‘Het vliegt alle kanten uit’

De keuze uit de lange lijst stipendiaten van het Fonds BKVB werd gemaakt door drie heren: Roel Arkesteijn, conservator van het GEM, Museum voor actuele kunst, Wim van Sinderen, conservator van het Fotomuseum, en Wim van Krimpen, directeur van het Fotomuseum, het GEM, Museum voor actuele kunst en het Gemeentemuseum Den Haag.

Medium samenstellers

Ten eerste: wat betekent volgens u zo’n stipendium voor kunstenaars?

Roel Arkesteijn: «Je krijgt het in een tijd dat je net van de academie bent. Je hebt geen mentor meer zoals je die op de academie had en je hebt nog geen galerie. Daar komt het voor de meeste kunstenaars op neer, die tussenperiode, om die op te vangen.»

Wim van Krimpen: «Wat goed is, is dat je in het begin mogelijkheden krijgt om je te ontwikkelen. Lukt het niet? Dan ga je ander werk zoeken.»

Hoe hebben jullie het kiezen aangepakt?

Wim van Sinderen: «We hebben een selectie gezien uit zevenhonderd aanvragen. Commissies van het Fonds hebben daar de stipendiaten uit gekozen – zevenhonderd aanvragen, 196 toekenningen – en uit die 196 hebben wij er weer twintig geselecteerd.»

Van Krimpen: «Een vergelijkend examen. Dat is duidelijk. Een dagje in het donker zitten. Alleen dia’s kijken, en dia’s, cd-roms, dvd’s…»

Ieder van u koos zeven kunstenaars?

Van Krimpen: «Nee, het is een gemeenschappelijke keuze, maar we hebben de bezoeken verdeeld. We hebben er allemaal zeven bezocht.»

Van Sinderen: «Er is niet naar het medium gekeken, niet geografisch gekeken, en eigenlijk ook niet naar leeftijd. Behalve bij één.»

Van Krimpen: «D’r is één iemand uitgevallen die al over de zestig was. Dat vonden we toch ietsje te…»

Moesten het «jonge» kunstenaars zijn? Van dezelfde generatie?

Arkesteijn: «Nee. Eigenlijk helemaal niet. Wel beginnende kunstenaars, ‹jong› in termen van een ‹jonge carrière›. Benoit Goupy, bijvoorbeeld, is net weer wat ouder dan de anderen, maar die heeft al een hele andere carrière achter de rug: hij was teammanager bij een multinational voor auto-onderdelen.»

Wat wilden jullie van die jonge carrières laten zien?

Arkesteijn: «Een soort statements, een soort signalementen.»

Van Sinderen: «Een deel kenden we al, die zitten zelfs al in de collectie, dus daar waren we van overtuigd. Een ander gedeelte hadden we wel van gehoord, en kenden we het werk van; daarnaast was er een aantal ‹dark horses›, waar we wel mee in zee wilden, en waar we tot nog toe niet teleurgesteld in zijn.»

Wat zijn de verrassingen?

Van Krimpen: «Als je een gemeenschappelijke lijn in de tentoonstelling zoekt, die zul je niet vinden. Het vliegt alle kanten uit.»

Arkesteijn: «Er zit een aantal mensen tussen die in het buitenland al verder zijn dan in Nederland. Zo iemand als Marijn Akkermans, die heeft een hele carrière in het buitenland, allemaal groepstentoonstellingen met internationale grootheden, en in Nederland heeft bijna niemand van hem gehoord.»

Van Sinderen: «We hebben niet naar medium gekeken, en er bleek uiteindelijk tot onze grote verrassing maar één schilder tussen te zitten. Maar we zijn niet gaan middelen: ‹… we hebben maar één schilder, dan moeten er nog twee schilders bij…› Niet gedaan.»

Arkesteijn: «Relatief veel tekenaars en fotografen, een paar filmers.»

Van Sinderen: «Ook in waar ze vandaan komen: iemand van de Design Academie uit Eindhoven, Minerva, AKI, de Rietveld uiteraard.»

