. De interactieve mogelijkheden van de pc worden niet zelden gebruikt om iets terug te zeggen tegen de televisie. In België werden prompt vele Internet-sites aan de zaak-Dutroux gewijd.
Het lokale en het globale gaan kennelijk heel goed samen. Zo kijken de meeste mensen wanneer ze voor het eerst via hun pc het virtuele universum binnengaan, even of ze zichzelf, hun straat, hun bedrijf of hun school op het Internet kunnen terugvinden. Wereldwijde communicatiemogelijkheden blijken een sterke impuls aan het lokale te geven en sommigen hebben het dan ook over 'glokalisering’.
In Nederland trok de belangstelling voor het Internet geweldig aan toen in 1994 de Digitale Stad werd geopend. Een ruimtelijke, lokale metafoor om het Internet te ontsluiten, compleet met een postkantoor, een kiosk, cafés. Het digitale gesprek kwam kortom pas goed op gang in de context van een verzonnen locatie. Die stadsmetafoor was er niet alleen vanwege de associatie met het dynamische leven in een metropool, het betekende ook een ruimtelijke concentratie en overzichtelijkheid. Cyberspace is een onbegrensde virtuele dataruimte en wie die ruimte betreedt, raakt al gauw gedesoriënteerd. Zo'n digitale stad biedt herkenbare oriëntatiepunten. Al snel kwamen er ook thematische pleinen: het Filmplein, het Cultuurplein, het Computerplein, het Homoplein en dergelijke, voor het merendeel 'bebouwd’ met lokale informatie. Het verlangen om met vreemde mensen in Tokyo te 'chatten’ bleek minder groot dan het langs virtuele weg leren kennen van de buurman. De meeste reizigers door cyberspace leggen een e-mailadressenbestand aan dat zo dicht bij huis is dat wij gerust kunnen spreken over het scheppen van een virtueel vaderland.
HET IDEE DAT ONDER druk van de informatie- en communicatietechnologie de naties zullen verdwijnen, gaat in ieder geval voor Nederland niet op. Wij zeiden de onaantastbaarheid van onze landsgrenzen al vaarwel in 1957 bij de ondertekening van het Verdrag van Rome, de grondslag voor de Europese Unie. Sindsdien is ons hele nationale beleid erop gericht stukjes soevereiniteit over te dragen aan supranationale instellingen, juist vanuit welbegrepen nationaal belang: de hoop onze naaste omgeving veiliger te maken en onze mogelijkheden tot handel drijven te vergroten. Ons eigenbelang als handelsnatie lag van oudsher overzee en we hebben ons dan ook een overtuigd voorstander getoond van de wereldwijde vrijhandel in de vorm van de GATT-akkoorden.
Over het vrije verkeer van kapitaal, goederen, personen en diensten wordt al lang in verschillende fora onderhandeld. De global village kent op dit moment dan ook veel meer leefregels dan menig Internetter denkt. Het zijn echter nog altijd de nationale staten die akkoorden ondertekenen en moeten optreden bij conflictbeslechting.
Dat kan, juist in de global village, leiden tot fricties, aangezien het strafrecht in elk land andere bepalingen kent. Duitsland heeft de Internet-toegang vanuit Duitsland tot bepaalde Web-sites in Amerika afgesloten vanwege revisionistische teksten die in Duitsland wel en in de Verenigde Staten niet verboden zijn. Ook de toegang tot de Amsterdamse Internet-provider XS4all werd door Duitsland geblokkeerd, dit keer vanwege vanwege het verspreiden van een links-radicaal werkje dat in Nederland gewoon legaal in de boekwinkel te koop is.
Alles wat strafbaar is in de gewone wereld is ook strafbaar op het Net. Aan nieuwe specifieke wetgeving voor uitingsdelicten op het Internet bestaat in Nederland geen behoefte. Wel kampen we met een opsporingsprobleem in gevallen waarin bewijsmateriaal binnen de kortste keren naar het andere eind van de wereld wordt verplaatst. Minister Sorgdrager heeft begin dit jaar in een toespraak voor de Vereniging voor Informatietechnologie en Recht gewezen op het belang van het onderscheid tussen transport van informatie en opslag daarvan. 'Bij opsporing van strafbare feiten kan bij iemand die informatie transporteert maar niet bezit, de informatie wel worden afgetapt, maar niet in beslag worden genomen.’
