Het vlaamse vlakgom

Duitse literaire prijzen, Duitse eredoctoraten, een uitnodiging voor een redevoering in Berlijn. Een aantal Vlaamse schrijvers accepteerde deze eerbewijzen met graagte tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zoniet Willem Elsschot. Die is boven iedere twijfel verheven. Of toch niet?
VIJFTIG JAAR GELEDEN, op 12 april 1946, stierf August Borms. Hij was 68 jaar. Op de binnenplaats van de gendarmeriekazerne in Etterbeek strompelde hij, hangend tussen twee krukken, naar de gereedstaande paal. Hij weigerde een blinddoek en het laatste dat hij riep, voordat de schoten vielen, was: ‘Dietsland, houzee!’

Hij was een ‘zwarte’, die zich zowel in de Eerste als in de Tweede Wereldoorlog aan de kant van de Duitsers had bevonden en daarvoor twee keer tot de doodstraf werd veroordeeld, in 1919 en in 1945. De eerste keer kwam hij er met levenslange hechtenis van af, waarvan hij tien jaar heeft uitgezeten, de tweede keer werd het vonnis voltrokken. Het was een milde voorjaarsochtend, het zonnetje scheen, Borms wees naar het blauwe zwerk en zei: 'Makkers, mooi weer vandaag om voor Vlaanderen te sterven.’
Wat heeft Borms met literatuur te maken, wat geeft mij in te refereren aan de vijftigste verjaardag van zijn dood?
Enige tijd geleden viel mij een overvloedig geillustreerd boek in handen: La Belgique a l'heure allemande door J. De Launay (Editions J. M. Collet, Brussel, 1981). Daarin trokken twee foto’s in het bijzonder mijn aandacht.
Van de ene foto luidt het onderschrift: 'Daels et Borms dans la crypte de la tour de l'Yser (aout 1941).’
Frans Daels, medicus en hoogleraar. Ook hij werd, in 1946, door de krijgsraad bij verstek ter dood veroordeeld. Hij bevond zich op dat tijdstip in Zwitserland (in 1959 werd hij gegratieerd en keerde hij naar Belgie terug). Op initiatief van Daels bleven tijdens de Tweede Wereldoorlog de IJzerbedevaarten, - gehouden ter herdenking van de Eerste - gewoon doorgaan. Voorgaande doden mochten niet worden vergeten, bovendien bood de manifestatie de gelegenheid om het Vlaamse zelfbewustzijn ononderbroken te blijven demonstreren.
Op de foto ziet men Daels en Borms met uitgestrekte, schuin omhoog gerichte rechterarm de fascistengroet brengen. Borms heeft er zijn lippen bij vaneen: omkaderd door knevel en kinbaard zijn zijn tanden te zien, wat mij de associatie met het woord 'verbeten’ ingeeft. Hij zegt of roept iets. Gelet op de vonkende blik in zijn ogen, zal het allicht niet een gezellige opmerking over het weer zijn geweest. De Vlaamse leeuwenspeld tooit zijn stropdas.
Naast deze foto is een andere afgedrukt: een begrafenisstoet. Wie daar met Germaanse pomperij, in een met de Vlaamse vlag oversluierde kist, op de schouders getorst van een stelletje aterlingen in SS-uniform, naar zijn kuil wordt gedragen, is Staf de Clercq, oprichter van het Vlaamsch Nationaal Verbond. Hij was de zich 'leider’ noemende figuur die Vlaanderen heeft meegesleept in een resolute collaboratiepolitiek met Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zou hij die hebben overleefd, ook over hem zou het doodvonnis zijn uitgesproken. Hij overleed in Gent, op 22 oktober 1942, maar op de foto zijn we drie dagen later in Brussel op de Grote Markt, waar horden mensen hem de laatste groet komen brengen: de rechterarm gestrekt, schuin omhoog. Onderschrift: 'Les memes menent le deuil a l'enterrement de Staf de Clercq.’ En ja waarachtig, daar lopen ze voor de kist uit, Borms links, Daels rechts, beide de arm in het door de club voorgeschreven groetgebaar.