Arkesteijn: «Ze wonen wel meestal in de Randstad. Veel Rotterdammers, veel Amsterdammers.»

Van Krimpen: «Gelukkig ook één Hagenaar erbij. Maar je ziet dat Rotterdam en Amsterdam dé kunststeden zijn.»

Van Sinderen: «Rotterdam heeft zich de laatste tien jaar als kunstenaarsstad genesteld naast Amsterdam.»

Van Krimpen: «Van Sinderen en ik hebben daar hard aan meegewerkt door de Kunsthal te beginnen! (lacht) Dat heeft met gemeentelijk beleid te maken, hè. Rotterdam heeft heel bewust een stimulerend beleid en een atelierbeleid voor kunstenaars gevoerd, en dat begint zich uit te betalen. Als je nu een tentoonstelling zou willen maken over Rotterdamse kunstenaars, dan zitten daar allemaal grote namen bij, Van Lieshout, noem maar op. In Den Haag zou dat een stuk problematischer zijn.»

Hoe zijn ze, die kunstenaars? Dromerig? Zakelijk?

Wim van Krimpen: «Ik vind iedereen zo aardig! Ze zijn allemaal zo sympathiek, zo sociaal vaardig! Echt, d’r is helemaal geen forum met gesprekken nodig over hoe kunstenaars moeten opereren in de maatschappij; alle mensen die ik bezocht heb weten precies wat ze willen en ook hoe ze het moeten doen.»

Roel Arkesteijn: «Ze zijn ontzettend handig, in het vinden van de weg naar geld, naar kopers, praten goed met de pers, zijn heel mondig.»

Van Krimpen: «Vroeger waren die atelierbezoeken vaak treurig. Een beetje somber. Dan kwam je in zo’n atelier en na een kwartier moest je toch echt vragen of ze misschien thee hadden – en ondertussen maar mopperen. Je merkt dat deze mensen allemaal toch erg opgewekt bezig zijn, en de dingen die ze niet krijgen, dat ze die wel binnenhalen. Dat is een groot verschil met vroeger, met de BKR-tijd. Ik vond het buitengewoon inspirerend. Ze zijn met hun kunst bezig, ze zijn met hun eigen leven bezig, ze maken boeken. Niet zo nauw. Die kunnen zich prima redden.»

Wim van Sinderen: «Daar wordt op academies heel veel aandacht aan besteed, misschien wel een beetje te veel. Studenten zijn nu de lastigste kunstenaars, omdat ze zo mondig zijn, niet gauw tevreden. Ze leren om voor hun ding te gaan staan, dat je moet onderhandelen om die dingen gedaan te krijgen die je graag wilt. Maar dat schiet wel eens door. Als je jong bent.»

Van Krimpen: «Ook opvallend: dat ze zich niet ontzettend bezighouden met verkoop, maar met ‹projecten›.»

Arkesteijn: «Melvin Moti, bijvoorbeeld, vertelde dat hij verschillende aanbiedingen van galeriehouders heeft, maar dat hij die afhoudt, bewust, omdat hij wacht op iets beters, iets internationalers. Voor een beginnende kunstenaar vind ik dat heel stoer.»

Van Krimpen: «En ze zitten over de hele wereld. Heel opvallend: ze gebruiken dat stipendium om naar Chicago te gaan, of naar Thailand of naar weet ik waar, allemaal, zonder uitzondering zijn ze op weg.»

Arkesteijn: «Allemaal artists in residence, dat is het codewoord nu.»

Van Krimpen: «Ze hebben een thuisbasis, dat is Nederland, en voor de rest zijn het wereldburgers.»

Arkesteijn: «Wat ik ook typerend vind is dat veel van die kunstenaars van stijl wisselen, als het ze uitkomt. Heel eclectisch. Hybride!»

Van Sinderen: «Dan weer op gas, dan weer op benzine!»

