Vrouwenvoetbal

Het voetbalpatriarchaat in de studio

Grapjes over ongesteldheid, juwelen en een top-vijf mooiste voetbalsters: het WK voetbal voor vrouwen maakt duidelijk hoe ver de sportjournalistiek achterloopt. Tijd voor een inhaalslag.

20 juni Reims, Danielle van de Donk in duel met Ashley Lawrence van Canada. © VI-Images / Imago Sportfotodienst / HH

De bondscoach van Engeland deelt in het kader van de teambuilding graag cadeautjes uit, vertelt co-presentator Suse van Kleef in het tv-programma Studio France. Zo liet hij familiefoto’s op de hotelkamers van de speelsters neerzetten, gaf hij de hele selectie een kettinkje met daarop ‘France 19’ en bestelde hij telefoonhoesjes met de rugnummers en namen erop. ‘Paaien met juwelen, Hugo, altijd handig’, lacht hoofdpresentator Sjoerd van Ramshorst naar analist Hugo Borst.

Een paar uur later. De nabeschouwing van Engeland-Japan zit er al op, maar in de klinische Hilversumse studio wordt, zoals het hoort, nog rustig door gekeuveld over alle randzaken rondom de belangrijkste bijzaak in het leven. Oranje-speelster Tessel Middag, vanwege een blessure niet bij de selectie, analyseert de volgende tegenstander van Nederland aan de hand van wedstrijdfragmenten. Op serieuze toon laat ze met behulp van gekleurde pijlen en vlakken zien waar de onbenutte ruimtes liggen. Dan is het woord aan Hugo Borst, die ‘eenmalig het Boulevard-gehalte omhoog wil gooien’: hij heeft een top-vijf van de mooiste vrouwen op het WK gemaakt. Het ongemak in de studio is voelbaar. ‘Dan kunnen we er daarna een goede brede discussie over voeren’, zegt hij tegen Van Kleef, met een lach die doet vermoeden dat er op de redactie strijd is voorafgegaan aan het item. Borst mag die dan gewonnen hebben, helemaal ongeschonden is hij er niet uitgekomen: houterig stamelt hij zich door de top-vijf. De videomontage gaat steeds net iets te snel voor zijn commentaar; het voelt als een stille daad van verzet door de beeldredacteur.

Na afloop richt hij zich tot Van Ramshorst, de andere man aan tafel: ‘Wat vond jij de mooiste vrouw?’ De presentator stamelt ontwijkend dat er ‘iemand in zijn oortje zat te tetteren’, Tessel Middag merkt verbaasd op dat ze nog even bij moet komen van de hele categorie. ‘Ik wist hier niets van.’

De uitzending maakt pijnlijk duidelijk in welke gefossiliseerde toestand een groot deel van de Nederlandse voetbaljournalistiek zich bevindt. Juist de frisse wind die het vrouwenvoetbal met zich meebrengt levert schizofrene contrasten op. Enerzijds krijgen we scherpe, inhoudelijke en eloquente analyses van kenners als Middag en Van Kleef, anderzijds horen we dat diamanten een meisjes beste vriend zijn en dat goed voetballen leuk en aardig is, maar dat vrouwen toch vooral mooi moeten zijn.

En dan is Studio France nog een van de meer vooruitstrevende programma’s. De Johan Derksens en René van der Gijps van deze wereld komen niet verder dan ‘niet om aan te gluren’. Telegraaf-verslaggever Valentijn Driessen vindt vrouwenvoetbal ‘niets’, maar reisde desondanks naar Frankrijk af voor Nederland-Canada: ‘Als ik een vernietigende column wil schrijven, moet ik eigenlijk ook zo’n vrouwenwedstrijd in het echt zien.’ Nederland won de wedstrijd en speelde aardig, dus de column kwam er nooit. ‘Gelukkig was Miedema niet ongesteld’, bromt Driessen een dag later op de radio in Bureau Sport Oranjevrouwen. Presentatoren Frank Evenblij en Erik Dijkstra maken halfhartig bezwaar – ‘dat kun je echt niet zeggen’ – maar moeten toch vooral besmuikt lachen om wat het brutaalste jongetje van de klas allemaal durft.