Doodvonnis naast doodvonnis, voor het lijk uit marcherend van iemand die dank zij het lot hetzelfde verdict is ontgaan.
Dat deze plechtigheid op 25 oktober 1942 plaats vond, weet ik uit literaire bron. Ergens in de menigte stond namelijk ook de populaire schrijver Ernest Claes met de rechterarm opwaarts in een hoek van 45 graden. Vroeg in de jaren tachtig verscheen een rommelige selectie Uit de dagboeken van Ernest Claes (samengesteld door A. van Hageland, Davidsfonds, Leuven), waarin sub onderhavige datum, daags na Claes’ zevenenvijftigste verjaardag, een en ander over de uitvaart is te lezen. Onder meer dat de Belgische clerus er schitterde door afwezigheid. 'Ik geloof dat dit de geestelijkheid eenmaal duur zal te staan komen’, meende de auteur, wiens handtekening in het officiele rouwregister, dat vast nog wel ergens wordt bewaard, moet zijn terug te vinden: - dat hij die handtekening zette, staat in zijn dagboek.
Hij was ontroerd en in de rouw voor Vlaanderen: voor Claes was het perfide Vlaamsch Nationaal Verbond een nobel uitvloeisel van de Vlaamse Beweging, zoals hij ook dacht dat het verzet te veroordelen was als 'verblinding’ dergenen die ertoe werden 'aangespoord door de agenten en handlangers van Rusland’ en hij ook dacht dat van Cyriel Verschaeve het eeuwig Heil (!) viel te verwachten. Bij de bevrijding kwam hij in de gevangenis terecht als 'slachtoffer van de repressie’. Het waarom daarvan begreep hij niet, wat had hij nu helemaal gedaan? Dagboek, 12 juni 1944: 'Wat men me verwijten kan, is me niet heel duidelijk: een interview, de hand opsteken, aanwezigheid hier en daar, o.a. op de begrafenis van Staf de Clercq. Och Here toch!’
MET HET VLAKGOM DER vergoelijking bij de hand wordt van het bedenkelijke gedrag van sommige Vlaamse schrijvers tijdens de Tweede Wereldoorlog tamelijk gemakkelijk beweerd en volgehouden dat het voortkwam uit argeloosheid en 'naiveteit’. Wat school er voor kwaad in het accepteren van een Duitse literaire prijs (Felix Timmermans) of van een Duits eredoctoraat (Cyriel Verschaeve), en waarom zou men in volle bezettingstijd niet te Berlijn in een gloedvolle rede mogen betogen dat er zoveel overeenkomstigs is aan te wijzen in de Vlaamse en Duitse volksaard en literatuur (Gerard Walschap)? Wat is er tegen een aangenaam etentje in gezelschap van hooggeplaatst moffenrapalje van de Propaganda Abteilung (Ernest Claes en Filip de Pillecyn op 8 december 1942)? Waarom zou men de bezetter niet hartelijk bij zich thuis mogen onthalen op een goed glas wijn en een intellectueel gesprek bij de open haard (Stijn Streuvels)? En dat openlijk brengen van de fascistengroet, wat was daar nu zo verschrikkelijk fout aan - dat gebaar was immers maar 'een symbool’?
Aan deze Duitsvriendelijkheid was alles fout, en wie het allemaal wil blijven verdoezelen onder het begrip 'naiveteit’ lijkt met een zwarte lap voor zijn ogen en zijn vingertoppen in een gipsverband uit een brailleboek te willen voorlezen. Het was allemaal maar 'kleine collaboratie’, jawel, en het had dikwijls slechts te maken met smalburgerlijk opportunisme, zeker. Vergeleken met ernstige collaboratie, zoals die van de schrijver Wies Moens - doodvonnis - waren het kruimelzonden. Maar fout was fout, het foute was van morele aard en de fascistengroet was en is als 'symbool’ niet minder dan een stellingname: zo dommig en naief waren Vlaamse schrijvers nu ook weer niet, om zulks helder te kunnen inzien en begrijpen. Het merendeel der Vlaamse schrijvers heeft zich tijdens de Tweede Wereldoorlog niet in zogenaamde 'naiveteit’ en geestelijke gemakzucht ingeduffeld, is niet ezelachtig achter de verkeerde ideologieen aangehold en heeft naderhand geen hypocriete zeepjes nodig gehad om enig zwart op de ziel weer wit te krijgen. Er zijn ook Vlaamse schrijvers in naam van 'het symbool’, het hakenkruis, de opgeheven rechterarm, naar Duitse concentratiekampen afgevoerd om er te creperen: Victor J. Brunclair, Kamiel van Baelen.