Over de aansprakelijkheid van Internet-providers, die informatie immers zowel transporteren als opgeslagen houden, is intussen een levendige wereldwijde discussie ontstaan. In Nederland staat het garanderen van de vrijheid van meningsuiting voorop. De minister is bezig de strafuitsluitingsgronden in het Wetboek van Strafrecht, die zelfcensuur van drukkers en uitgevers moeten tegengaan, uit te breiden naar het Internet. Daarmee is ruimte gewonnen maar nog niets opgelost, want die artikelen bepalen dat de drukker en uitgever niet aansprakelijk zijn voor de inhoud van een geschrift als de auteur zich op Nederlands grondgebied bevindt. Dus luidt vervolgens de vraag of de dader van het uitingsdelict alleen strafbaar is in het land waar hij die informatie op het Net heeft gezet of ook in al die landen waar de betreffende informatie kan worden ontvangen. 'In het eerste geval is effectieve controle nauwelijks mogelijk’, hield Sorgdrager de aanwezigen voor. 'Men begeeft zich eenvoudigweg naar het land waar de wetgeving voor een bepaald type informatie het soepelst is. In het tweede geval, wanneer de strengste wetgeving de norm is (denk aan Rushdie!): wat blijft er dan nog over van de vrijheid van meningsuiting in de global village?’
De oplossing moet worden gezocht in internationale regels die niet materieel van aard zijn maar een procedure voor de opsporing bieden. En wel zo dat iemand die in eigen land legaal handelt, niet in gevaar wordt gebracht. En zo biedt paradoxaal genoeg de nationale rechtsstaat een vorm van bescherming aan mensen die zich met behulp van de pc aan de lokale verbanden willen onttrekken.
EEN ANDER GEVOLG van de communicatietechnologie is dat het grondgebied niet meer af te schermen is tegen in het buitenland beschikbare informatie of voorzieningen. Plannen om de gokverslaving tegen te gaan door het aantal automaten in cafés en snackbars te beperken, zijn volstrekt illusoir als de fruitmachine opgehaald kan worden uit cyberspace. De elektronische dimensie zal dan ook voortaan bij het opstellen van nieuwe wetten meegewogen moeten worden. Om te voorkomen dat een aanbieder van informatiediensten zelf ergens op de wereld het voordeligste belastingregime kan kiezen, kan het bijvoorbeeld nodig zijn dat niet de verblijfplaats van de onderneming maar de nationaliteit van de ondernemer tot aanknopingspunt voor de wet te maken.
Inderdaad, het Internet overschrijdt de grenzen van de natie, maar dat gebeurt meer in economische zin dan in juridische zin. Het is niet ondenkbaar dat de nationale grondslag voor belastingheffing op den duur zozeer versmalt dat we internationale vormen van afdrachten moeten gaan organiseren. Maar ook dit gegeven valt niet uitsluitend te scharen onder de noemer 'gevolgen van de elektronische snelweg’, immers, het weglekken van fondsen vloeit net zo goed voort uit de liberalisering van het kapitaalverkeer eind jaren zeventig. Er wordt reeds gestudeerd op de zogeheten Tobin-tax, het voorstel om een klein promillage af te romen van de omzet op de valutamarkten, die tegenwoordig wordt geschat op 1300 miljard dollar per dag.
BIJ EEN SNELLE toename van het wereldwijde gebruik van informatietechnologie kunnen er dus afstemmingsproblemen ontstaan in de vier domeinen die met elkaar de eenheid van de natie gestalte geven: de staatshuishouding, de rechtsstaat, de verzorgingsstaat en de democratie. Over de laatste functie schrijven de meeste auteurs. Het is ook een fascinerend probleem, vooral voor een politicus in een tijd dat de politiek toch al niet populair is. Wat mij bevreemdt aan de veronderstellingen van bestuurskundige Paul Frissen is dat hij geen alternatieven aandraagt die borg staan voor een fatsoenlijke democratische controle op de macht. In zijn postmoderne visie is geen plaats voor gekozen politici in nationale of regionale bestuurlijke organen. Maar wie is er dan voor verkeerde besluiten verantwoordelijk en aanspreekbaar?
De uitbreiding van de particuliere levenssfeer via het Internet is zowel uitdagend als bedreigend. Maar het frequenteren van cyberspace leidt niet direct tot het afleggen van de nationale of culturele identiteit. Integendeel, naarmate de wereld onoverzichtelijker wordt en vertrouwde verbanden dreigen te verdwijnen, neemt de obsessie met het eigene doorgaans toe. We hebben daar in Europa de laatste tijd treurig stemmende voorbeelden van gezien. In de bundel Het nut van Nederland schrijft Paul Scheffer: 'Culturele internationalisering is een heel tegenstrijdig proces. Door de uitzendingen van CNN ontstaat een global village, maar het bombardement van “slecht nieuws” geeft ook het gevoel te leven in een belegerde stad. Het leidt tot openheid en afsluiting tegelijk, en wat de doorslag zal geven is allerminst zeker.’
Om het onheil te bezweren richten wij daarom onze Windows op de wereld vanuit een lokaal vertrekpunt. Op onze homepages etaleren we alle facetten van onze culturele identiteit. Bezoek voor de aardigheid maar eens de site http://www.dd-spakenburg.nl/los. Daar leest u alles over de programmering van de lokale omroep Spakenburg. Een radio-commercial van dertig seconden kost door de week vijf gulden en zeven gulden vijftig in het weekend. En wie zich nog meer in de vaderlandse cultuur wil verdiepen, kan ook de sites van de lokale omroep te Schiedam, Skarsterlan, Soest of Someren proberen.