Evenblij en Dijkstra hebben een handig trucje gevonden om het verwijt van seksisme te omzeilen: aan het eind van iedere aflevering belt journalist Nynke de Jong op om hen ‘langs de feministische meetlat’ te leggen. De rubriek fungeert als een soort ironische boetedoening, waar ze zich vervolgens niets van aan trekken. Zo spreken de presentatoren met Driessen af om hem tot de finale te blijven bellen.

Op de open dag van de knvb gingen de vrouwen- en mannenselectie samen op de foto. Vleugelspeler Steven Bergwijn heeft zijn rechterarm om de schouder van de immer breed lachende Frenkie de Jong, zijn linkerarm om aanstormend talent Victoria Pelova. Ze dragen allemaal dezelfde zwart-oranje trainingskleding. Een ontroerend beeld, dat de sterk verbeterde positie van het vrouwenvoetbal in één keer vangt.

‘Natuurlijk volg ik de leeuwinnen’, zegt Ajax-ster Donny van de Beek. ‘Dat het vrouwenvoetbal in Nederland sinds kort meer opkomend is, vind ik leuk’, aldus Matthijs de Ligt, wiens zusje Fleur een verdienstelijke aanvallende middenvelder in de topklasse is: ‘Ik denk dat zij van nature meer talent heeft.’ Robin van Persie spreekt zijn bewondering uit voor Vivianne Miedema, als klein meisje een groot Van Persie-fan en nu zijn tegenhanger als nationaal topscorer bij de vrouwen: ‘Bizar knap. Ze kan ook gewoon geweldig voetballen. Technisch goed, makkelijk aanspeelbaar, en tegelijk altijd enorm doelgericht.’

De mannelijke voetballers, die doorgaans niet echt bekend staan om hun progressiviteit of diplomatie, spreken verrassend genoeg met meer respect over hun vrouwelijke collega’s dan menige journalist. Daar zijn hoopvolle verklaringen voor te bedenken: de mannelijke internationals behoren tot een nieuwe generatie, opgegroeid in een wereld waar vrouwenvoetbal bestond. Bovendien voelen ze zich niet in hun ego’s bedreigd. Vanuit hun comfortabele positie, als de populairste en best betaalde sporthelden van Europa, is het makkelijker te begrijpen dat emancipatie geen zero-sum game hoeft te zijn: de opkomst van vrouwenvoetbal gaat niet ten koste van het mannenvoetbal, maar voegt iets extra’s toe.

Maar mag je dan niet zeggen dat het vrouwenvoetbal van lagere kwaliteit is? Dat de top nog erg smal is? Dat de keepers er vaak matig uitzien? Dat Thailand een dramatisch elftal had? Je mag het allemaal zeggen. Je mag de vergelijking met het mannenvoetbal maken en concluderen dat de vrouwen er slecht bij afsteken. En je mag deze kritiek zelfs inleiden met de dooddoener dat je het vast niet mag zeggen.

Mannelijke voetballers tonen meer respect voor hun vrouwelijke collega’s dan menige journalist

Het levert alleen een nogal onoriginele en oppervlakkige analyse op, die voor een professionele voetbaljournalist toch als zwaktebod moet voelen. Een kind kan namelijk zien dat het vrouwenvoetbal qua techniek, tactiek en fysiek nog niet op het maximale niveau is. Veel voetbalverstand heb je daar niet voor nodig en het is ook niet verrassend voor een sport die in de meeste landen decennialang verboden was en pas sinds een paar jaar explosief groeit. Toch is er bijna elke dag wel een sportjournalist die de wagenwijd openstaande deur nog maar eens intrapt.

Natuurlijk kun je op vrouwenvoetbal ook onderbouwde kritiek leveren, binnen de context van de pionierssport die het nu eenmaal nog steeds is. Dat wil zeggen: zonder iedere keer weer het bestaansrecht van de sport als geheel ter discussie te stellen of te beginnen over strakkere shirtjes en rokjes in plaats van broeken.