Terug naar Borms. De voorman met de eretitel 'het geweten van Vlaanderen’ is ettelijke keren het onderwerp van verskunst geweest.
In de Nagelaten gedichten (1937) van die andere De Clercq, Rene - doodvonnis na de Eerste Wereldoorlog - staat het gedicht 'Het kommando’. Het vangt aan met de regels:
De korporaal schreeuwt: 'Borms of Daems, het moet hier uit zijn met uw Vlaamsch!’ Met 'Daems’ zal wel een knipoog zijn bedoeld naar Daels, maar op die naam rijmt wel 'Waalsch’, niet 'Vlaamsch’.
Ook Steven Barends heeft Borms bezongen. Dit was een Nederlandse dichter uit de school van Marsman, wiens naam voorgoed bezoedeld is geraakt vanwege zijn vertaling in het Nederlands van Adolf Hitlers Mein Kampf (overigens vertaalde hij ook nog enige werken van Joseph Goebbels). Uit een zijner verzen komt, in stampend marstempo, dit citaat:
En in dien nieuwen dag, de kop om niet gedoken door niets geknecht, door geen geweld gebroken de Dietsche hamer in de Duitse vuist - stond Borms. In deze dichtersrij passeert vervolgens Willem Elsschot, in het dagelijks leven Alfons De Ridder geheten. Zijn vers over 'die oude, door de pest geslagen krukkenvent’ is een epineuze casus. Het is de laatste literaire tekst die hij aan zijn pen heeft ontwrongen: gedateerd maart 1947, bijna een jaar na de executie van Borms. Het gedicht, kortweg 'Borms’ geheten en bevlagd met twee motto’s uit de bijbel, is de schrijver niet in dank afgenomen en vertroebelt tot op de huidige dag zijn reputatie, temeer daar het nogal eens met verkeerde bedoelingen door verkeerde monden wordt geciteerd. De toekomstige Elsschotbiograaf zal aan dit detail uit 'schrijvers leven en oeuvre nog een zware maaltijd te verhapstukken krijgen.
ELSSCHOT IN DE TWEEDE Wereldoorlog: zijn integriteit staat buiten iedere twijfel. Hij had een gezonde afkeer van de bezetter en hield zich, in het stille kustplaatsje Sint-Idesbald, zo veel mogelijk gedeisd. Elsschot, verre van 'naief’, was meeloper noch held - hij moest zien dat hij in de benarde tijd zijn gezin en zichzelf in leven hield, en verder niets. 'Niets doen’ achtte hij in de gegeven situatie het raadzaamst, zoals hij in 1939 al schreef in Brief aan mijn zoon. 'De wijze gaat liefst onopgemerkt voorbij.’ In dezelfde tekst is nog te lezen: 'Men heeft ons waarachtig lang genoeg aangewreven dat de Belgen de dappersten aller Galliers zijn en het wordt dus hoog tijd dat wij, onder alle Galliers en Germanen, eindelijk eens gaan uitblinken door omzichtigheid.’
Hoe kwam hij ertoe na de oorlog zonder een grein omzichtigheid Borms te bezingen, de geexecuteerde, met voorbijzien aan al diens laakbaarheden karakteriserend als 'die stoere Belg’, ja zelfs toesprekend met 'vermetele oude vriend’? Hoe verwonderd en verward zou men in Nederland hebben gereageerd als de dichter Adriaan Roland Holst het in 1946 in zijn hersens zou hebben gehaald een dergelijk vers te schrijven bij het overlijden van de ter dood veroordeelde landverrader Meinoud Rost van Tonningen? Of, mutatis mutandis, men stelle zich de verbijstering voor als bij het verscheiden van Filip Dewinter in ’t Pallieterke een homilie in dichtvorm zou verschijnen van Tom Lanoye.