Arkesteijn: «Heel erg van project tot project, per situatie bekijken wat voor werk ze maken. Moti, die bekend is om zijn video’s, komt nu opeens met een installatie.»

Gaat het dus vooral om netwerken, allianties, projecten?

Van Krimpen: «Vroeger had je met de Ateliers en de Rijksacademie dat ‹meester en leerling›-verhaal, dat zie je eigenlijk niet meer. Vroeger had je Dibbets, Van Elk, dat waren de meesters; de rest was leerling en het probleem was vaak dat je je leven lang leerling bleef. Dat is weg.»

Van Sinderen: «Een ontwikkeling van nu is dat heel veel kunstenaars elkaar helpen. Als de ene net even dat stukje expertise mist gaat-ie naar een collega-kunstenaar, en die vult dat in. Die hoeft z’n naam er niet eens bij te zetten.»

Maar één schilder? Wat zijn dan tegenwoordig de belangrijkste disciplines?

Arkesteijn: «De meesten hebben helemaal niet een traditioneel atelier of zo. Het is meestal een kamertje in huis, waar de laptop het belangrijkste hulpmiddel is, en waar alles wordt gemixt en ge-edit, en gemonteerd, gemanipuleerd.»

Van Sinderen: «Je neemt je laptop mee, naar China of naar Thailand, je bent overal online, je bent altijd daarmee bezig.»

Arkesteijn: «Altijd aan ’t e-mailen, naar potentieel geïnteresseerden. Een enorme omslag.»

En waar gaat hun kunst over? Is er bijvoorbeeld maatschappelijk engagement?

Arkesteijn: «Ik was laatst in New York: alleen maar politiek. Jonge kunstenaars daar zijn heel geëngageerd. In Nederland heb je dat niet.»

Van Krimpen: «In Nederland is dat volstrekt afwezig.»

Arkesteijn: «Je ziet ook nauwelijks kunsthistorische connecties. Daar heeft het zich langzamerhand helemaal van losgezongen. Wat nu een enorme opgave is voor kunstenaars is beeldcultuur. Als deze twintig al ergens door beïnvloed zijn, dan is het dat. Je wordt doodgegooid met beeld, de hele dag, media, televisie, internet. Hoe ga je daarmee om? Wat zet je daar tegenover? Ik denk dat al die kunstenaars daar op de een of andere manier mee worstelen. Proberen sterke beelden te creëren, die het op de een of andere manier opnemen tegen, of commentaar leveren op die beeldcultuur.»

Van Sinderen: «We hebben heel weinig mensen gekozen die echt puur autobiografisch bezig zijn – ik, kunstenaar, ben een god in mijn gedachten. Het is allemaal heel erg ‹reageren op wat er om je heen gebeurt›, dat verwerken, daar een kritische vorm voor te vinden, of een grappige, of een banale.»

Is er iets te zeggen over de kwaliteit? In vergelijking met de rest van de wereld?

Arkesteijn: «Moeilijk.»

Van Sinderen: «Lastig, lastig.»

Van Krimpen: «Niks over te zeggen.»

Van Sinderen: «Nederland staat nu in de belangstelling voor zijn design en zijn architectuur, en beeldende kunst even niet zo, nee. Al heel lang zitten we d’r vaak niet bij in de grote lijstjes, of belangrijke plekken, grote manifestaties. Op de afgelopen Biennale van Lyon: geen enkele Nederlander. Als ik in Berlijn ben, en ik blader door galerieboekjes, dan zie ik overal wel Nederlanders. Iedereen is wel goed bezig en heeft zo z’n contacten, maar d’r is nog geen ‹Nederlandse School›. Maar dat kan zo komen.»

Arkesteijn: «Wat ik wel heel typerend vind is die ongelooflijke nuchterheid. Een enorme Hollandse nuchterheid.»

Van Sinderen: «Realiteitszin.»

Arkesteijn: «En humor, en relativering. Het is relatief heel luchtig, en heel weinig pretentieus. Dat vind ik wel heel Hollands, en typerend voor die generatie.»