Zulke kritiek is moeilijker te geven dan commentaar als ‘trage kelderklasse’, omdat er een stuk meer voorbereiding, kennis en voetbalinzicht voor nodig is. Er zijn mannenvoetbaljournalisten die geen zin hebben om zoveel moeite te doen voor vrouwenvoetbal, zoals er ook voetbaljournalisten zijn die geen zin hebben om zich in de finesses van wielrennen te verdiepen. Het verschil is alleen dat we die laatste groep niet telkens opnieuw krantenkolommen en radiomicrofoons aanbieden om daarin te verkondigen hoe saai het is om te kijken naar mensen die een berg op fietsen, hoe langzaam het eigenlijk gaat, en dat je met de auto toch veel sneller boven bent.

Wie een hekel aan vrouwenvoetbal heeft en zich niet bij de historische achterstand kan neerleggen, moet zich er de komende decennia vooral niet mee bezighouden – en misschien wel nooit. Maar dan is het wel zaak dat dezelfde mensen (m/v, maar vooral m) accepteren dat ze op dit gebied geen expert zijn en dus ook niet gevraagd worden om er avondvullende programma’s over vol te praten.

We zijn getuige van de laatste stuiptrekkingen van het patriarchaat, stelt socioloog Abram de Swaan in zijn nieuwe boek Tegen de vrouwen. De verkiezing van seksistische leiders als Donald Trump en Jair Bolsonaro is slechts tijdelijke terugslag. Over een paar decennia zal het antifeminisme dat nu momentum heeft een laatste wanhoopspoging geweest blijken te zijn, want de wereldwijde opkomst van de vrouw is onstuitbaar.

De Swaans analyse helpt ook om te begrijpen wat er deze zomer in de sportjournalistiek gebeurt: we zien de laatste stuiptrekkingen van het afbrokkelende voetbalpatriarchaat. Een groter contrast met de nieuwe energie rondom de snel ontluikende sport is amper mogelijk, maar deze botsing van werelden is een tijdelijk ongemak. Aperte vrouwenvoetbalhaters als Driessen en Derksen voeren sowieso een achterhoedegevecht – de kijkcijfers en inschrijvingen van het meisjesvoetbal liegen er niet om – maar ook de houdbaarheidsdatum van mannen als Borst, Evenblij en Dijkstra, die de sport serieus pretenderen te nemen als ze daarmee op radio en tv mogen verschijnen, komt in zicht.

‘De nos is een A-merk, geen speeltuinvereniging’, antwoordde de hoofdredacteur sport vorig jaar op de vraag waarom er geen vrouwelijke voetbalcommentatoren zijn. Kwaliteit is leidend, zou Mark Rutte zeggen. Een prijzenswaardig principe, dat de omroep als het om vrouwenvoetbal gaat niet consequent genoeg doorvoert. Nederland herbergt namelijk meer dan genoeg kenners (m/v, maar vooral v) om de radio- en tv-programma’s te vullen. Veel van hen volgen de sport al jaren en zijn goed ingevoerd. Deze deskundige mensen komen gelukkig steeds meer aan het woord, maar worden nog te vaak geflankeerd door usual suspects uit het mannenvoetbal of een willekeurige andere mediatak, die hen niet gehinderd door enige kennis overschreeuwen.

De karavaan van het vrouwenvoetbal dendert intussen onverstoorbaar door, op weg naar meer kijkers, bekendheid en sponsoren, en daarmee meer aanwas van talent, professionelere opleidingsfaciliteiten en steeds betere spelers. Er komen dus mooie voetbaljaren aan, al heeft het weinig zin om het niveau op wekelijkse basis te evalueren: het Miedema- en Martens-effect van het gewonnen EK 2017 laat zich op z’n vroegst over acht jaar voelen, als de meisjes die toen gingen voetballen doorbreken.

In de tussentijd valt er genoeg te doen. Tijd voor de nieuwe generatie sportjournalisten om definitief afscheid te nemen van seksistische studiopraat, voor de nos om de eerste vrouwelijke voetbalcommentator te vinden, en voor degenen die wel met de tijd mee willen om hun historische achterstand in te lopen. Tot het zo ver is, zou het podium gegeven moeten worden aan de mensen die er nu al veel van afweten. Als dat vooral vrouwen blijken te zijn, moeten we een scheve genderbalans maar even voor lief nemen. Vrij naar onze premier: ik had graag meer mannen gewild, maar kwaliteit geeft de doorslag.