Tot overmaat kwam Elsschots vers in het niet zo koosjere, satirische weekblad Rommelpot terecht. Hoe, is vooralsnog onopgehelderd, al zijn er aanwijzingen en getuigenissen (opgetekend door Gaston Durnez in Vlaamse schrijvers: vijfentwintig portretten) waaruit zou zijn op te maken dat Elsschot zelf de oerversie van zijn Borms-vers ter redactie van Rommelpot heeft gedeponeerd.
Louis Paul Boon heeft getracht, op vriendschappelijke toon en blijk gevend van bewondering en respect voor Elsschots schrijverschap, Elsschot te laten inzien dat het Borms-vers zijns bedunkens hier en daar stonk. In een brief, 24 maart 1947, schreef hij 'Beste De Ridder: Gij hebt moed. Gij durft tegen heel de wereld stroom op te roeien. Dat is zeer mooi van u. Maar besef tevens dat door de schuld van de Bormsen (slachtoffer van de even grote schuldige de Belgische Staat) zovelen mijner vrienden gestorven zijn in Dachau, in Breendonk, in Buchenwald.’
Boon zag zeer wel in dat Elsschots gedicht in de eerste plaats was bedoeld als een aanklacht tegen 'de Belgische Staat’, die de Vlamingen in hun streven naar gerechtvaardigde mondigheid de muilkorf krachtig bleef voorbinden. En dat August Borms iemand was geweest die zich daar zijn leven lang tegen had verzet. De cultuurflamingant Elsschot zag in de fusillade van Borms de zoveelste doodklap van 'Vlaanderens Eergevoel’, toegediend door de overheid, vooral ook niet te vergeten die van Roomse zijde. Borms dus voorgesteld als 'symbool’ van de machteloze strijd van de ten achter gestelde Vlaming.
Al werd uw oude romp in allerijl vermoord, de echo van uw stem wordt door geen schot gesmoord. En wat van u resteert wordt eenmaal, naar de Wet van Vlaanderens eergevoel, met staatsie bijgezet. 'Ik schijt op Belgie, (…) op Vlaanderen’, schreef Boon aan Elsschot. Met 'de mens Borms’ kon hij zich desnoods nog wel verzoenen, maar in geen geval 'met het symbool Borms: ik heb door de trawanten van dat symbool genoeg vrienden weten neerkogelen.’ Hartstochtelijk uitte hij zijn afkeer van termen als 'Vlaanderens Eergevoel’ en 'het Vlaamse volk dat genoeg gebedeld heeft aan de poort’: 'Ik haat zoiets, vriend De Ridder, ik walg van die dingen. Vandaag of morgen zullen zij weer door onze straten trekken met hun leeuwenvlaggen, hun benagelde botten (spijkerlaarzen - jb), hun roffelende trommen.’
Inderdaad. En heden is het zover.
ZOU ELSSCHOT DEZE hartekreet van Boon echt niet hebben begrepen? ’(Hij) heeft zich inderdaad nooit over zijn Borms-gedicht geschaamd. Integendeel. Hij stond ook toe dat Vlaams-nationalisten het gebruikten’ (Gaston Durnez).
De dichter Elsschot stond kennelijk uitsluitend de literaire merite van zijn vers voor ogen. 'Het komt mij voor dat het een goed gedicht is’, leest men in een van zijn brieven (26 juni 1947). En in een andere brief (9 juli daaropvolgend): 'Het eenige wat mij erin interesseert is de lyrische waarde en om die te kunnen beoordelen moet men abstractie maken van de politiek.’ Alsof hij, op zijn beurt, politiek bijziende was geworden a la Ernest Claes. 'Hier is het gedichtje, zooals beloofd. Zoo erg is het immers niet?’ schreef hij op 13 maart 1947 aan zijn zwager, vriend en biograaf Frans Smits. Het klinkt als een naoorlogse echo van de tijdens de oorlog veelgehoorde rechtvaardiging, c.q. bagatellisering ('Och Here toch!’) van slap gedrag.
Intussen is al jaren bekend dat er nog een dergelijk vers van Elsschot bestaat. Hij schreef het voor de Antwerpse advocaat Edgar Boonen, die in 1940 in een redevoering voor de Antwerpse Balie 'de nationaal-socialistische wereldbeschouwing’ geestdriftig had aangeprezen, 'waarvan de werkelijke waarde door Duitschland reeds op zo treffende wijze is bewezen geworden’. Boonen had in 1935 al een inleiding geschreven bij een boek van prof. dr. Frans Daels: Acht voordrachten voor onze studenten. Na de oorlog werd hij van de Balie verwijderd, maar in 1950 alweer in zijn rechten hersteld, terwijl over zijn antisemitisme een dikke laag beton werd uitgestort. De peetvader van een van Boonens kinderen was Wies Moens, terwijl Willem Elsschot bij de Boonens een altijd welkome huisvriend was. Bij Boonens herbenoeming aan de Balie wrochtte Elsschot een poeem dat nooit voor publikatie is vrijgegeven. Het ding heeft tot Boonens dood ingelijst in zijn huiskamer gehangen, waar het eenieder verboden was het te fotograferen, anderzins te kopieren, hardop voor te lezen in de microfoon van een bandopname-apparaat of van buiten te leren. Heden is het in het bezit van de erven, die het zelden meer aan het daglicht blootstellen. Ik ontleen deze gegevens aan de inleiding van Benno Barnard bij een bloemlezing uit de poezie van Eddy van Vliet (Dichters van nu, Poeziecentrum Gent 1992). Elsschots 'gedrocht’, aldus Barnard, zou van dusdanig compromitterend kaliber zijn, dat bij openbaarmaking ervan de Blauwvoet van schrik uit de Vlaamse stormlucht zou tuimelen.
Interessant ook is om in de Brieven van Elsschot (Querido, 1993) document nummer 953 eens na te slaan. Wat aldaar als 'brieffragment’ wordt gepresenteerd, omdat het als citaat is overgenomen uit een jubileumboek (1982) van het Koninklijk Atheneum te Antwerpen, is in werkelijkheid niet een fragment, maar een volledige brief, aanvangend met 'Geachte Heer’, ondertekend met zowel 'Willem Elsschot’ (in typemachineletter) als 'A. De Ridder’ (met de pen gezette handtekening). De brief is getypt op het briefpapier van De Ridders publiciteitskantoor, maar draagt geen datum: de samenstellers van Elsschots Brieven traceren de tekst ’+ 1952’. Ik vond een verkleind facsimile van het document in Gedenkboek Wies Moens (Stichting Mercator-Plantijn, Antwerpen 1984), samengesteld en ingeleid door Erik Verstraete. De brief luidt:
'Met al de onstuimigheid waarvan een zeventigjarige nog blijk kan geven, sluit ik me aan bij uw hulde aan Cyriel Verschaeve. Ik begroet in hem de trouwe, de onverzettelijke Vlaming die voor niemand, ook niet voor de machtigsten, zijn nederigste pastoorshoed heeft afgenomen. Hij is Vlaming geboren en als Vlaming gestorven. Indien wij allen zijn voorbeeld volgen, dan is de Vlaamse zaak niet alleen gered maar dan bestaat er geen Vlaamse zaak meer. Dan zetten wij op de gewezen Vlaamse zaak een zware voet waaronder al die onverkwikkelijke laksheid tot stof wordt getrapt.’
In de vroege jaren vijftig nog zo verblind? Onderpastoor en schrijver Cyriel Verschaeve: in 1946 ter dood veroordeeld - hij ook al, mijn expose komt vol te staan met zwarte kruisen - omdat 'zijn voorbeeld’ waarachtig niet dermate stichtend was als Elsschot zo ontstuimig verkondigde. 'Ik zal er voor zorgen dat Belgie mij na mijn dood verafschuwe’: woorden van Verschaeve, hij overleed in 1949 in een dorp in Tirol.
Wie was de 'Geachte Heer’ aan wie het schrijven was gericht? Dat was Karel Dillen, oprichter van het Vlaams Blok, van welke organisatie hij voorzitter is voor het leven. Verdediger van integraal nationalisme, propagandist van extreem-rechtse maatregelen: - ook reeds in de jaren vijftig. Dillen heeft August Borms eens gekenschetst als 'de Kristus van de Vlaamse beweging’ en 'de uitgepuurde vuurkern van ons nationalisme’. Elsschot was het er klaarblijkelijk helerharte mee eens en zijn brief zal wel secuur in een brandvrij Blok-archief zijn opgeborgen, want hij kan nog van pas komen. Het 'historisch besef’ van het Vlaams Blok is om je hart bij vast te houden. De bezem op de Blok-affiches: het is maar een 'symbool’, nietwaar, net als de bokshandschoen, het hakenkruis en de Hitlergroet. Het is het symbool van de 'Grote Kuis’ zoals de Blok-slogan luidt en waarvoor de partij de mouwen reeds heeft opgestroopt. Hetzelfde bezemsymbool en dezelfde slogan ('Groote Kuisch’) dienden in 1936 de nazistische Rex-beweging van Leon Degrelle (a propos, ter dood veroordeeld). Elsschot moet toen de affiches in de straten hebben zien hangen, mogelijk heeft hij erbij gepeinsd: 'De wijze gaat liefst onopgemerkt voorbij.’ Dillen verklaarde in 1988 in een interview in Panorama over de inval van de nazi’s op 10 mei 1940: 'Voor ons was het of de vakantie vroegtijdig begon.’ En Cyriel Verschaeve jubelde uit:
Zie, ’t oosten bloost en Vlaanderens zonne gaat aan ’t dagen. 'Regelmatig wordt getracht te bewijzen dat Elsschot sympathiseerde met de bezetter’, merkt Ida De Ridder op in haar boek Willem Elsschot, mijn vader (Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 1994). Haar vader was niet 'zwart’, zo betoogt zij geheel naar waarheid. Het staat vast dat onderhavige waarheid in ieder geval geldt voor Elsschots onbesproken gedrag gedurende de Duitse bezetting van Belgie. Maar daarna? Zijn vers over Borms, zijn vers voor Edgar Boonen, zijn veneratie voor Verschaeve, zijn brief aan Karel Dillen: stuk voor stuk zijn het jammerlijke misstappen. Men kan ook fout zijn na de oorlog.
Elsschot bezocht toen tamelijk frequent drankgelegenheid Rubenshof aan de Antwerpse Groenplaats. Wat had hij te zoeken in dit clublokaal voor 'zwarten’, waarvan de overleden eigenaar oorlogsverslaggever aan het Oostfront was geweest? De spijskaart vermeldde toen nog 'Germaanse krachtvleesschotel’ als aanbevolen lekkernij. Zat hij er aan zijn laatste verzen te vijlen, schreef hij er het klad van zijn Verschaeve-verheerlijking op een bierviltje?
VOOR HET LAATST terug naar Borms nu.
Ook Borms, vijftig jaar geleden vastgebonden aan de executiepaal, het oude hoofd gestreeld door Vlaanderens zonnestralen in afwachting van de geweerschoten, ook Borms is 'symbool’ geworden. Maar waarvan? Van zonsverduistering. Van zwart licht. Wie weet nog wie August Borms is geweest, wiens krukken, waarmee hij zich vanwege rugpijnen overeind moest houden, dikwijls genoeg zijn geassocieerd met het stokske van Oldenbarneveld?
Tien jaar geleden stond in ’t Pallieterke (15 mei 1986) een aan Borms’ nagedachtenis gewijd vers van tien kwatrijnen door Maurits Bilcke. Titel: 'Het vaderlands geweten’. Hier zijn, bij wijze van tegenhanger van Verschaeves zonnige optimisme, het achtste en het tiende couplet:
In houwe trouwe totterdood. Geschiedenis uit wraak geschreven, met blinde haat bij moord bedreven. De zon gaat onder. Bloedigrood.
De leeuwenvlaggen in de wind, een lentewind als in die morgen toen men zijn lichaam heeft geborgen.
'En wie was Borms?’ vraagt ons een kind.’